De Slush Pile

Hij schijnt bijna tot aan het plafond te reiken en zo’n 4 bureaus in beslag te nemen. De stagiair, de beginneling en een redacteur ploeteren zich er een weg doorheen. 99% is opgeloste hoop. Dromen vervagen en scharen zich in het landschap van de fantasie, of de illusie.

De slush Pile bij een uitgeverij.

De stapel met spontaan ingestuurde manuscripten, waarvan er soms op de honderd inzendingen maar één (1) manuscript per jaar daadwerkelijk een boek wordt.

Het manuscript waar ik in eerste instantie -terecht of niet- heel trots op was verliest gaandeweg haar glans, of ik mijn vertrouwen.

Misschien kan ik beter een staatslot kopen.

Na enig research, begint de moed me te vullen. Want van de pensionado’s, psychiatrisch patiënten en toptalenten (zie quote in de link) voldoe ik zeker aan één van die kenmerken en voor de 2e ben ik hoopvol gestemd. Daarnaast hoop ik mijn pensioen te halen.

Lees: https://medium.com/@jeltenieuwenhuis/vlinders-494d1d2e242a

Mansplaining

Een nieuw woord voor een oud fenomeen. Over ‘de man’ die het beter weet. Over ‘de man’ die mij, ‘de vrouw’ wel even zal vertellen hoe het zit. En dat ik echt enorm zit te wachten op die uitleg.

Zo is er de wielrenner wiens buik op het carbon (!) frame rust en die mij in het voorbijgaan de ultieme aanwijzing geeft, ‘je zadel staat te hoog.’ Of te laag, ik heb het beiden gehoord. Dat ik zelf(s) als vrouw prima kan bepalen hoe hoog mijn zadel moet staan om lekker te fietsen is hen blijkbaar vreemd.

Of niet het ‘beter weten’ maar wel ‘beter kunnen’. Als ik, alweer, op mijn racefiets al fluitend rustig peddelend een medefietser inhaal. Is het een vrouw dan is het meestal een ‘Hoi’. Is het een man, dan is het ook ‘Hoi’ en daarnaast  kan ik er vanuit gaan dat hij de komende kilometers in mijn wiel en uit de wind gaat hangen om me uiteindelijk met gespaarde krachten heel hard voorbij te fietsen. Al is het het laatste wat hij doet……

Dit is allemaal niet zo heel erg. Ik haal er enigszins grappend mijn schouders over op, maar het illustreert wel iets breders dan een onschuldige ‘ik ben sneller/beter in racefietsen.’ Het is een ‘ik zal het je wel uitleggen mevrouwtje’ houding. En dát, die houding, is hoogst irritant.

Dit ondervond ik enkele weken ook op een ander terrein, bij een netwerkbijeenkomst (ja, zie vorige blog). Het gesprek ging ongeveer zo:

Hij: ‘waar ben jij van, wat doe je?’

Ik:’Ik heb mijn eigen bedrijf, Bureau Binder, en ik doe vooral online communicatie, websites optimaliseren, communicatiestrategieën opzetten en advertentiecampagnes in AdWords, of Facebook opzetten.’

Hij: ‘Oh ja, ik optimaliseer ook websites. Ik kan het je wel leren, hoe je dat moet doen. Als je tips nodig hebt….? Doe je ook iets met AdWords?’

Eh? Had ik die vraag gesteld? Ik zei dat ik dat dééd. Niet dat ik dat wilde leren….En AdWords, ja, dat zei ik net……doe ik, veel.

Ik: ‘In Google AdWords verandert veel de afgelopen tijd, dus daar ben ik ook veel mee bezig, om dat zo goed mogelijk op te zetten voor mijn opdrachtgevers, leuke klus.’

Hij:’Ja, ik heb ook erg veel met Google AdWords gewerkt, ik kan je wel heel veel tips geven. En ik heb iets geschreven, een scripje, dat echt heel handig is, om een AdWordscampagne bij te houden. Ik zal je die wel even sturen, daar zul je echt heeeeeel veel aan hebben’.

Eh. Nee. Ik hoef geen script. Ik heb mijn eigen manier. En hoezo handiger? Waar haal je het trouwens vandaan dat jij het handiger kan; misschien heb ik wel een briljant script, of monitor ik zelf echt veel beter dan een script ooit zal kunnen.

#Watnou….

Hij:’Als ik je eens moet helpen met websites of AdWords moet je het laten weten, het is ingewikkeld dus ik kan je wel helpen.’

Tuurlijk, ik heb je net verteld dat dat mijn ‘vak’ is. Aan je huisarts geef je toch ook geen advies over het gebruik van de bloeddrukmeter?

Toen was het klaar. Weg hier.

Ik weet weer waarom ik zo’n hekel heb aan netwerkbijeenkomsten. Omdenken is leuk hoor (zie vorig blog, alweer), maar aan dit soort dingen valt weinig anders te doen dan gekunsteld opgewekt, de schouders op te halen, hard naar huis te fietsen om de frustratie kwijt te raken (zodat ik die niet op man en kinderen botvier 🙂 ) en daar een fles wijn open te trekken. Om vervolgens te concluderen dat ik mezelf met mijn bedrijf eigenlijk prima kan redden; en dat ik wanneer ik hulp nodig heb, véél betere en leukere creatieve inspiratoren heb dan de mansplaining-man.

 

 

Hoe netwerken geen netwerken werd en daardoor leuk werd

Bij een eigen bedrijf komen onlosmakelijk de netwerkmomenten. Als werknemer had ik me daar gelukkig nooit druk over hoeven maken, maar tsja, na de inschrijving bij de Kamer van koophandel moest ik er toch wel aan geloven, vond ik zelf. Of vond iedereen, want hoe kwam je anders aan opdrachten? Eens. Ik moest laten zien wie ik ben en wat ik kan. Dat had ik gelezen.

En wat bleek? Het was één grote verschrikking. Interactie schijnt een wisselwerking te zijn, maar meestal strandde het ergens bij mijn gesprekspartner die dropte wat hij (meestal hij, soms zij) allemaal kon en daarna verdween. Dag interactie. De eerlijkheid gebiedt me te zeggen dat het gesprek  ook bij mij doodsloeg, want wat te zeggen? Hoe te reageren? Wie ben ik of moet ik zijn hier, op deze plek, in dit gezelschap,? Wat moet ik uitstralen en oh fuck, wat is mijn pitch ook alweer? Oh laat maar, hij heeft zich al op een ander, interessanter, object gestort, mij twijfelend achterlatend. Ik deed iets verkeerd, maar wat?

Lesje netwerken, of niet

Alles in me wilde wegrennen van dit soort netwerkmeetings, maar ik moest door. Van mezelf. Oplossen wat ik verkeerd deed. want het probleem lag bij mij, dat was inmiddels wel duidelijk want als ik om me heen keek zag ik slechts geslaagde succesvolle mensen met rechte ruggen en een nonchalance die alleen de populaire jongens/meisjes in de klas hadden, vroeger.

Aan de slag; wat mij restte wat leren netwerken. Want een ‘ondernemer’, dat was ik ineens -ik moest er zelf nog een beetje aan wennen- schijnt te moeten ondernemen annex netwerken. De ondernemer is zichtbaar, legt contacten, ontbijt om idiote tijdstippen als 6 uur ’s ochtends bij een netwerkbijeenkomst, veegt het slaap uit de ogen bij het pellen van een eitje en het luisteren naar pitches van andere introducees om ’s avonds nog eens aan te sluiten bij een ‘bedrijvennetwerk,’ ofzoiets.

Ik las boeken, blogs, oefende thuis, rechtte mijn mentale rug als ik weer over die drempel stapte, werd meegenomen door lieve mede-ondernemers om het ongemak wat te verminderen, maar ik kon het niet. Of beter, ik kón het op den duur wel, een beetje dan, maar man-o-man wat een strijd.

De pusherigheid, de visitekaartjes die ik in mijn handen kreeg geduwd en mijn eigen visitekaartjes waar ik onzeker mee stond te friemelen tot ze te verkreukeld waren om uit te delen. Aansluiten bij een tafel of groepje was al een enorme stap, ervan overtuigd dat ik de maat zou worden genomen, en afgekeurd. Maar ik deed het wel. Ik praatte, en vroeg, en mengde. Ondertussen werd mijn bestaansrecht via mijn zweetklieren afgevoerd tot er een schim overbleef die zich niet eens meer hoefde te verstoppen om onzichtbaar te zijn. De mensen die over mijn hoofd heen zoeken naar een interessantere ‘netwerkopportunity’ maakten het er niet beter op.

De switch

Tot ik na een te groot aantal netwerkgelegenheden voor mezelf iets had gevonden om het minder erg, ja, zelfs léuk te maken. Hoe? Simpel: ik ga niet netwerken. Ook niet op een netwerkbijeenkomst. Ik bén er wel, ik ga napraten, een borrel drinken, kennismaken, mensen ontmoeten. Praten over wat een ander doet, wat ik doe, over wat boeit en bindt. En omdat ik het netwerken niet als eerste prioriteit heb, zelfs niet als 2e of 3e, zijn het stuk voor stuk goede bijeenkomsten. Meestal dan. Soms heb je erbij waar je, als je jezelf niet heel hard schreeuwend op de voorgrond zet, slechts kan dienen als praatpaal of entourage, maar dan ben ik snel weg. En had ik 3 jaar geleden de sociaal wenselijke tijd tot 22:30 uur uitgezeten, nu zou ik na bovenstaande constatering rechtsomkeert maken. Maar die situaties zijn eigenlijk zeldzaam. Meestal ontstaan boeiende gesprekken, over wat mensen drijft, waarom ze doen wat ze doen, hoe ze daar gekomen zijn, over ambities, en over dromen. En dan kom je heel ergens anders dan wanneer visitekaartjes over en weer worden gekwartet.

Die switch, vond eigenlijk vooral in mijn eigen hoofd plaats, want de situatie bleef toch echt een ‘netwerkding’ en ‘de anderen’, de mede-ondernemers, zijn echt niet allemaal ineens verandert. Nee, het is mijn switch, en die maakt van wat voor mij een enge, spannende situatie is waarin ik zoveel ‘moet’ en ‘moet’ en ‘moet’, een sociale gelegenheid om boeiende mensen te spreken en mooie verhalen te horen of te vertellen. Van spanning naar ontspanning, van onzekerheid naar ‘ik sta hier, kom maar op. En wie ben jij?’ Hierdoor kan ik ontspannender de situatie in, laat ik meer van mezelf zien ben ik opener, geïnteresseerder (want het lag echt niet alleen aan ‘de ander’) luisterde meer dan ik praatte, was oprecht en had altijd wel een paar interessante of inspirerende gesprekken. En als ik het zat was, dan ging ik naar huis.

Manuscripten, toen en nu en andere tijden

Een kleine maand geleden heb ik de moed (of arrogantie, wat je wilt) gehad mijn manuscript naar 3 uitgeverijen te sturen. Bij elke uitgeverij stond op de website iets als “omdat we zoveel manuscripten krijgen kan het tot 20 weken duren voor je een antwoord van ons ontvangt. Over de reden van afwijzing wordt niet gecorrespondeerd”. En, oja, de ene uitgeverij neemt geen inzendingen per e-mail aan, en de andere geen inzendingen per post. Pffffffff. Alleen de logistieke afwikkeling al was een complete stress, om van het afronden van het manuscript niet te spreken.

En nu is het al 4 weken geleden, denk ik, dat mijn manuscript ergens op de mat viel (1x) en in de mailbox belandde (2x). De eerste dagen checkte ik elke tien minuten mijn telefoon, mail, werkmail, analytics, chats. Maar niks.

Wat doe je dan? Er rest mij in deze weinig meer dan wachten, dat snap ik ook wel. Maar hoe ga ik wachten? En wat doe ik dan? Naast werken om de wachttijd te vullen zijn er de momenten waarop werk niet mogelijk is en er een soort vrije-tijd aangebroken is, de avond. Die ik voorheen vulde met….juist….en nu?

Nouja, korte verhalen dan maar. Of niet ‘dan maar’. Ik ontdek nu dat het heel tof is om een verhaal te beginnen met een idee, binnen een uur een andere wending te kiezen en de dag daarna toch nog met een andere vondst te eindigen. In 2 dagen een kort verhaal af. Een verhaal dat eigenlijk alles in zich heeft, maar dan kort.

Naast de korte verhalen is er een 2e manuscript in wording. En tegelijk een stijloefening. Het 1e manuscript schreef ik eigenlijk als vanzelf in de verleden tijd, waardoor er toch een soort afstand ontstond, hoewel ik me daar totaal niet van bewust was.

Mijn nieuwe verhaal schrijf ik vanuit het nu. Ik schrijf het nu, alles gebeurt nu, de lezer staat erbovenop, er middenin. Er is geen afstand. Het gebeurt terwijl je het leest. En al in de eerste pagina merk ik het verschil.

Als schrijver merk ik een enorm verschil: één (1!!!) bladzijde moet ik 100x ontdoen van ‘tijdsfouten’; waarom is het zo moeilijk in het nu te schrijven? Is dat net zo moeilijk als in het nu te leven? Moeilijker?

En als lezer is het ook anders, ik zit meteen in het verhaal, het grijpt me bij keel, laat me niet meer los.  Als vanzelf schrijf ik actiever en energieker, rauwer, ongepolijster.

Morgen, of overmorgen want morgen is een beetje een drukke dag, zal ik een preview geven van een verhaal in de verleden tijd versus een verhaal in het nu.

Hoi mevrouw de psychiater, wat fijn dat je er bent.

M. liep voor me de trap op. Sneller dan ik bijhouden kon. Met een kop koffie in mijn ene hand, een glas water in de andere, een tas over mijn schouder, een zonnebril op mijn hoofd en een heleboel zweet op mijn rug (bijwerking), voelde ik me nogal zwaar en log toen ik achter haar aan de trap op sjokte. Zij had een kopje koffie en een pak tissues in haar hand. Daarmee fladderde ze de trap op, luchtig als ze was. In haar zomerjurkje. Om daarna in goed gekozen woorden uitleg te geven over hoe alle neurotransmitters in mijn hersenen werken. En uitleg over mij en de koker van de depressie en suïcidaliteit. Hoi!

‘Hé, dat pak tissues zijn voor jou, dat snap je natuurlijk wel.’ Een gemeende, bijna meisjesachtige lach die door de kamer klaterde. De vorige keer dat ik haar zag had ik met tenenkrommende tegenzin en schaamtevol ongemak wat tissues nodig gehad. ‘Fok, ik ga echt niet huilen hoor’ zei ik toen nog. Tevergeefs. Ze had het onthouden en ongewild moest ik grinniken. om haar tissue-grapje.

Haar lach en mijn gegrinnik  vermorzelde de ongemakkelijke stilte (voor mij ongemakkelijk, ik vermoed dat zij er wel aan gewend is) tussen psychiater en patiënt. Even waren we gelijk. Net als toen we in het keukentje koffie inschonken. Of praatten over de opblaaszwembadjes voor de kinders. We vinden herkenning bij elkaar in het moeten plakken van zwembadjes die steeds lek raken, en ‘schoolpleinstress’. Het is een soort gelijkheid in het  moederschap. En nog blijf ik de patiënt, zij de behandelaar. Niks mis mee (hoewel?), wel wennen. Ik zie mezelf liever als medebehandelaar, desnoods van mezelf, en ik laat de ratio en de wetenschap graag overheersen. Daar kan ik namelijk goed mee uit de voeten. Niet met de depressie; die overspoelt me en daar kan ik niks nee. Maar daar móet ik wel wat mee. Maar ik wil graag gelijk zijn, ik hou niet van onevenwicht. Is patiënt-behandelaar onevenwicht? Voor mij blijkbaar wel. Hoewel het mij niet minder maakt en haar niet meer is er toch overwicht – ongelijkheid. Al was het maar in kennis, ratio, overzicht en psychische state of mind. En dat ik haar (en meneer P. en mevrouw A., ze doen aan teamwerk daar) nodig blijk te hebben om mezelf te duiden. En om te overleven.

Na een uur, met de nodige issues besproken, pak ik mijn tas, bijna klaar. Opgelucht, en sterker, zoals altijd wanneer ik bij haar vandaan kom. ‘Hé’, zegt M., schijnbaar verongelijkt, ‘De tissues heb je helemaal niet gebruikt. ‘ We grinniken naar elkaar. Ha, niet gehuild! Mooie verbinding vind ik het. In alle kwetsbaarheid en ongemak toch kunnen grijnzen en lachen om dit soort kleine dingen. Want huilen was ook geen probleem geweest. Heb ik eerder gedaan bij haar. Wel met moeite. want huilen bij je therapeut vind ik zó stereotype dat ik het niet wil doen. Ik laat me verdomme toch niet kennen. Tot er plots iets uit mijn oog drupte.

Wij zijn gelijk, en zij helpt mij. Met dat uitgangspunt kan ik wel verder. Hulp nodig hebben is niet perse een onevenwicht, zeg ik hardop.

Bovendien legt zij mij mezelf uit. Zij licht toe hoe ik me voel en waarom dat zo is.  Of hoe het werkt. Zij begrijpt wat ik niet kan begrijpen, waar mijn ratio niet bij kan, waar mijn gevoel teveel schuld voelt om het te kunnen begrijpen. Zij begrijpt soms meer van dat ene aspect dan ik kan. Ze licht toe, en dan snap ik het ook. En ze oordeelt nooit. Waardoor alles veilig is. En daardoor leer ik mezelf begrijpen. En kom ik elke keer weer, hoe beroerd ik er ook inging, gesterkt de spreekkamer uit. En bovenal, ze begrijpt het onmogelijke. Legt uit wat voor mij onmogelijk lijkt. En daarbij lachen we altijd zo veel, dat ik me soms tijdens ‘de sessie’ afvraag of het nou allemaal zo erg is; want we lachen zo veel, ik voel me ‘fijn’ voor zover dat kan. Voel me veilig, open, kwetsbaar en geholpen in al mijn ongemak. Laat dit een begin zijn.

—- Dit stukje schreef ik ruim drie maanden geleden. En nu, 24 revisies later durf ik het dan misschien eindelijk te publiceren. Tenminste, als ik op ‘Publiceren’ klik. Ik kan ook nog op ‘Concept opslaan’ klikken, zoals ik dat al 3 maanden en 24x eerder gedaan heb. En waarom zou ik dit publiceren, het is zo privé…. Misschien daarom wel. Omdat ik het stigma, het zelfstigma en taboe, eraf wil hebben. #openup