Lezen

Het schrijven maakt het lezen een stuk minder leuk. Bij elk ‘slecht’ geschreven boek voel ik een soort misplaatste ‘tssss, dit wel gepubliceerd en die van mij niet-‘ steek. En bij elk ‘goed’ boek weet ik zeker dat ik zoiets nooit zal kunnen, dat het boven mijn macht ligt en wil ik mijn manuscript weggooien en opnieuw beginnen. Of niet beginnen. Want zoiets goeds zal ik nooit kunnen schrijven.

Bij elke mooie zin die ik lees zie ik mijn eigen kromme zinnen. Bij elke in elkaar verweven verhaallijnen lees ik mijn eigen houtje-touwtje verhaal. Bij elke dialoog denk ik aan mijn eigen gekunstelde dialogen. Bij elk succesvol debuut verbijt ik enig jaloezie, lees het boek en weet het zeker: dit kan ik nooit. Bij elk mooi uitgewerkt thema zie ik ik mijn eigen afgeraffelde thematiek.

Waarom ik dan toch blijf schrijven, schrappen, veranderen, proberen, vloeken en niet-roken (niet-roken omdat ik het zo graag wel zou willen, maar er al meer dan twee jaar geleden mee gestopt ben. En het blijkbaar toch een issue blijft)?

Omdat ik ergens misschien toch denk, hoop, maar vooral denk, dat ik wel iets in handen heb, qua schrijverij. Dat ik het wel kan. Dat de begeleiding van een redacteur misschien wel de doorslag kan geven. Dat ik het daarom zo graag wil: Een uitgever. Iemand die zegt, al is het aarzelend: ‘Mm, ja, ik zie er wel iets in, maarrrrr…….’ en dat er dan een redacteur komt die mij helpt de ‘maar’ te doen verdwijnen.  En dat het verhaal uitgegeven wordt, met de kwaliteitsstempel van een uitgever. En dat ik dan pas echt een boek geschreven heb. Zodat ik verder kan, naar ‘het boek na het debuut.’ Dat nóg moeilijker schijnt te zijn, maar dat ik daar nu al zin in heb.

 

Schrijven

Ik hou van lezen. Zoveel dat ik zou willen schrijven. Dat ik een boek zou schrijven die ik zelf zou willen lezen. In het diepe dal viel er een verhaal in mijn hoofd dat erom smeekte geschreven te worden. Ik schreef, en schreef, zonder te weten waar het naar toe zou gaan. Ruim een jaar geleden was het af.

Haha, dat had ik gedacht. Het bleek de allereerste ruwe versie waarvan er nu weinig meer over is. In het najaar van vorig jaar heb ik het manuscript laten beoordelen door een auteur/schrijfcoach. Een goede, zo-een die literaire prijzen heeft gewonnen en bij wie ik het verhaal goed vind passen. Ruim acht vol getikte pagina’s met advies kreeg ik voor mijn kiezen.  Bijna alles wijzigingen en adviezen heb ik doorgevoerd: tegenwoordige tijd ipv verleden tijd was wel de wijziging die het meeste impact had.

In deze zomer heb ik het gewijzigde manuscript laten redigeren door een andere auteur. Achteraf is dit niet handig, want deze auteur heeft een hele andere kijk op schrijven en verhalen waardoor het aangepaste manuscript eigenlijk weer ‘voor de eerste keer’ werd beoordeeld. Waarbij schrijfsels en ideeën die meneer 1 supertof vond door de ander werden doorgestreept.

Mijn insteek was dat een tweede lezer extra aanvulling zou kunnen geven, de uitwerking was een gespleten stad. Hij zegt A en zij zegt B.  En ik, de schrijver….op wie moet ik varen?

Lafjes heb ik een gulden middenweg bewandeld. Ik heb de technische tips van lezer 2 doorgevoerd, maar voor de verhaallijn en ontwikkeling ben ik bij de adviezen van lezer 1 gebleven. Misschien is het beste gevolg wel dat ik het afgelopen jaar op heel veel verschillende manieren en invalshoeken naar mijn verhaal heb gekeken. dat ik het verhaal met meerdere ogen heb gelezen, keuzes heb gemaakt adviezen op te volgen of te negeren. Dat ik het al bijna honderd keer heb weggegooid, uit de mentale prullenbak gevist, opnieuw begonnen. En dat het nu dan af is. Bijna dan. Want tijdens het lezen van een ander boek wist ik ineens wat aan het mijne schortte: triviale zaken, details en terloopse zijwegen. Klinkt banaal, maar juist dat zal het verhaal meer diepte geven en het boek schrijven die ik zelf zou willen lezen.