Goedemorgen, het is een kwestie van kiezen.

‘Goedemorgen, met Esther, opnamecoördinator van de PAAZ, Gelre Ziekenhuis Apeldoorn afdeling psychiatrie. Ik bel om een afspraak te maken voor opname.

Stilte. Wat moet ik zeggen?

Ik had het kunnen weten. Mevrouw  Esther stond die ochtend al om 08.24 op mijn voicemail. Mooi dat ik niet terug belde. Wat moest ik zeggen dan?

Rond de middag ging mijn telefoon voor de tweede keer; ik hoorde “Happy”van Pharrel Williams lekker schel en vooral cynisch tekeer gaan. Ik nam onnadenkend op en hoorde dit: “Hallo, met Esther, opnamecoördinator van de PAAZ, Gelre Ziekenhuis Apeldoorn afdeling psychiatrie. Ik bel om een afspraak te maken voor opname.

Stilte.

Wat moest ik zeggen dan?

Volgens  mij hing ik op. Drukte haar weg.

De avond daarvoor, al gewaarschuwd, bekeek ik het dagschema van de PAAZ. Om 07:45 ontbijt, om 09:30 uur koffie, om 12:00 lunch, daarna nogmaals koffie en om 17:00 uur avondeten. Een uur later bezoek, als je geluk had.  Daarna nog een keer koffie/thee en om 23:00 uur moet het stil zijn, slapen. Geen drank op het menu. Geen afleiding, geen uitweg.

En dan? Wat moet ik doen tussen ontbijt, koffie, lunch, thee, avondeten en bedtijd? Die hele opname leek een noodsprong te zijn, van de therapeuten, omdat die net als ik en wij en iedereen om me heen, ook niet meer weten wat te doen. En omdat ik het ook niet meer weet en wil dat het allemaal afgelopen is. Daarom lijkt de noodsprong een oplossing. Lijkt. Even. Maar wat brengt het?

En tussen 12 en 17 dan? Of tussen 18 en 23? En de nacht? Van 23 tot 07? Wat dan?  Een enorme leegte strekt zich voor me uit. Ik voel mezelf op de rand van het bed zitten. Blote voeten zoekend op een koude vloer, in ‘mijn’ kamer, met een bed, een kast en een bureau. Verloren. Zonder mijn gezin. Zonder alles wat me lief is. Opzij gezet. Al mijn lieven te ver weg. Mijn man, dochters, de zoon, op 8 kilometer afstand. Te dichtbij maar onaanraakbaar. Teveel gemis om niet in mijn lijf, hart en hoofd te zijn; te ver weg om aan te raken. Zij hier, ik daar. Zij samen, ik alleen. En terwijl mijn hart verdampt weet ik dat ik dit niet moet doen. Niet kan doen. Het alleen zijn wordt daar benadrukt; ik ben niks meer dan alleen. Niemand  daar die ik ken. In dat ziekenhuis waar ik zo vaak met de dochter kwam voor buisjes, controles, of, als eerste, voor de bevalling van L. en daarna voor de zwangerschapscontrole van dochterlief A.. En nu, 7 jaar later, wacht een paar blokken verder een afdeling op me. Wordt een bed opgemaakt. Met deuren die niet open kunnen. En ’s nachts niet op slot mogen. De angst van het afgelopen jaar bundelt zich samen tot een enorme misselijkmakende dreiging. Met zoveel angst in het lijf kan dit niet de oplossing zijn.

Dus doen we het niet. Of, ‘Nog’niet. Ook goed. Want als het nodig is dan moet het, maar zolang ik het kan vermijden, uitstellen, ontlopen,gaan we daarvoor.

 

Hallóó allemaal in Psychiater land

‘Ik ben te laat, geloof ik?’

Een uur daarvoor sloeg ik mijn wekker tot drie keer toe uit, om vervolgens al vloekend de slaap uit mijn lijf te verdrijven en haastig een broodje (maar zonder boter, dat scheelt weer tijd) te smeren voor in de overblijftrommels van de kinders. En ondertussen had ik gedoucht, denk ik.

Nu sta ik hier, trek mijn handschoenen uit, wikkel mijn sjaal af en ontmoet een uitnodigende ‘geeft niks’ – blik.’ Een blik waarin ik enige herkenning lees voor wat wat je het beste kunt omschrijven als ochtendgepruts.

Ze maakt koffie voor me, schenkt voor haarzelf  thee in en gaat me voor naar  haar werkkamer op de 3e verdieping. Die trap. Zweet. Zou ze nooit eens willen verhuizen? een kamer op de 1e, met uitzicht op straat? Zal P. te gehecht zijn aan zijn werkkamer? Ik schud de ballast mijn hoofd uit.

‘Ah, je komt vast net van het schoolplein’.  Het is niet eens een vraag. Ik hummmm blijkbaar met een hele diepe zucht. ‘Sta jij ook altijd zo lang in de rij..?’ Lacht ze. Oja, dat is waar ook, mijn (ja, ‘mijn’) psychiater heeft ook kleine kinderen. En schoolpleinstress. Grijns. ‘Al dat gemiep en getrut over ‘mijn kind is wel een beetje moe hoor…’ Of Thijs heeft een beetje buikpijn..’. We lachen en zijn zelf natuurlijk geen haar beter…. ‘Zelf doen we het net zo hard.’ zeggen we,  bijna tegelijk. We knikken. Tegen wie weet ik niet.

Dus voor de sessie begint lachen we onszelf nog even uit, fluiten een stukje ‘Halloó allemaal’ en gaan verder naar de orde van de dag. Want daarvoor zijn we hier tenslotte.

‘Hoe gaat het met de suïcide gedachten?’

 

*Toegegeven, haar intro was wel wat subtieler.

 

Een jaar later dan vorig jaar

Een jaar geleden werd ik elke dag neergesabeld door een lawine zwarte keien en meegesleurd door boze stromingen naar het duister achter de horizon. Ik stond al drie maanden op de wachtlijst voor een diagnose (die ik inmiddels zelf al wel had gesteld) en behandeling (als ik dat zelf kon had ik het al wel eerder gedaan) en telde de dagen tot de intake, 21 februari 2017.

Een jaar geleden liepen mijn man en zijn zoon de 8 van Apeldoorn bij de Midwintermarathon. Ik ‘had geen zin’. Kon het niet eens opbrengen om te komen kijken, om te bedenken dat iets van een bosje bloemen leuk zou zijn, om de meiden in de auto te kiepen en aan de route te staan. Ik kon het niet.

Drie weken later was het officieel een ‘hele zware ernstige klinische depressie’ en werd een handvol oxazepam, sertraline, bupropion en later methylfenidaat een dagelijks slikritueel. Net als de voortdurende aansporing van de SPV’er, de psychiater en de psycholoog. Het toverwoord was ‘activering’. Uit die negatieve spiraal. Niet dat je door sporten beter wordt, maar met doods in bed liggen gaat het ook niet beter.

Zo werd mijn strijd/geworstel/gedoe, meetbaar, tastbaar en relatief goed in stukjes te delen. Elke dag iets doen, zo’n drie keer per week proberen hard te lopen (probeerde ik toch al, maar nu werd het een onderdeel van mijn #beterworden), dat activeren ging best oké. Ondanks dat verdween die depressie niet als sneeuw voor de zon.

Het hardlopen zette ik door, lente, herfst, winter. Een tergend lange periode werden mijn loopjes vergezeld met paniekaanvallen, staren naar de rails die ik bij mijn rondje tegenkwam, doodsgedachten en het letterlijk schreeuwend wegrennen daarvan.

Daarna werd het lichter. Tijdens het lopen zag ik lichtjes, ergens ver weg, zon tussen de bomen, een lichtheid in mijn lijf. Voor even. Dat even duurde steeds langer.

Ook al was mijn doel van hardlopen vooral behandelingsgericht, dat was toch niet genoeg om te blijven lopen. Er moest een groter doel komen. Dus dacht ik terug aan die ene loop. Die ik twee keer met mijn lief had gedaan en dit jaar had overgeslagen omdat ik toen immers alles oversloeg. Dat zou veranderen, besloot ik. De Midwintermarathon, de acht van Apeldoorn, zou mijn bevestiging van mijn geworstel worden. Maar ook en vooral de bevestiging dat ik er nu, een jaar later, nog steeds ben. En dat ik dat toen niet gedacht had. Dat ik dat vele maanden daarna niet gedacht had. Maar dat het me gelukt was. Ik zou die acht lopen; het werd mijn ijkpunt. Dan zou ik misschien niet beter zijn maar ik zou er wel zijn.

Een jaar later dan vorig jaar lagen de Man en ik hoestend, proestend, snotterend en klagend in bed. Geveld door spierpijn, verkoudheid, naderende griep. Maar ik zou lopen. Ik Googelde ‘grieperig en hardlopen’. Resultaat: ‘Bij koorts, spierpijn of een hogere hartslag dan normaal moet je niet hardlopen.’ Koorts had ik niet. Maar dat was dan ook het enige. Tegen beter weten in checkte ik mijn hartslag; als die oké zou zijn dan zou ik lopen, fuck de spierpijn. Maar nee, 100 in rust is te hoog. (Eigenlijk mocht ik niet van mijn lief, en dat was maar goed ook want op het tijdstip van de start lag ik uitgeteld op de bank te dromen over nieuwe hardloopschoenen, met mijn meiden slapend naast me, we zijn zo’n lekker dynamisch gezin).

Goed, de loop waarvan ik had besloten dat dat het ijkpunt van mijn beterworden zou zijn, is niet doorgegaan. Door ziekte. Hahaha. Maar dit is een griepje die over een paar dagen weer over is. En daarna zal ik alsnog een acht lopen. Niet tussen honderden anderen. maar voor mezelf. En zo is het begonnen, en daar gaat het om. Dat ik ben, en loop, en blijf. Blijf.