Beperkingen

“Ik denk niet in beperkingen, ik denk in mogelijkheden.”

Voldaan kijkt ze om zich heen. Kin omhoog, kijk mij eens.

Wat was ik het lang met haar en met dit motto eens. Wat telt is wat je kunt, niet wat je niet kunt! Hoezee! Geen maakbare samenleving, maar wel het onderste uit de kan halen, geen beperkingen, joh, tuurlijk niet, want er is nog heel veel wél mogelijk! Toch? Nou dan.

Totdat ik voor de zoveelste keer keihard onderuit geschoffeld werd, met de dood nabijer dan het alternatief.

Depressie noemen ze dat; of, om precies te zijn: “zware klinische depressie”

Klinkt als: oké, laat alles op zijn beloop, geef je over en worstel… doe alles om beter te worden. Want, beter kun je worden; het is maar psychisch, jij bent sterk, je kunt dat.

Dat dacht ik, jarenlang. Worstel, strijd, overgave, maar niet helemaal, want hé, het is psychisch; geen enkel lichamelijk teken duidt op dood (aka, raap jezelf eens even bij elkaar, slappeling). Of het moeten mijn voeten op het spoor zijn, mijn vingers boven de toetsen die dingen bestellen op iets dat het Dark Web heet, mijn armen die ik op de balkonleuning van de 10e laat rusten, krassen all over. Maar hé, je kunt het.

En ik moet niet in mijn beperkingen denken, maar in mijn mogelijkheden.

De afgelopen tijd ben ik vooral dóórgegaan. Want, gezin, kinderen. Ik kan de handdoek niet in de ring gooien. Alles staat op het spel; ons bedrijf, ons inkomen. ik kan niet omvallen. Doorjakkeren was het credo. Of, zoals Kees de Jongen al zei:”Dóór, ik moet dóór!”

So it goes; dóór.

Na bijna twee jaar therapie kregen we het door, de psych en ik; de uitlokker, de boosdoener… of in elk geval ‘één van de ‘triggers’, voor mijn depressie is een overprikkelheid; te druk, te veel, herrie, prikkels, drukte…Of misschien niet eens de prikkels alswel mijn reactie daarop.

Mijn automatische reactie op drukte is een tandje bijschakelen. Net zolang tot ik omval. Maar dat ik om was gevallen merkte ik pas wanneer ik thuis was.

Het denken in mogelijkheden deed mij in dit geval meer kwaad dan goed.

Juist het denken in beperkingen opent  meer deuren dan je denkt. De beslissing, en het uitspreken ervan:

“ik werk maximaal 4 uur per dag. En 3 dagen per week. Nee, ik werk niet ’s avonds.” Dat was het begin. Sociale ‘events’ mijden kwam daarna. Noodgedwongen.

Het klinkt zo fijn, en lekker ontspannend, ‘met een vriendin bijkletsen en naar de film.’ Soit, dat is het ook, bij de gezonde ik. Maar nu niet. Alsjeblieft niet zeg. Laat me, op de bank, in joggingbroek, met Netflix of Fortnite. In de avond is alles op,  heb ik niks meer te geven. Is het op.

En dat kost vrienden.

En misschien ook wel klanten. Want, is een succesvolle ondernemer niet all the time aanwezig? En de malibox stopt niet, alles lijkt urgent. Tot je even stil staat! En er niks urgent meer is.

De afgelopen drie jaar heb ik me gericht op de mogelijkheden en heb ik de onmogelijkheden ontmoet. Beiden zijn evenveel waard. Een beperking is geen mislukking.

De uitspraak “Ik denk niet in beperkingen, ik denk in mogelijkheden” is vooral heel absurdistisch. Het dwingt alles in een hoopvol beeld. Maar natuurlijk zijn er beperkingen; waarschijnlijk zelfs meer dan mogelijkheden. Beperkingen zijn niet verkeerd, moeten niet ondergeschoffeld worden. Integendeel. Ik heb jaren voortgejakkerd, tot ik omviel en mijn beperking ook mijn uitkomst bleek,

Nu ken ik mijn beperkingen; die zijn waardevoller dan mijn mogelijkheden; want zonder beperkingen ken ik mijn mogelijkheden niet. En zonder mijn beperkingen te kennen zijn mogelijkheden onbenaderbaar.

“Ik denk in beperkingen, dat zijn mijn mogelijkheden.”

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Goedemorgen, het is een kwestie van kiezen.

‘Goedemorgen, met Esther, opnamecoördinator van de PAAZ, Gelre Ziekenhuis Apeldoorn afdeling psychiatrie. Ik bel om een afspraak te maken voor opname.

Stilte. Wat moet ik zeggen?

Ik had het kunnen weten. Mevrouw  Esther stond die ochtend al om 08.24 op mijn voicemail. Mooi dat ik niet terug belde. Wat moest ik zeggen dan?

Rond de middag ging mijn telefoon voor de tweede keer; ik hoorde “Happy”van Pharrel Williams lekker schel en vooral cynisch tekeer gaan. Ik nam onnadenkend op en hoorde dit: “Hallo, met Esther, opnamecoördinator van de PAAZ, Gelre Ziekenhuis Apeldoorn afdeling psychiatrie. Ik bel om een afspraak te maken voor opname.

Stilte.

Wat moest ik zeggen dan?

Volgens  mij hing ik op. Drukte haar weg.

De avond daarvoor, al gewaarschuwd, bekeek ik het dagschema van de PAAZ. Om 07:45 ontbijt, om 09:30 uur koffie, om 12:00 lunch, daarna nogmaals koffie en om 17:00 uur avondeten. Een uur later bezoek, als je geluk had.  Daarna nog een keer koffie/thee en om 23:00 uur moet het stil zijn, slapen. Geen drank op het menu. Geen afleiding, geen uitweg.

En dan? Wat moet ik doen tussen ontbijt, koffie, lunch, thee, avondeten en bedtijd? Die hele opname leek een noodsprong te zijn, van de therapeuten, omdat die net als ik en wij en iedereen om me heen, ook niet meer weten wat te doen. En omdat ik het ook niet meer weet en wil dat het allemaal afgelopen is. Daarom lijkt de noodsprong een oplossing. Lijkt. Even. Maar wat brengt het?

En tussen 12 en 17 dan? Of tussen 18 en 23? En de nacht? Van 23 tot 07? Wat dan?  Een enorme leegte strekt zich voor me uit. Ik voel mezelf op de rand van het bed zitten. Blote voeten zoekend op een koude vloer, in ‘mijn’ kamer, met een bed, een kast en een bureau. Verloren. Zonder mijn gezin. Zonder alles wat me lief is. Opzij gezet. Al mijn lieven te ver weg. Mijn man, dochters, de zoon, op 8 kilometer afstand. Te dichtbij maar onaanraakbaar. Teveel gemis om niet in mijn lijf, hart en hoofd te zijn; te ver weg om aan te raken. Zij hier, ik daar. Zij samen, ik alleen. En terwijl mijn hart verdampt weet ik dat ik dit niet moet doen. Niet kan doen. Het alleen zijn wordt daar benadrukt; ik ben niks meer dan alleen. Niemand  daar die ik ken. In dat ziekenhuis waar ik zo vaak met de dochter kwam voor buisjes, controles, of, als eerste, voor de bevalling van L. en daarna voor de zwangerschapscontrole van dochterlief A.. En nu, 7 jaar later, wacht een paar blokken verder een afdeling op me. Wordt een bed opgemaakt. Met deuren die niet open kunnen. En ’s nachts niet op slot mogen. De angst van het afgelopen jaar bundelt zich samen tot een enorme misselijkmakende dreiging. Met zoveel angst in het lijf kan dit niet de oplossing zijn.

Dus doen we het niet. Of, ‘Nog’ niet. Ook goed. Want als het nodig is dan moet het, maar zolang ik het kan vermijden, uitstellen, ontlopen,gaan we daarvoor.

Meer lezen over depressie?

Liever wat lichtere kost?

Meer lezen over schrijven

Hallóó allemaal in Psychiater land

‘Ik ben te laat, geloof ik?’

Een uur daarvoor sloeg ik mijn wekker tot drie keer toe uit, om vervolgens al vloekend de slaap uit mijn lijf te verdrijven en haastig een broodje (maar zonder boter, dat scheelt weer tijd) te smeren voor in de overblijftrommels van de kinders. En ondertussen had ik gedoucht, denk ik.

Nu sta ik hier, trek mijn handschoenen uit, wikkel mijn sjaal af en ontmoet een uitnodigende ‘geeft niks’ – blik.’ Een blik waarin ik enige herkenning lees voor wat wat je het beste kunt omschrijven als ochtendgepruts.

Ze maakt koffie voor me, schenkt voor haarzelf  thee in en gaat me voor naar  haar werkkamer op de 3e verdieping. Die trap. Zweet. Zou ze nooit eens willen verhuizen? een kamer op de 1e, met uitzicht op straat? Zal P. te gehecht zijn aan zijn werkkamer? Ik schud de ballast mijn hoofd uit.

‘Ah, je komt vast net van het schoolplein’.  Het is niet eens een vraag. Ik hummmm blijkbaar met een hele diepe zucht. ‘Sta jij ook altijd zo lang in de rij..?’ Lacht ze. Oja, dat is waar ook, mijn (ja, ‘mijn’) psychiater heeft ook kleine kinderen. En schoolpleinstress. Grijns. ‘Al dat gemiep en getrut over ‘mijn kind is wel een beetje moe hoor…’ Of Thijs heeft een beetje buikpijn..’. We lachen en zijn zelf natuurlijk geen haar beter…. ‘Zelf doen we het net zo hard.’ zeggen we,  bijna tegelijk. We knikken. Tegen wie weet ik niet.

Dus voor de sessie begint lachen we onszelf nog even uit, fluiten een stukje ‘Halloó allemaal’ en gaan verder naar de orde van de dag. Want daarvoor zijn we hier tenslotte.

‘Hoe gaat het met de suïcide gedachten?’

 

*Toegegeven, haar intro was wel wat subtieler.

 

Een jaar later dan vorig jaar

Een jaar geleden werd ik elke dag neergesabeld door een lawine zwarte keien en meegesleurd door boze stromingen naar het duister achter de horizon. Ik stond al drie maanden op de wachtlijst voor een diagnose (die ik inmiddels zelf al wel had gesteld) en behandeling (als ik dat zelf kon had ik het al wel eerder gedaan) en telde de dagen tot de intake, 21 februari 2017.

Een jaar geleden liepen mijn man en zijn zoon de 8 van Apeldoorn bij de Midwintermarathon. Ik ‘had geen zin’. Kon het niet eens opbrengen om te komen kijken, om te bedenken dat iets van een bosje bloemen leuk zou zijn, om de meiden in de auto te kiepen en aan de route te staan. Ik kon het niet.

Drie weken later was het officieel een ‘hele zware ernstige klinische depressie’ en werd een handvol oxazepam, sertraline, bupropion en later methylfenidaat een dagelijks slikritueel. Net als de voortdurende aansporing van de SPV’er, de psychiater en de psycholoog. Het toverwoord was ‘activering’. Uit die negatieve spiraal. Niet dat je door sporten beter wordt, maar met doods in bed liggen gaat het ook niet beter.

Zo werd mijn strijd/geworstel/gedoe, meetbaar, tastbaar en relatief goed in stukjes te delen. Elke dag iets doen, zo’n drie keer per week proberen hard te lopen (probeerde ik toch al, maar nu werd het een onderdeel van mijn #beterworden), dat activeren ging best oké. Ondanks dat verdween die depressie niet als sneeuw voor de zon.

Het hardlopen zette ik door, lente, herfst, winter. Een tergend lange periode werden mijn loopjes vergezeld met paniekaanvallen, staren naar de rails die ik bij mijn rondje tegenkwam, doodsgedachten en het letterlijk schreeuwend wegrennen daarvan.

Daarna werd het lichter. Tijdens het lopen zag ik lichtjes, ergens ver weg, zon tussen de bomen, een lichtheid in mijn lijf. Voor even. Dat even duurde steeds langer.

Ook al was mijn doel van hardlopen vooral behandelingsgericht, dat was toch niet genoeg om te blijven lopen. Er moest een groter doel komen. Dus dacht ik terug aan die ene loop. Die ik twee keer met mijn lief had gedaan en dit jaar had overgeslagen omdat ik toen immers alles oversloeg. Dat zou veranderen, besloot ik. De Midwintermarathon, de acht van Apeldoorn, zou mijn bevestiging van mijn geworstel worden. Maar ook en vooral de bevestiging dat ik er nu, een jaar later, nog steeds ben. En dat ik dat toen niet gedacht had. Dat ik dat vele maanden daarna niet gedacht had. Maar dat het me gelukt was. Ik zou die acht lopen; het werd mijn ijkpunt. Dan zou ik misschien niet beter zijn maar ik zou er wel zijn.

Een jaar later dan vorig jaar lagen de Man en ik hoestend, proestend, snotterend en klagend in bed. Geveld door spierpijn, verkoudheid, naderende griep. Maar ik zou lopen. Ik Googelde ‘grieperig en hardlopen’. Resultaat: ‘Bij koorts, spierpijn of een hogere hartslag dan normaal moet je niet hardlopen.’ Koorts had ik niet. Maar dat was dan ook het enige. Tegen beter weten in checkte ik mijn hartslag; als die oké zou zijn dan zou ik lopen, fuck de spierpijn. Maar nee, 100 in rust is te hoog. (Eigenlijk mocht ik niet van mijn lief, en dat was maar goed ook want op het tijdstip van de start lag ik uitgeteld op de bank te dromen over nieuwe hardloopschoenen, met mijn meiden slapend naast me, we zijn zo’n lekker dynamisch gezin).

Goed, de loop waarvan ik had besloten dat dat het ijkpunt van mijn beterworden zou zijn, is niet doorgegaan. Door ziekte. Hahaha. Maar dit is een griepje die over een paar dagen weer over is. En daarna zal ik alsnog een acht lopen. Niet tussen honderden anderen. maar voor mezelf. En zo is het begonnen, en daar gaat het om. Dat ik ben, en loop, en blijf. Blijf.

 

Een jaar en een boel hartjes

Het afgelopen jaar heb ik doorstaan en overleefd. En dat hoefde ik niet alleen te doen,  daarom: hartjes voor alle lieve mensen die me gesteund hebben.

Een heleboel lieve mensen om me heen gaven me een vangnet. Ik was dan wel niet altijd (meestal niet) in staat de aangeboden hulp aan te nemen, steun te vragen of gewoon koffie te komen drinken (de bank was mijn veilige haven); dat lieve mensen er voor me waren was al genoeg. De lieve kaartjes, de smiley-ballon, kleine gebaren, kopjes thee, lieve opmerkingen, steunende ‘thumps up’ lieve vragen (en vooral lieve -niet-vragen. ‘Fijn dat je er bent’  in plaats van  ‘He, hoe is het nu?’), het niet vrolijk hoeven zijn om er te mogen zijn; dat alles deed, en doet me nog steeds, goed.

En dan mijn super fantastische toffe gezin. De gedachten die de depressie me influisterden – ‘Wat doe ik jullie aan? Ik ben slecht’ – is langzaam gekanteld naar ‘Wat ben ik blij met jullie en wat wil ik graag bij jullie zijn’ ….Het is een ziekte, ik ben niet schuldig.’ Ik moet het me nog dagelijks inprenten, maar zolang me dat lukt gaan we vooruit.

Dit  jaar hebben we samen doorstaan., met ons hele gezin van vijf, dat goud waard is, meer dan goud. Het heeft me gered. Onvoorwaardelijke liefde was niet eens de vraag maar werd met ontroerende vanzelfsprekendheid gegeven. Ik kon dat lang niet altijd ontvangen, was er niet toe in staat, maar kreeg het desondanks, voortdurend, net zolang tot ik niet anders kon dan het te ontvangen. En waarderen. En er blij mee zijn.

Hoe chagrijnig ik ook was, zeurde en mopperde over niks, avonden in joggingbroek en trui met gaten op de bank series bingde, ruzie schopte omdat ik ook niet wist wat er aan de hand was, huilde om alles en vooral om niks, knetter gespannen en onbenaderbaar was, hij was er, en bleef. Na een half jaar psycholoog en vier maanden wachtlijst hadden we zelf min of meer de diagnose al wel gesteld, maar de officiële was een opluchting. De weg naar behandeling lag voor ons. Dat dat zo lang zou duren hadden we eigenlijk niet gedacht.

 

Eindeloos sleepte lief me mee; naar de hei, het bos. De deur uit, want buiten maakt beter. In stromende regen, krakende sneeuw en snijdende wind. Lopend, rennend of op de racefiets door desolaat landschap. ‘Volgende keer word ik depressief in de zomer’, grapte ik nog, niet wetend dat deze depressie door zou gaan tot de lente, zomer, herfst, winter tot het volgende jaar in. Niet weg te  krijgen. Net als mijn lief.

Elke paniekaanval was hij er voor mij, troostte, pakte me vast, steunde me. Het was zwaar en confronterend, voor hem en voor mij. Een jaar van zorgen en doemscenario’s, elkaar soms even met rust laten omdat het zo verdomd moeilijk was/is, maar vooral elkaar vasthouden, niet loslaten.

De laatste blog van dit enge, moeilijke en tegelijk vertrouwenwekkende jaar is voor de lieve menschen, voor mijn toffe gezin en vooral voor mijn lieve lief. Omdat hij er altijd voor me was, is, zal zijn. <3

 

Een jaar en een credo – UP!

Terugblikken op 2017?
Liever niet.

Vooruitblikken op 2018?
Met enige angst en vrees. En hoop.
Ben ik te negatief? Neuh. Realistisch? Denk het wel.

Ik ga me aan het credo hieronder vasthouden, er in elk geval vertrouwen in hebben. Dat`up’ de enige weg is (wat het niet helemaal waar is, want op dit moment sta ik boven het dal, dus de andere kant op is ook nog mogelijk, maar da’s niet hoopvol). En laten we dit jaar hoopvol afsluiten. En dat van morgen net zo hoopvol beginnen. En er een mooi jaar van maken.

 

Magic Is Everywhere

Op mijn Spotify runninglijst staat, oh verrassing, muziek die me laat lopen, maar ook lachen, huilen, vloeken en schelden om alles wat gebeurd (is). Niet handig als je loopt, maar het houdt me in beweging zullen we maar zeggen. De nummers lopen uiteen van cliché Born to Run, de over-the-top-guilty-pleasure Eye of The Tiger tot Humble (of eigenlijk de hele plaat) van Kendrick Lamar, aangevuld met alles dat ertussenin valt: The Killers, Nirvana Pearl jam, De jeugd van Tegenwoordig en meer. Mijn lijfliederen Alive (Pearl Jam),  Everybody Knows That You’re Insane (QOTSA) en Black Hole Sun (Soundgarden) komen regelmatig voorbij.

Hoewel de lijst meer dan 100 nummers telt en altijd op shuffle staat, is er zelden een rondje waarbij hij niet voorbij komt: Black, met Wonderful Life.

Black zingt: ‘Magic is everywhere.’ En tijdens elk hardlooprondje zoek ik het weer, de magic; meestal lukt het en zie ik de magic in de zonnestralen door de bomen, het elfenbankje tegen de boomstam, de baby’s in wandelwagens of eenvoudig het feit dat ik hier nog loop, ondanks alles, nog steeds.

Gisteren liep ik door het park en zocht hem. De magic. Maar ik zag niks; slechts de grijze winter, eenzame eenden, dode bladeren, vertrapt gras zonder enig uitzicht op licht. Natuurlijk, stommerd die ik was, Er was ook helemaal geen magic in een suf park in De Maten in Apeldoorn. Al die tijd had ik dingen gezien die er niet waren; dingen die ik wílde zien om een houvast te hebben. Want als de magie er zou zijn was alles nog mogelijk. De bodem zakte onder me weg en nam me mee de diepte in. En plots zag ik mezelf zoals ik was; klein, nietig, onbeduidend, worstelend met niks dat de moeite waard was. Het zijn díe gedachten die sluipend mijn gedachten overnemen en me richting duister trekken: het duister waarvan ik gisteren schreef dat ik die kon ontwijken door hard te lopen. Oh, ironie.

In de verte naderde een vrouw, oud, schatte ik, want haar haar ging op in de grijsheid om haar heen. Ze liep voorovergebogen, kromme rug, blik gericht op het zandpad vóór haar. ‘Schuifelend” vulde ik in. Iets dichterbij zag ik haar knaloranje jas dat me deed denken aan een outdoor/ANWB-jas. Oude mensen raken hun smaak ook nog kwijt, schoot door mijn hoofd. Ik had medelijden met de oudheid. Witte gympen. Ook dat nog.

Ik klooide wat mijn mijn oortje, Black was allang afgelopen maar nog steeds zocht ik de magie.

Het moment dat ik weer opkeek zag ik de oude vrouw aanzetten. Dribbelend maakte ze tempo. Het schuifelen bleek joggen, de ANWB-jas een high-tech windjack van Nike en de gympen waren topmodel Asics uit 2016.

We passeerden elkaar en met een brede lach stak ze haar duim op. Dat had andersom gemoeten. ‘Goed hoor!’ riep ze bemoedigend. En ze rende door. In een behoorlijk tempo, zag ik toen ik over mijn schouder keek en ze al bijna de bocht om was.

Alles bleek toch nog mogelijk, anders dan verwacht. Nietig was ik niet meer, onbeduidend evenmin, want gezien, gecomplimenteerd, rennend en vooral niet meer niks. Misschien was het toch allemaal goed zo.

Dít is de magic dus. De hoop die haar hardlopen mij bood,  mijn verbazing en  bewondering, haar lieve gebaar, mijn vooroordelen onderuit geschoffeld en de verwondering.

Na publicatie van dit bericht zag ik (zoals altijd)  nog veel tikfouten. Tijdens het corrigeren daarvan dacht ik na over de plaat ‘Wonderful life’, over de tekst en ontdekte iets wat ik eigenlijk al hardlopend heel vaak dacht. Elke zin is raak. Daarom, een bescheiden aanvulling op het vorige bericht kun je hieronder lezen.

Magic is Everywhere – de lange versie

 

 

Zij:”Hé, ik ben niet gelukkig.” Sigmund: “Klopt. Anders nog iets?”

Waar begint en stopt de openheid? In hoeverre zou je open moeten zijn voor “iedereen” of voor een kleinere groep, vrienden/familie? Ik vraag me dit af omdat er veel thema’s zijn die me raken, en waarbij ik de worsteling voel het al dan niet te “delen”. Waarom wel? Waarom niet? Waarom alles open gooien? Waarom niet? is dat schaamte? Of gewoon een ‘privacy-ding’? Waarom wel? Op zoek naar steun, of aandacht, om anderen steun te bieden, of…wat?

Nee, ik schreeuw de meeste dingen niet van de daken. Maar het “voor me houden” is ook geen optie meer. Het vinden van een tussenweg blijkt behoorlijk lastig; de worsteling tussen ‘open en eerlijk’ en ‘privé, het gaat je geen fuck aan’ is er één van uitersten. De ene dag slaat de balans over naar de ene kant, de andere dag naar de andere. Het is geen wetenschap. Was het maar zo. Met een formule uitrekenen of ik iets ‘in the open’ moet gooien of het beter voor mezelf en enkele vrienden kan houden. Dezelfde overweging kan bovendien elke dag weer een andere uitkomst hebben; geen dag hetzelfde. Het onderwerp werkt niet echt mee; beladen, naar, kwetsbaar. Depressie, suïcidalieit, PTSS, behandeling, paniek.

Niet de makkelijkste gespreksonderwerpen voor bij de koffie. maar tóch, probeer ik het stapje voor stapje ‘in the open’ te gooien. Niet om ‘aandacht’. Wel om steun, voor als het nodig is, begrip, voor als ik iets niet kan. Maar ook omdat het onontkoombaar iets is wat nu de hoofdrol speelt in mijn leven. En dat dat negeren of ontkennen misschien nog wel moeilijker is dan de openheid opzoeken. Omdat de depressie nu al anderhalf jaar mijn leven bepaalt. Het negeren daarvan is het negeren van mezelf. Het doen alsof het er niet is is alsof ik er zelf al niet meer ben. Juist omdat het zoveel impact heeft op mijn (ons) leven. Omdat het zo ingrijpt, alles overhoop gooit, alles verwoest, daarna sterker maakt, of het weer onderuit schopt. Het ís er. Het omarmen gaat me iets te ver, maar het accepteren, binnenlaten, toelaten (en wegwerken) is een begin.

 

 

Magic is Everywhere – de lange versie

Na publicatie van mijn vorig bericht ‘Magic is Everywherezag ik natuurlijk nog veel haast- en tikfouten. Tijdens het corrigeren daarvan dacht ik na over de plaat ‘Wonderful life’ en de gehele tekst en ontdekte iets wat ik eigenlijk al hardlopend heel vaak dacht. Elke zin is raak. Daarom, een bescheiden aanvulling op het vorige bericht.

Op mijn Spotify runninglijst staat, oh verrassing, muziek die me laat lopen, maar ook lachen, huilen, vloeken en schelden om alles wat gebeurd (is). (… )

Hoewel de lijst meer dan 100 nummers telt en altijd op shuffle staat, is er zelden een rondje waarbij hij niet voorbij komt: Black, met Wonderful Life.

Elke zin is raak.

No need to run, and hide….’

Sta maar eens stil bij wat er gebeurt, wat je voelt; aan de slag, pak het aan, weglopen kun je niet meer, accepteer.

‘Look at me standing
Here on my own again’.

Al rennend slaat het soms in als een bom: het gevoel alleen en verlaten te zijn, in angst en wanhoop. Want wie begrijpt dit gevoel? Ik denk (nu), meer mensen dan ik dacht.

‘They seem to hate you because you’re there’.

Misschien dat dit ook een kernzin van de tekst is.

Zie je wel, alles dat fout gaat is mijn schuld. Ik kan er beter niet meer zijn, iedereen beter af. Weggekeken, weggewenst. Dat ik de enige was die dat dacht had ik pas veel later door (en niet eens altijd).

Ik stel mezelf gerust. Misshien is het zo, ‘They seem to hate you because you’re there‘, maar wees gerust, ‘Magic is everywhere.’

‘Oh I need a friend
To make me happy
Not so alone’

Laat mij niet alleen. .

Wat me elke keer, bij elk hardlooprondje, weer voluit raakt is de magie.

Black zingt: ‘Magic is everywhere.’ En tijdens elk hardlooprondje zoek ik het weer, de magic; meestal lukt het en zie ik de magic in de zonnestralen door de bomen, het elfenbankje tegen de boomstam, de baby’s in wandelwagens of eenvoudig het feit dat ik hier liep, ondanks alles, nog steeds.

Gisteren liep ik door het park en zocht hem. De magic. Maar ik zag niks; slechts de grijze winter, eenzame eenden, dode bladeren, vertrapt gras zonder enig uitzicht op licht. Natuurlijk, stommerd die ik was, Er was ook helemaal geen magic in een suf park in De Maten in Apeldoorn. Al die tijd had ik dingen gezien die er niet waren; dingen die ik wílde zien om een houvast te hebben. Want als de magic er is, is alles nog mogelijk. Een klein moment zakte de bodem onder me weg en zag ik mezelf zoals ik was; klein, nietig, worstelend met niks dat de moeite waard was. Het zijn díe gedachten die sluipend mijn gedachten overnemen en me richting duister trekken; het duister waarvan ik gisteren schreef dat die te ontwijken was door hard te lopen. Oh, ironie.

In de verte naderde een vrouw; oud, schatte ik, want haar haar ging op in de grijsheid om haar heen. Ze liep voorovergebogen, kromme rug, blik gericht op het zandpad vóór haar. ‘Schuifelend” vulde ik in. Iets dichterbij zag ik haar knaloranje jas dat me deed denken aan een outdoor/ANWB-jas. Oude mensen raken hun smaak ook nog kwijt, schoot door mijn hoofd. Ik had medelijden met de oudheid. Witte gympen ook nog.

Ik klooide wat mijn mijn oortje, Black was allang afgelopen, nog steeds zocht ik de magie.

Het moment dat ik weer opkeek zag ik de oude vrouw aanzetten. Dribbelend maakte ze tempo. Het schuifelen bleek joggen, de ANWB-jas een high-tec windjack van Nike en de gympen waren Asics uit 2016.

We passeerden elkaar en met een brede lach stak ze haar duim op. Dat had andersom gemoeten. ‘Goed hoor!’ riep ze bemoedigend. En ze rende door. In een behoorlijk tempo zag ik toen ik nog even over mijn schouder keek en ze al bijna de bocht om was.

Alles bleek toch nog mogelijk, anders dan verwacht. Nietig was ik niet meer, want gezien, gecomplimenteerd, rennend en vooral niet meer niks.

Dít is de magic dus. De hoop die haar hardlopen mij bood, mijn verbazing en bewondering, haar lieve gebaar, mijn vooroordelen onderuit geschoffeld en de verwondering.

 

 

 

Zelfs depressie is niet alleen maar huilen boven de pillendoos.*

Dit schreef ik gisteren op Facebook. Eerder had ik zoiets al gedeeld met een kleine groep, maar deze is ‘openbaar’ en daarmee best (HEEL) eng. En dat het dan alleen maar steun geeft.

Het is vandaag dus #WorldMentalHealthDay – dat als doel heeft om psychische problemen bespreekbaar te maken en het taboe te doorbreken. Enkele maanden geleden heb ik hiermee (op deze plek) ‘geoefend’ door met een kleine groep mijn verhaal te delen. Over depressie en shit. De positieve reacties sterkte me zodat ik er daarna ook wat beter in het echte leven over durfde te praten. Vervolgens schreef ik er soms over op mijn website (al bleven vele berichten hangen in het concept-, of het ik-durf-nog-niet-stadium… en heb ik geen 1.000 bezoekers per dag, dus dat scheelde ook weer), http://rinskejansen.nl/hoi-mevrouw-de-psychiater-wat-fijn-…/
Ja, deze, klik en lees. Of niet. En nu de stap naar een grotere openheid. Omdat het dan misschien een beetje van mijn schouders valt. Omdat het nodig is, en omdat past bij herstel. Of omdat ik soms ook niet weet wat moeilijker is of zwaarder weegt; zelfstigma (mijn eigen -veelal- vernietigend oordeel over mezelf,), of (het vermeende?) stigma van anderen. Misschien valt het allemaal wel mee. Hé, hó, let’s go. Hier mijn verhaal, of een deel van mijn verhaal want zelfs depressie is niet alleen maar huilen boven de pillendoos. 💪💊💊💊💊💊🍀😍😷 

https://mindblue.nl/ervaringsverhaal/een-tof-leven-en-tch-steeds-weer-een-depressie/1193

Het regende steun. het was hartverwarmend en daarnaast gleed er, inderdaad, een berg van mijn schouders. Zo, het ravijn in.

Bam.

Is alles nu opgelost? Ha, zeker niet. Maar de bewuste keuze voor openheid doet me goed. Lang heb ik me laten tegenhouden. Schuldgevoel, schaamte, zelfhaat, ‘wat vindt iedereen’; alles deed er alles aan om het in me te houden. Misschien dat de behandeling van die depressie naast ‘zelfinzicht’ ook wel een soort openheid als resultaat heeft. Want dit delen, en steun ontvangen, is helpend, echt, zoveel meer dan je je voor zou kunnen stellen. Alleen al dat mensen het weten, laten weten dat ze het weten maar dat je het er verder niet uitgebreid over hoeft te hebben. Maar dat het wel kan.

En dat ik nu berichtjes krijg van mensen die het herkennen, waarvan ik het niet wist. Iemand met wie ik leuk contact had en die altijd zo opgeruimd overkwam…En ik me betrap op de gedachte (die mensen ook bij mij hebben)……

“HUUH? JIJ?”

“Ja jij, ja ik,”

‘Thee?’

 

 

*de titel is geïnspireerd op de blije eikel methode van Sanne X