Een schrijfcafé, een naam, een plek

Vorige week ging ik voor het eerst naar het schrijfcafé. Waarom? Ik hou niet van nieuwe dingen. Ik hou niet van onbekende mensen. Ik hou niet van instant produceren, te bang iets fout te doen. Ik hou niet van het voorlezen van mijn verhalen en ik kan heel erg slecht tegen kritiek.

Als het schrijfcafé in een kantoor met systeemplafonds of een onbekende werkruimte in een onbekend deel van de stad had plaatsgevonden was het zeer waarschijnlijk nooit in me opgekomen om te gaan. Want te eng. In té veel opzichten.

Toeval of niet, het schrijfcafé was in mijn voormalig huiskamer, mijn eigen bar, mijn eigen biertap, mijn altijd gevulde koelkast, mijn.. Oké, nu sla ik door. Niks meer dan mijn voormalige werkplek. Niks van mij meer bij. Want wat was, is niet meer.

Drie deelnemers, waaronder ikzelf, één journaliste die een stuk over dit schrijfcafé ging schrijven en de schrijfdocent. De opdracht: schrijf (iets) over je naam. Oké, dit is te kort door de bocht, we kregen een introductie, een gedicht, een overpeinzing,een verhaal en veel vragen over wat een naam over je zegt. De opdracht bleef om ‘iets’ over je naam te schrijven.

Rinske. Eva. Jansen.

Het eerste wat me te binnen schoot was het verhaal dat ik zo vaak had gehoord. Dat ik als vijfjarige blijkbaar door kreeg dat mijn moeder een andere achternaam had dan ik. Bout. Een andere naam dan je moeder….onmogelijk in de leefwereld van een aan moeder geklonken kind. En dat ik in welgemeende verbazing opgemerkt schijn te hebben: ‘Ik kom toch uit een ‘Bouten’-buik, waarom heet ik dan geen Bout? Waarom Jansen?’ Zelfs met mijn vijfjarige logica klopte daar niks van.

Mijn eerste regels in het schrijfcafé :

Rinske Eva Jansen.

Mijn drie namen zijn niet wie ik ben. De eerst voelde altijd zo hard, een echte brillennaam vond ik het. En ik had al zo’n hekel aan die bril, kon niet wachten tot ik eindelijk lenzen mocht. De tweede was zo oervrouwelijk dat het mij nooit zou passen, hoe rood ik mijn lippen ook zou stiften. En de derde was te druilerig om met een serieus gezicht uit te spreken; te alledaags, duf, dor en droog. Met zo’n alledaagse achternaam zou het nooit lukken iemand te worden. Het enige dat ik eraan toe te voegen had was: ’Met één s.

Deze gedachten kwamen als eerste in me op, terwijl ik dit al heel lang niet meer denk, of vind. Dit waren de gedachten van een tienjarige, ongeveer. Of veertien, of acht. Zoiets.

Inmiddels vind ik mijn ‘brillennaam’ misschien wel net zo oké als mijn eigen (oké, wel nieuwe) bril; mooi, het maakt me compleet. Ook het Eva voelt zoals het moet zijn. Wat het criterium is van vrouwelijkheid weet ik nog steeds niet, maar als ik dat zelf bepaal ben ik net zo vrouwelijk als ik wil. En mijn achternaam, de alledaagse ‘Jansen‘, van ‘de arme tak’ met maar één S….  zelfs díe past. Plakt als vanzelf aan mijn voornaam vast. Gekregen van opa, opgegroeid in een dorpje in het Westen, ongeschoolde arbeider in de kalkfabriek, via mijn vader, opgeklommen van schilder (van hout, niet van kunst) tot chemisch technoloog, doorgegeven naar mij (nog niet gedefinieerd) en van mij naar mijn dochters. Want hoe ontzettend veel mooier, ronder, zwieriger de naam van  mijn lief ook is en hoe graag ik die naam ook zou dragen, het is niet mijn naam. Hoe mooi ook en hoezeer ik ook onlosmakelijk bij hem hoor, het maakt van mij geen ‘De Roos.’

Misschien dat onze dochters over een jaar of vijf, of tien, hun, mijn, onze achternaam vervloeken, zoals ik dat deed. Maar sorry meiden, jullie komen toch echt uit een Jansen-buik. Echt, niks meer aan te doen.

Maar wie weet, wordt de naam ooit weer hip; want retro en back to the roots, basic, onbespoten, lokaal gebrouwen en rauw is tenslotte ook trendy geweest. Dan kan Jansen ook wel. Of misschien glinstert er in een onbewaakt moment een mini glimpje van trots over de achtergronden van de naam, van jullie naam. En als dat te pathetisch is dan kun je altijd nog de naam van je vader aannemen. Of van de Man, of Vrouw, of beiden, of zelf iets bedenken. Zie maar. Vanaf hier is je naam aan jou.

Een jaar en een boel hartjes

Het afgelopen jaar heb ik doorstaan en overleefd. En dat hoefde ik niet alleen te doen,  daarom: hartjes voor alle lieve mensen die me gesteund hebben.

Een heleboel lieve mensen om me heen gaven me een vangnet. Ik was dan wel niet altijd (meestal niet) in staat de aangeboden hulp aan te nemen, steun te vragen of gewoon koffie te komen drinken (de bank was mijn veilige haven); dat lieve mensen er voor me waren was al genoeg. De lieve kaartjes, de smiley-ballon, kleine gebaren, kopjes thee, lieve opmerkingen, steunende ‘thumps up’ lieve vragen (en vooral lieve -niet-vragen. ‘Fijn dat je er bent’  in plaats van  ‘He, hoe is het nu?’), het niet vrolijk hoeven zijn om er te mogen zijn; dat alles deed, en doet me nog steeds, goed.

En dan mijn super fantastische toffe gezin. De gedachten die de depressie me influisterden – ‘Wat doe ik jullie aan? Ik ben slecht’ – is langzaam gekanteld naar ‘Wat ben ik blij met jullie en wat wil ik graag bij jullie zijn’ ….Het is een ziekte, ik ben niet schuldig.’ Ik moet het me nog dagelijks inprenten, maar zolang me dat lukt gaan we vooruit.

Dit  jaar hebben we samen doorstaan., met ons hele gezin van vijf, dat goud waard is, meer dan goud. Het heeft me gered. Onvoorwaardelijke liefde was niet eens de vraag maar werd met ontroerende vanzelfsprekendheid gegeven. Ik kon dat lang niet altijd ontvangen, was er niet toe in staat, maar kreeg het desondanks, voortdurend, net zolang tot ik niet anders kon dan het te ontvangen. En waarderen. En er blij mee zijn.

Hoe chagrijnig ik ook was, zeurde en mopperde over niks, avonden in joggingbroek en trui met gaten op de bank series bingde, ruzie schopte omdat ik ook niet wist wat er aan de hand was, huilde om alles en vooral om niks, knetter gespannen en onbenaderbaar was, hij was er, en bleef. Na een half jaar psycholoog en vier maanden wachtlijst hadden we zelf min of meer de diagnose al wel gesteld, maar de officiële was een opluchting. De weg naar behandeling lag voor ons. Dat dat zo lang zou duren hadden we eigenlijk niet gedacht.

 

Eindeloos sleepte lief me mee; naar de hei, het bos. De deur uit, want buiten maakt beter. In stromende regen, krakende sneeuw en snijdende wind. Lopend, rennend of op de racefiets door desolaat landschap. ‘Volgende keer word ik depressief in de zomer’, grapte ik nog, niet wetend dat deze depressie door zou gaan tot de lente, zomer, herfst, winter tot het volgende jaar in. Niet weg te  krijgen. Net als mijn lief.

Elke paniekaanval was hij er voor mij, troostte, pakte me vast, steunde me. Het was zwaar en confronterend, voor hem en voor mij. Een jaar van zorgen en doemscenario’s, elkaar soms even met rust laten omdat het zo verdomd moeilijk was/is, maar vooral elkaar vasthouden, niet loslaten.

De laatste blog van dit enge, moeilijke en tegelijk vertrouwenwekkende jaar is voor de lieve menschen, voor mijn toffe gezin en vooral voor mijn lieve lief. Omdat hij er altijd voor me was, is, zal zijn. <3

 

Een jaar en een credo – UP!

Terugblikken op 2017?
Liever niet.

Vooruitblikken op 2018?
Met enige angst en vrees. En hoop.
Ben ik te negatief? Neuh. Realistisch? Denk het wel.

Ik ga me aan het credo hieronder vasthouden, er in elk geval vertrouwen in hebben. Dat`up’ de enige weg is (wat het niet helemaal waar is, want op dit moment sta ik boven het dal, dus de andere kant op is ook nog mogelijk, maar da’s niet hoopvol). En laten we dit jaar hoopvol afsluiten. En dat van morgen net zo hoopvol beginnen. En er een mooi jaar van maken.

 

Magic Is Everywhere

Op mijn Spotify runninglijst staat, oh verrassing, muziek die me laat lopen, maar ook lachen, huilen, vloeken en schelden om alles wat gebeurd (is). Niet handig als je loopt, maar het houdt me in beweging zullen we maar zeggen. De nummers lopen uiteen van cliché Born to Run, de over-the-top-guilty-pleasure Eye of The Tiger tot Humble (of eigenlijk de hele plaat) van Kendrick Lamar, aangevuld met alles dat ertussenin valt: The Killers, Nirvana Pearl jam, De jeugd van Tegenwoordig en meer. Mijn lijfliederen Alive (Pearl Jam),  Everybody Knows That You’re Insane (QOTSA) en Black Hole Sun (Soundgarden) komen regelmatig voorbij.

Hoewel de lijst meer dan 100 nummers telt en altijd op shuffle staat, is er zelden een rondje waarbij hij niet voorbij komt: Black, met Wonderful Life.

Black zingt: ‘Magic is everywhere.’ En tijdens elk hardlooprondje zoek ik het weer, de magic; meestal lukt het en zie ik de magic in de zonnestralen door de bomen, het elfenbankje tegen de boomstam, de baby’s in wandelwagens of eenvoudig het feit dat ik hier nog loop, ondanks alles, nog steeds.

Gisteren liep ik door het park en zocht hem. De magic. Maar ik zag niks; slechts de grijze winter, eenzame eenden, dode bladeren, vertrapt gras zonder enig uitzicht op licht. Natuurlijk, stommerd die ik was, Er was ook helemaal geen magic in een suf park in De Maten in Apeldoorn. Al die tijd had ik dingen gezien die er niet waren; dingen die ik wílde zien om een houvast te hebben. Want als de magie er zou zijn was alles nog mogelijk. De bodem zakte onder me weg en nam me mee de diepte in. En plots zag ik mezelf zoals ik was; klein, nietig, onbeduidend, worstelend met niks dat de moeite waard was. Het zijn díe gedachten die sluipend mijn gedachten overnemen en me richting duister trekken: het duister waarvan ik gisteren schreef dat ik die kon ontwijken door hard te lopen. Oh, ironie.

In de verte naderde een vrouw, oud, schatte ik, want haar haar ging op in de grijsheid om haar heen. Ze liep voorovergebogen, kromme rug, blik gericht op het zandpad vóór haar. ‘Schuifelend” vulde ik in. Iets dichterbij zag ik haar knaloranje jas dat me deed denken aan een outdoor/ANWB-jas. Oude mensen raken hun smaak ook nog kwijt, schoot door mijn hoofd. Ik had medelijden met de oudheid. Witte gympen. Ook dat nog.

Ik klooide wat mijn mijn oortje, Black was allang afgelopen maar nog steeds zocht ik de magie.

Het moment dat ik weer opkeek zag ik de oude vrouw aanzetten. Dribbelend maakte ze tempo. Het schuifelen bleek joggen, de ANWB-jas een high-tech windjack van Nike en de gympen waren topmodel Asics uit 2016.

We passeerden elkaar en met een brede lach stak ze haar duim op. Dat had andersom gemoeten. ‘Goed hoor!’ riep ze bemoedigend. En ze rende door. In een behoorlijk tempo, zag ik toen ik over mijn schouder keek en ze al bijna de bocht om was.

Alles bleek toch nog mogelijk, anders dan verwacht. Nietig was ik niet meer, onbeduidend evenmin, want gezien, gecomplimenteerd, rennend en vooral niet meer niks. Misschien was het toch allemaal goed zo.

Dít is de magic dus. De hoop die haar hardlopen mij bood,  mijn verbazing en  bewondering, haar lieve gebaar, mijn vooroordelen onderuit geschoffeld en de verwondering.

Na publicatie van dit bericht zag ik (zoals altijd)  nog veel tikfouten. Tijdens het corrigeren daarvan dacht ik na over de plaat ‘Wonderful life’, over de tekst en ontdekte iets wat ik eigenlijk al hardlopend heel vaak dacht. Elke zin is raak. Daarom, een bescheiden aanvulling op het vorige bericht kun je hieronder lezen.

Magic is Everywhere – de lange versie

 

 

Acht overwinningen op één dag

Eén van de vele manieren om me uit het zwarte duister te trekken, of om te voorkomen dat ik er weer inkukel, is het ‘in beweging zijn.’  Rennen. Dat betekent mijn bed uit komen, douchen (2x zelfs), kleren zoeken, aankleden, iets eten en naar buiten. Alleen dát zijn al zeven enorme bergen die onneembaar lijken.  Het kost me bijna al mijn moed om ze over te komen. Zeven overwinningen. Daarna is hardlopen amper meer een drempel, want ook zonder depressie ren ik zo veel en vaak en lang mogelijk.

Dat door hard te lopen een stofje wordt geproduceerd waar je je goed van gaat voelen zal ongetwijfeld waar zijn, maar het hardlopen als enig ‘medicijn’ zal voor mij nooit genoeg zijn. Naast alle medicatie en therapie is het hardlopen vooral een middel om niet door het grote eb in de grote demonische angstaanjagende zwartheid getrokken te worden.  Preventie dus.

Als rennen niet lukt wordt het een alternatief: wandelen hetzelfde, een blokje om, een rondje park, een stukje fietsen. Het is eigenlijk niet eens het hardlopen; het is ‘iets doen’ waardoor bergen over geklommen en overwinningen gecreëerd.

En wat is er nou een mooier begin van de dag dan acht overwinningen?

 

 

Zij:”Hé, ik ben niet gelukkig.” Sigmund: “Klopt. Anders nog iets?”

Waar begint en stopt de openheid? In hoeverre zou je open moeten zijn voor “iedereen” of voor een kleinere groep, vrienden/familie? Ik vraag me dit af omdat er veel thema’s zijn die me raken, en waarbij ik de worsteling voel het al dan niet te “delen”. Waarom wel? Waarom niet? Waarom alles open gooien? Waarom niet? is dat schaamte? Of gewoon een ‘privacy-ding’? Waarom wel? Op zoek naar steun, of aandacht, om anderen steun te bieden, of…wat?

Nee, ik schreeuw de meeste dingen niet van de daken. Maar het “voor me houden” is ook geen optie meer. Het vinden van een tussenweg blijkt behoorlijk lastig; de worsteling tussen ‘open en eerlijk’ en ‘privé, het gaat je geen fuck aan’ is er één van uitersten. De ene dag slaat de balans over naar de ene kant, de andere dag naar de andere. Het is geen wetenschap. Was het maar zo. Met een formule uitrekenen of ik iets ‘in the open’ moet gooien of het beter voor mezelf en enkele vrienden kan houden. Dezelfde overweging kan bovendien elke dag weer een andere uitkomst hebben; geen dag hetzelfde. Het onderwerp werkt niet echt mee; beladen, naar, kwetsbaar. Depressie, suïcidalieit, PTSS, behandeling, paniek.

Niet de makkelijkste gespreksonderwerpen voor bij de koffie. maar tóch, probeer ik het stapje voor stapje ‘in the open’ te gooien. Niet om ‘aandacht’. Wel om steun, voor als het nodig is, begrip, voor als ik iets niet kan. Maar ook omdat het onontkoombaar iets is wat nu de hoofdrol speelt in mijn leven. En dat dat negeren of ontkennen misschien nog wel moeilijker is dan de openheid opzoeken. Omdat de depressie nu al anderhalf jaar mijn leven bepaalt. Het negeren daarvan is het negeren van mezelf. Het doen alsof het er niet is is alsof ik er zelf al niet meer ben. Juist omdat het zoveel impact heeft op mijn (ons) leven. Omdat het zo ingrijpt, alles overhoop gooit, alles verwoest, daarna sterker maakt, of het weer onderuit schopt. Het ís er. Het omarmen gaat me iets te ver, maar het accepteren, binnenlaten, toelaten (en wegwerken) is een begin.

 

 

Mag ik één stuk poes?

Een tijdje terug schreef ik over marktplaats, waar we een nestje kittens op hadden gezet. Om te verkopen dus. Of eigenlijk schreef ik over de meer dan geweldige, treurniswekkende en onbegrijpelijke reacties.

En hoewel ik in de advertentie toch best duidelijk, in kapitalen met drie uitroeptekens, voor de zekerheid, had aangegeven dat de prijs €50,- per KITTEN!!! was, was dat blijkbaar niet helemaal duidelijk overgekomen. Lees, huiver, huil, droog je tranen en ga dan door met je leven.

 

Magic is Everywhere – de lange versie

Na publicatie van mijn vorig bericht ‘Magic is Everywherezag ik natuurlijk nog veel haast- en tikfouten. Tijdens het corrigeren daarvan dacht ik na over de plaat ‘Wonderful life’ en de gehele tekst en ontdekte iets wat ik eigenlijk al hardlopend heel vaak dacht. Elke zin is raak. Daarom, een bescheiden aanvulling op het vorige bericht.

Op mijn Spotify runninglijst staat, oh verrassing, muziek die me laat lopen, maar ook lachen, huilen, vloeken en schelden om alles wat gebeurd (is). (… )

Hoewel de lijst meer dan 100 nummers telt en altijd op shuffle staat, is er zelden een rondje waarbij hij niet voorbij komt: Black, met Wonderful Life.

Elke zin is raak.

No need to run, and hide….’

Sta maar eens stil bij wat er gebeurt, wat je voelt; aan de slag, pak het aan, weglopen kun je niet meer, accepteer.

‘Look at me standing
Here on my own again’.

Al rennend slaat het soms in als een bom: het gevoel alleen en verlaten te zijn, in angst en wanhoop. Want wie begrijpt dit gevoel? Ik denk (nu), meer mensen dan ik dacht.

‘They seem to hate you because you’re there’.

Misschien dat dit ook een kernzin van de tekst is.

Zie je wel, alles dat fout gaat is mijn schuld. Ik kan er beter niet meer zijn, iedereen beter af. Weggekeken, weggewenst. Dat ik de enige was die dat dacht had ik pas veel later door (en niet eens altijd).

Ik stel mezelf gerust. Misshien is het zo, ‘They seem to hate you because you’re there‘, maar wees gerust, ‘Magic is everywhere.’

‘Oh I need a friend
To make me happy
Not so alone’

Laat mij niet alleen. .

Wat me elke keer, bij elk hardlooprondje, weer voluit raakt is de magie.

Black zingt: ‘Magic is everywhere.’ En tijdens elk hardlooprondje zoek ik het weer, de magic; meestal lukt het en zie ik de magic in de zonnestralen door de bomen, het elfenbankje tegen de boomstam, de baby’s in wandelwagens of eenvoudig het feit dat ik hier liep, ondanks alles, nog steeds.

Gisteren liep ik door het park en zocht hem. De magic. Maar ik zag niks; slechts de grijze winter, eenzame eenden, dode bladeren, vertrapt gras zonder enig uitzicht op licht. Natuurlijk, stommerd die ik was, Er was ook helemaal geen magic in een suf park in De Maten in Apeldoorn. Al die tijd had ik dingen gezien die er niet waren; dingen die ik wílde zien om een houvast te hebben. Want als de magic er is, is alles nog mogelijk. Een klein moment zakte de bodem onder me weg en zag ik mezelf zoals ik was; klein, nietig, worstelend met niks dat de moeite waard was. Het zijn díe gedachten die sluipend mijn gedachten overnemen en me richting duister trekken; het duister waarvan ik gisteren schreef dat die te ontwijken was door hard te lopen. Oh, ironie.

In de verte naderde een vrouw; oud, schatte ik, want haar haar ging op in de grijsheid om haar heen. Ze liep voorovergebogen, kromme rug, blik gericht op het zandpad vóór haar. ‘Schuifelend” vulde ik in. Iets dichterbij zag ik haar knaloranje jas dat me deed denken aan een outdoor/ANWB-jas. Oude mensen raken hun smaak ook nog kwijt, schoot door mijn hoofd. Ik had medelijden met de oudheid. Witte gympen ook nog.

Ik klooide wat mijn mijn oortje, Black was allang afgelopen, nog steeds zocht ik de magie.

Het moment dat ik weer opkeek zag ik de oude vrouw aanzetten. Dribbelend maakte ze tempo. Het schuifelen bleek joggen, de ANWB-jas een high-tec windjack van Nike en de gympen waren Asics uit 2016.

We passeerden elkaar en met een brede lach stak ze haar duim op. Dat had andersom gemoeten. ‘Goed hoor!’ riep ze bemoedigend. En ze rende door. In een behoorlijk tempo zag ik toen ik nog even over mijn schouder keek en ze al bijna de bocht om was.

Alles bleek toch nog mogelijk, anders dan verwacht. Nietig was ik niet meer, want gezien, gecomplimenteerd, rennend en vooral niet meer niks.

Dít is de magic dus. De hoop die haar hardlopen mij bood, mijn verbazing en bewondering, haar lieve gebaar, mijn vooroordelen onderuit geschoffeld en de verwondering.