Hallóó allemaal in Psychiater land

‘Ik ben te laat, geloof ik?’

Een uur daarvoor sloeg ik mijn wekker tot drie keer toe uit, om vervolgens vloekend de slaap uit mijn lijf te verdrijven haastig een broodje (maar zonder boter, dat scheelt weer tijd) te smeren voor in de overblijftrommels van de kinders. En ondertussen had ik gedoucht, denk ik.

Nu sta ik hier, trek mijn handschoenen uit, wikkel gehaast mijn sjaal af en ontmoet een uitnodigende ‘geeft niks’ – blik.’ Een blik waarin ik enige herkenning  lees voor wat wat je het beste kunt omschrijven als ochtendgedpruts.

Ze maakt koffie voor me, schenkt voor haarzelf  thee in, en gaat me voor naar  haar werkkamer op de 3e verdieping. Die trap. Zweet. Zou ze nooit eens willen verhuizen? een kamer op de 1e, met uitzicht op straat? Zal P. te gehecht zijn aan zijn werkkamer? Ik schud de ballast mijn hoofd uit. Zoals altijd lopen de drie trappen op het eind.

Ah, je komt vast net van het schoolplein’.  Het is niet eens een vraag. Ik hummmm blijkbaar met een hele diepe zucht. ‘Sta jij ook altijd zo lang in de rij..?’ Lacht ze. Oja, dat is waar ook, mijn (ja, ‘mijn’) psychiater heeft ook kleine kinderen. En schoolpleinstress. Grijns. ‘Al dat gemiep en getrut over ‘mijn kind is wel een beetje moe hoor…’ Of Thijs heeft een beetje buikpijn..’. We lachen en zijn natuurlijk geen haar beter…. ‘Zelf doen we het net zo hard.’ zeggen we,  bijna tegelijk. We knikken. Tegen wie weet ik niet.

Dus voor de sessie begint lachen we onszelf nog even uit, fluiten een stukje ‘Halloó allemaal’ en gaan verder naar de orde van de dag.Want daarvoor zijn we hier tenslotte.

‘Hoe gaat het met de suïcide gedachten?’

 

*Toegegeven, haar intro was veel subtieler, maar dat werkt niet goed.

 

Een schrijfcafé, een naam, een plek

Vorige week ging ik voor het eerst naar het schrijfcafé. Waarom? Ik hou niet van nieuwe dingen. Ik hou niet van onbekende mensen. Ik hou niet van instant produceren, te bang iets fout te doen. Ik hou niet van het voorlezen van mijn verhalen en ik kan heel erg slecht tegen kritiek.

Als het schrijfcafé in een kantoor met systeemplafonds of een onbekende werkruimte in een onbekend deel van de stad had plaatsgevonden was het zeer waarschijnlijk nooit in me opgekomen om te gaan. Want te eng. In té veel opzichten.

Toeval of niet, het schrijfcafé was in mijn voormalig huiskamer, mijn eigen bar, mijn eigen biertap, mijn altijd gevulde koelkast, mijn.. Oké, nu sla ik door. Niks meer dan mijn voormalige werkplek. Niks van mij meer bij. Want wat was, is niet meer.

Drie deelnemers, waaronder ikzelf, één journaliste die een stuk over dit schrijfcafé ging schrijven en de schrijfdocent. De opdracht: schrijf (iets) over je naam. Oké, dit is te kort door de bocht, we kregen een introductie, een gedicht, een overpeinzing,een verhaal en veel vragen over wat een naam over je zegt. De opdracht bleef om ‘iets’ over je naam te schrijven.

Rinske. Eva. Jansen.

Het eerste wat me te binnen schoot was het verhaal dat ik zo vaak had gehoord. Dat ik als vijfjarige blijkbaar door kreeg dat mijn moeder een andere achternaam had dan ik. Bout. Een andere naam dan je moeder….onmogelijk in de leefwereld van een aan moeder geklonken kind. En dat ik in welgemeende verbazing opgemerkt schijn te hebben: ‘Ik kom toch uit een ‘Bouten’-buik, waarom heet ik dan geen Bout? Waarom Jansen?’ Zelfs met mijn vijfjarige logica klopte daar niks van.

Mijn eerste regels in het schrijfcafé :

Rinske Eva Jansen.

Mijn drie namen zijn niet wie ik ben. De eerst voelde altijd zo hard, een echte brillennaam vond ik het. En ik had al zo’n hekel aan die bril, kon niet wachten tot ik eindelijk lenzen mocht. De tweede was zo oervrouwelijk dat het mij nooit zou passen, hoe rood ik mijn lippen ook zou stiften. En de derde was te druilerig om met een serieus gezicht uit te spreken; te alledaags, duf, dor en droog. Met zo’n alledaagse achternaam zou het nooit lukken iemand te worden. Het enige dat ik eraan toe te voegen had was: ’Met één s.

Deze gedachten kwamen als eerste in me op, terwijl ik dit al heel lang niet meer denk, of vind. Dit waren de gedachten van een tienjarige, ongeveer. Of veertien, of acht. Zoiets.

Inmiddels vind ik mijn ‘brillennaam’ misschien wel net zo oké als mijn eigen (oké, wel nieuwe) bril; mooi, het maakt me compleet. Ook het Eva voelt zoals het moet zijn. Wat het criterium is van vrouwelijkheid weet ik nog steeds niet, maar als ik dat zelf bepaal ben ik net zo vrouwelijk als ik wil. En mijn achternaam, de alledaagse ‘Jansen‘, van ‘de arme tak’ met maar één S….  zelfs díe past. Plakt als vanzelf aan mijn voornaam vast. Gekregen van opa, opgegroeid in een dorpje in het Westen, ongeschoolde arbeider in de kalkfabriek, via mijn vader, opgeklommen van schilder (van hout, niet van kunst) tot chemisch technoloog, doorgegeven naar mij (nog niet gedefinieerd) en van mij naar mijn dochters. Want hoe ontzettend veel mooier, ronder, zwieriger de naam van  mijn lief ook is en hoe graag ik die naam ook zou dragen, het is niet mijn naam. Hoe mooi ook en hoezeer ik ook onlosmakelijk bij hem hoor, het maakt van mij geen ‘De Roos.’

Misschien dat onze dochters over een jaar of vijf, of tien, hun, mijn, onze achternaam vervloeken, zoals ik dat deed. Maar sorry meiden, jullie komen toch echt uit een Jansen-buik. Echt, niks meer aan te doen.

Maar wie weet, wordt de naam ooit weer hip; want retro en back to the roots, basic, onbespoten, lokaal gebrouwen en rauw is tenslotte ook trendy geweest. Dan kan Jansen ook wel. Of misschien glinstert er in een onbewaakt moment een mini glimpje van trots over de achtergronden van de naam, van jullie naam. En als dat te pathetisch is dan kun je altijd nog de naam van je vader aannemen. Of van de Man, of Vrouw, of beiden, of zelf iets bedenken. Zie maar. Vanaf hier is je naam aan jou.

Magic Is Everywhere

Op mijn Spotify runninglijst staat, oh verrassing, muziek die me laat lopen, maar ook lachen, huilen, vloeken en schelden om alles wat gebeurd (is). Niet handig als je loopt, maar het houdt me in beweging zullen we maar zeggen. De nummers lopen uiteen van cliché Born to Run, de over-the-top-guilty-pleasure Eye of The Tiger tot Humble (of eigenlijk de hele plaat) van Kendrick Lamar, aangevuld met alles dat ertussenin valt: The Killers, Nirvana Pearl jam, De jeugd van Tegenwoordig en meer. Mijn lijfliederen Alive (Pearl Jam),  Everybody Knows That You’re Insane (QOTSA) en Black Hole Sun (Soundgarden) komen regelmatig voorbij.

Hoewel de lijst meer dan 100 nummers telt en altijd op shuffle staat, is er zelden een rondje waarbij hij niet voorbij komt: Black, met Wonderful Life.

Black zingt: ‘Magic is everywhere.’ En tijdens elk hardlooprondje zoek ik het weer, de magic; meestal lukt het en zie ik de magic in de zonnestralen door de bomen, het elfenbankje tegen de boomstam, de baby’s in wandelwagens of eenvoudig het feit dat ik hier nog loop, ondanks alles, nog steeds.

Gisteren liep ik door het park en zocht hem. De magic. Maar ik zag niks; slechts de grijze winter, eenzame eenden, dode bladeren, vertrapt gras zonder enig uitzicht op licht. Natuurlijk, stommerd die ik was, Er was ook helemaal geen magic in een suf park in De Maten in Apeldoorn. Al die tijd had ik dingen gezien die er niet waren; dingen die ik wílde zien om een houvast te hebben. Want als de magie er zou zijn was alles nog mogelijk. De bodem zakte onder me weg en nam me mee de diepte in. En plots zag ik mezelf zoals ik was; klein, nietig, onbeduidend, worstelend met niks dat de moeite waard was. Het zijn díe gedachten die sluipend mijn gedachten overnemen en me richting duister trekken: het duister waarvan ik gisteren schreef dat ik die kon ontwijken door hard te lopen. Oh, ironie.

In de verte naderde een vrouw, oud, schatte ik, want haar haar ging op in de grijsheid om haar heen. Ze liep voorovergebogen, kromme rug, blik gericht op het zandpad vóór haar. ‘Schuifelend” vulde ik in. Iets dichterbij zag ik haar knaloranje jas dat me deed denken aan een outdoor/ANWB-jas. Oude mensen raken hun smaak ook nog kwijt, schoot door mijn hoofd. Ik had medelijden met de oudheid. Witte gympen. Ook dat nog.

Ik klooide wat mijn mijn oortje, Black was allang afgelopen maar nog steeds zocht ik de magie.

Het moment dat ik weer opkeek zag ik de oude vrouw aanzetten. Dribbelend maakte ze tempo. Het schuifelen bleek joggen, de ANWB-jas een high-tech windjack van Nike en de gympen waren topmodel Asics uit 2016.

We passeerden elkaar en met een brede lach stak ze haar duim op. Dat had andersom gemoeten. ‘Goed hoor!’ riep ze bemoedigend. En ze rende door. In een behoorlijk tempo, zag ik toen ik over mijn schouder keek en ze al bijna de bocht om was.

Alles bleek toch nog mogelijk, anders dan verwacht. Nietig was ik niet meer, onbeduidend evenmin, want gezien, gecomplimenteerd, rennend en vooral niet meer niks. Misschien was het toch allemaal goed zo.

Dít is de magic dus. De hoop die haar hardlopen mij bood,  mijn verbazing en  bewondering, haar lieve gebaar, mijn vooroordelen onderuit geschoffeld en de verwondering.

Na publicatie van dit bericht zag ik (zoals altijd)  nog veel tikfouten. Tijdens het corrigeren daarvan dacht ik na over de plaat ‘Wonderful life’, over de tekst en ontdekte iets wat ik eigenlijk al hardlopend heel vaak dacht. Elke zin is raak. Daarom, een bescheiden aanvulling op het vorige bericht kun je hieronder lezen.

Magic is Everywhere – de lange versie

 

 

Acht overwinningen op één dag

Eén van de vele manieren om me uit het zwarte duister te trekken, of om te voorkomen dat ik er weer inkukel, is het ‘in beweging zijn.’  Rennen. Dat betekent mijn bed uit komen, douchen (2x zelfs), kleren zoeken, aankleden, iets eten en naar buiten. Alleen dát zijn al zeven enorme bergen die onneembaar lijken.  Het kost me bijna al mijn moed om ze over te komen. Zeven overwinningen. Daarna is hardlopen amper meer een drempel, want ook zonder depressie ren ik zo veel en vaak en lang mogelijk.

Dat door hard te lopen een stofje wordt geproduceerd waar je je goed van gaat voelen zal ongetwijfeld waar zijn, maar het hardlopen als enig ‘medicijn’ zal voor mij nooit genoeg zijn. Naast alle medicatie en therapie is het hardlopen vooral een middel om niet door het grote eb in de grote demonische angstaanjagende zwartheid getrokken te worden.  Preventie dus.

Als rennen niet lukt wordt het een alternatief: wandelen hetzelfde, een blokje om, een rondje park, een stukje fietsen. Het is eigenlijk niet eens het hardlopen; het is ‘iets doen’ waardoor bergen over geklommen en overwinningen gecreëerd.

En wat is er nou een mooier begin van de dag dan acht overwinningen?

 

 

Mag ik één stuk poes?

Een tijdje terug schreef ik over marktplaats, waar we een nestje kittens op hadden gezet. Om te verkopen dus. Of eigenlijk schreef ik over de meer dan geweldige, treurniswekkende en onbegrijpelijke reacties.

En hoewel ik in de advertentie toch best duidelijk, in kapitalen met drie uitroeptekens, voor de zekerheid, had aangegeven dat de prijs €50,- per KITTEN!!! was, was dat blijkbaar niet helemaal duidelijk overgekomen. Lees, huiver, huil, droog je tranen en ga dan door met je leven.

 

Magic is Everywhere – de lange versie

Na publicatie van mijn vorig bericht ‘Magic is Everywherezag ik natuurlijk nog veel haast- en tikfouten. Tijdens het corrigeren daarvan dacht ik na over de plaat ‘Wonderful life’ en de gehele tekst en ontdekte iets wat ik eigenlijk al hardlopend heel vaak dacht. Elke zin is raak. Daarom, een bescheiden aanvulling op het vorige bericht.

Op mijn Spotify runninglijst staat, oh verrassing, muziek die me laat lopen, maar ook lachen, huilen, vloeken en schelden om alles wat gebeurd (is). (… )

Hoewel de lijst meer dan 100 nummers telt en altijd op shuffle staat, is er zelden een rondje waarbij hij niet voorbij komt: Black, met Wonderful Life.

Elke zin is raak.

No need to run, and hide….’

Sta maar eens stil bij wat er gebeurt, wat je voelt; aan de slag, pak het aan, weglopen kun je niet meer, accepteer.

‘Look at me standing
Here on my own again’.

Al rennend slaat het soms in als een bom: het gevoel alleen en verlaten te zijn, in angst en wanhoop. Want wie begrijpt dit gevoel? Ik denk (nu), meer mensen dan ik dacht.

‘They seem to hate you because you’re there’.

Misschien dat dit ook een kernzin van de tekst is.

Zie je wel, alles dat fout gaat is mijn schuld. Ik kan er beter niet meer zijn, iedereen beter af. Weggekeken, weggewenst. Dat ik de enige was die dat dacht had ik pas veel later door (en niet eens altijd).

Ik stel mezelf gerust. Misshien is het zo, ‘They seem to hate you because you’re there‘, maar wees gerust, ‘Magic is everywhere.’

‘Oh I need a friend
To make me happy
Not so alone’

Laat mij niet alleen. .

Wat me elke keer, bij elk hardlooprondje, weer voluit raakt is de magie.

Black zingt: ‘Magic is everywhere.’ En tijdens elk hardlooprondje zoek ik het weer, de magic; meestal lukt het en zie ik de magic in de zonnestralen door de bomen, het elfenbankje tegen de boomstam, de baby’s in wandelwagens of eenvoudig het feit dat ik hier liep, ondanks alles, nog steeds.

Gisteren liep ik door het park en zocht hem. De magic. Maar ik zag niks; slechts de grijze winter, eenzame eenden, dode bladeren, vertrapt gras zonder enig uitzicht op licht. Natuurlijk, stommerd die ik was, Er was ook helemaal geen magic in een suf park in De Maten in Apeldoorn. Al die tijd had ik dingen gezien die er niet waren; dingen die ik wílde zien om een houvast te hebben. Want als de magic er is, is alles nog mogelijk. Een klein moment zakte de bodem onder me weg en zag ik mezelf zoals ik was; klein, nietig, worstelend met niks dat de moeite waard was. Het zijn díe gedachten die sluipend mijn gedachten overnemen en me richting duister trekken; het duister waarvan ik gisteren schreef dat die te ontwijken was door hard te lopen. Oh, ironie.

In de verte naderde een vrouw; oud, schatte ik, want haar haar ging op in de grijsheid om haar heen. Ze liep voorovergebogen, kromme rug, blik gericht op het zandpad vóór haar. ‘Schuifelend” vulde ik in. Iets dichterbij zag ik haar knaloranje jas dat me deed denken aan een outdoor/ANWB-jas. Oude mensen raken hun smaak ook nog kwijt, schoot door mijn hoofd. Ik had medelijden met de oudheid. Witte gympen ook nog.

Ik klooide wat mijn mijn oortje, Black was allang afgelopen, nog steeds zocht ik de magie.

Het moment dat ik weer opkeek zag ik de oude vrouw aanzetten. Dribbelend maakte ze tempo. Het schuifelen bleek joggen, de ANWB-jas een high-tec windjack van Nike en de gympen waren Asics uit 2016.

We passeerden elkaar en met een brede lach stak ze haar duim op. Dat had andersom gemoeten. ‘Goed hoor!’ riep ze bemoedigend. En ze rende door. In een behoorlijk tempo zag ik toen ik nog even over mijn schouder keek en ze al bijna de bocht om was.

Alles bleek toch nog mogelijk, anders dan verwacht. Nietig was ik niet meer, want gezien, gecomplimenteerd, rennend en vooral niet meer niks.

Dít is de magic dus. De hoop die haar hardlopen mij bood, mijn verbazing en bewondering, haar lieve gebaar, mijn vooroordelen onderuit geschoffeld en de verwondering.

 

 

 

Marktplaats

Ergens in de periode dat we even druk waren met andere zaken en weinig oog hadden voor andere dingen in de wereld is het gebeurd. Wij zagen het weken later.

‘Pien wordt wel echt dik he?’ Ik keek en zag niks. Nouja, een kleine uitstulping aan de zijkant, meer niet. Een dag later constateerden we dat de poes in plaats van op de bank voortdurend op tafel lag, zo plat mogelijk op haar buik, voorpoten over de rand bungelend. Net als haar moeder, toen die op het punt van knappen stond. Ook al zo’n onoplettendheid.

Nog een dag later voelden we het duidelijk bewegen, aan beide kanten van de buik en we keken elkaar aan. Bevreesd om de chaos die kittens teweeg brengen, de asiellucht die onze huiskamer zou terroriseren, onze twee kleine kinderen die ongetwijfeld voortdurend aan die beesten zouden trekken. Maar ergens tussen die doembeelden in begonnen mijn eierstokken plaatsvervangend te rammelen en won de belofte van zachtheid van nieuw, geboorte, pluis en knuffel. Niet dat we een andere keus hadden trouwens.

Twaalf weken, een gescheurde palmplant, een compleet vernielde onderkant van de bank (De Man: ‘Geeft niks, die zie je toch niet’. Hij heeft gelijk), vernielde zitting van de bank (Ik: ‘Nu wil ik wel echt die ene van de Ikea hoor, die je zelf online samen kunt stellen. Gevolg was een bank van 12 meter, dus dat wordt hem niet.) en een boel liefde later, was het zover. Tijd om uit te vliegen. Het nest te verlaten. ofwel: marktplaats.

Een wereld waarin ik de regels en gewoontes nog niet kende ging voor me open. Natuurlijk had ik wel eens wat gekocht en verkocht via Marktplaats, maar dat was meestal met één mailtje geregeld. Dit was even van een andere orde. Mensen begonnen me spontaan te bellen en dat is voor iemand met een lichte vorm van telefoonangst echt geen pretje, dus snel mijn telefoonnummer van mijn profiel verwijderd. De toestand werd vervolgd. De eerste afspraak wilde 5x van tijdstip wisselen, en kwam alsnog niet opdagen. Twintig mailtjes (en antwoorden) later -waarin iedereen katje X wilde- weer een afspraak gemaakt met een dolenthousiaste vrouw die vanuit Rotterdam zou komen voor katje X, want ‘helemaal verliefd’. Maar uiteindelijk wilden zij toch de toch liever een poesje, en laat X nou net geen poesje zijn (of was dat Y? Of XY?).

En hoewel ik in de advertentie toch best duidelijk, in kapitalen met drie uitroeptekens, voor de zekerheid, had aangegeven dat het €50,- per KITTEN!!! was, bleven de biedingen van €10/20/30 binnenstromen. Met onderstaande vermakelijke of treurniswekkende conversatie waarbij ik me werkelijk afvraag: WAT is hier niet duidelijk aan. WAT?

stomme conversatie over kittens en wat ze moeten kosten met iemand die niet begrijpt wat een vaste prijs is

 

Hiervan moest ik even een beetje huilen. Maar ik herpakte me snel. De twee lieve tijgerkatjes, die als tijdelijke werknamen Snuitje en Columbus hadden, zijn vandaag opgehaald door mensen waarvan ik eigenlijk zeker weet dat ze het daar goed  krijgen. Heel vriendelijk, warm, en geïnteresseerd, met een richting puber maar nog niet helemaal dochter. Woonachtig in Nijmegen, de stad waar ik gestudeerd en gewoond heb en waar een deel van mijn manuscript zich afspeelt. Dat moet goed zijn. En ze waren alle drie zichtbaar weg van de twee katjes. De keuze werd gemaakt.  Een beetje ongemakkelijk zette ik ze in het reismandje. ‘Nou dagdag, heb het goed.’. Het mandje werd opgetild. ‘Die ene houdt trouwens heel erg van koffie.’ zei ik nog een beetje in de ruimte. ‘Van espresso’ probeerde ik nog. ‘En van wijn.’ Maar dat laatste hoorden ze niet meer.

 

Een onzichtbaar stukje

Kijk, ik schrijf nu een stukje. Aan de keukentafel, glaasje wijn erbij, laat mijn gedachten gaan en maak er een leuk verhaaltje van, dat is tenminste wel de bedoeling. De gordijnen zijn dicht, ik wieg mee met QOTSA en ben onzichtbaar voor iedereen. Het schrijven voelt net zo onzichtbaar. Het drukken op ‘publiceren’ maakt daar geen verschil in.

Soms, als ik het een leuk/lief/mooi/fijn/goed stukje vind, deel ik hem op Facebook, alleen voor mijn vrienden. Als ik er erg trots op ben deel ik het zelfs ‘openbaar’.

Maar hè, ik plaats dit dus op mijn website. Toegankelijk voor iedereen, meer dan openbaar kan iets niet zijn. Toch? En toch voelt het pas ‘gepubliceerd’ als ik op Facebook of Twitter heb gezegd ”Hé, jongens, ik heb een nieuw stukje geschreven. Kijk maar!’

Da’s gek.

Want eigenlijk hoop ik toch dat ook mensen buiten mijn inner circle of Facebook of Twitter af en toe een stukjes van me lezen.

Dit alles realiseerde ik me eigenlijk pas vanmiddag, toen ik een buurman uit de straat tegenkwam met wie ik op de buurtbarbecue (ik weet het, het is niet heel glamorous, maar desondanks heel gezellig, -daarom kent de spellingscontrole dit woord ook denk ik-) had gekletst. Over alles en nog meer, over mijn schrijverij en zijn werk en onzer verschillende levens in dezelfde straat. Daarna had hij mijn site bekeken en mijn stukjes gelezen, vertelde hij me dus vanmiddag, toen we elkaar tegenkwamen. Een mengeling van trots en gene bekroop me. Want, iemand die ik niet goed kende, maar wel een beetje, had iets van mij gelezen. En hij vond het leuk. Dat was de trots. De gene kwam van, ja waarom eigenlijk? Daar moest ik echt even goed over nadenken. Ik denk dat ineens tot me doordrong dat datgene wat ik als redelijk ‘onzichtbaar’ beschouwde, ineens in de etalage stond. Wat gek was, want een website begin je niet om onzichtbaar te zijn (en mijn werk is websites vindbaar maken, dus helemaal onwetend op dat gebied ben ik niet). En in de etalage staan, dat is toch ook een beetje de bedoeling met het schrijven op mijn site?

Ik denk dat ik dezelfde mixed feelings heb als het over mijn manuscript gaat, die nu bij 1 uitgeverij in een postvakje of op een stapel op een bureau stof ligt te happen en bij 2 uitgeverijen in een ‘to do’ / ‘to read’ mapje in de mailbox terecht zijn gekomen; bij een te drukke redacteur die elke dag talloze manuscripten de prullenbak in kiepert. Misschien zit de mijne daar wel bij.

Maar, stel je voor dat het gepubliceerd wordt. Waaaaaat!!!!?Da’s eng.

Dan gaan mensen het lezen. Oh No.

Dat is bijna net zo onwerkelijk als dat niet-vrienden-op-Facebook-wanneer-ik-de-link-heb-gedeeld mijn stukjes lezen. Onwerkelijk, maar wel tof.

Kortom, het was een leuke ontmoeting en een erg leuk gesprek. Dat je de mensen in je straat zelfs via zo’n omweg kunt bereiken en verhalen kunt delen.

Da’s mooi. (en als je dit leest: hoi!)

 

Bloemetjesjurk

Toen ik zo’n kleine honderd jaar geleden zwanger was -voor mijn gevoel dan, want de jongste Dochter is pas vijf jaar dus zo lang geleden kan het niet zijn- vierden vrienden van ons hun liefde. Enkele maanden daarvoor waren ze getrouwd, in Amerika, en dat moest natuurlijk nog een keer heel dik gevierd worden voor de vrienden in Nederland (en terecht! De liefde kun je niet vaak genoeg vieren.)

Het thema van het bruiloftsfeest was ‘ruitjes en bloemetjes’.

Oohhh…

Daar sta je dan met je bolle zes/zeven maanden buik. Ruitjes op een bolle buik? Neh.

Bloemetjes?

Heb je wel eens feestelijke zwangerschapskleding met bloemetjes erop gezien?

Of een bolle bloemetjesbuik? Neh.

Maar verdomd, ik had het niet kunnen bedenken. Enkele weken later liep ik vlak voor het grote feest bij de enige fijne kledingwinkel voor bolle dames tegen het ultieme bloemetjesjurkje aan. Oke, het decolleté hing wat laag voor mijn ontplofte melktieten, maar een veiligheidsspeld bood een kuise uitkomst. Die veiligheidsspeld zit er nu, zes jaar later, nog steeds in, overigens. Ook toen ik hem gisteren aantrok.

Het was een verwarmend lief feest vol spetterende liefde en blijheid, zelfs met één glas champagne (oké, stiekem twee, of drie, sorry, voor die éne keer lieve baby A…… maar daarna spa, oke, vier, ik geef toe…) werd ik er emotioneel van. In mijn bloemetjesjurk.

Daarna heb ik de jurk ver weg achterin de kast gegooid, want ten eerste hield ik niet zo van jurken en ten tweede niet van bloemen. Hoewel zelfs ík vond dat ik er ‘wel oké’ uitzag op de foto’s. Maar smaken kunnen veranderen. Dat bleek.

Anyway.

De Dochters zijn nu 6 en 5, de bolle buik is ingedamd tot een, nouja, strak wil ik niet zo 1-2-3 zeggen, maar wel iets minder bol geheel…

En ineens, ondanks mijn antipathie voor bloemetjesjurken, trok ik deze week zomaar, zonder enige waarschuwing het bloemenpositiejurkje aan. En het stond nog best oké, constateerde ik, al ronddraaiend voor de spiegel.Was er blij mee.

De Dochter L. zag me op de gang en riep uitgelaten:’Oh Anne, kijk nou eens wat mama aan heeft.’ Ik liep door en ging koffie zetten, het was nog vroeg. Geen commentaar.

Dochter A riep verheugd uit:’Oh mama, in die jurk heb je een baby in je buik, toch? Ja toch?’

Hoe weet zij dat nou weer? Zij zat toen ín die buik…….He?

Ik keek in de spiegel en bekeek mezelf vanaf de zijkant. Mwa, niet overtuigend een babybuik, maar ik snapte haar wel.

Kut.

Bedankt lieve Dochter A.

Ik liet mijn buik betasten door de Dochter terwijl ik zei:’Ja, ik heb nu deze jurk aangedaan omdat…..’?

‘Je er blij door wordt?’ antwoordde dochter L.  Die kent mijn stemmingen inmiddels ook wel.

Juist. Een jurk waar ik blij van word. Van de bloemen, van de zacht strelende stof op mijn huid, van de herinnering van de verwachting, van de herinneringen aan het vieren van een heleboel liefde en gestolen champagnemomenten, blote voeten in het gras, iemand die zegt ‘ik ga ff kotsen,  zo weer terug’. En dat dat ook zo geschiedde, terloops. En van een kampvuur, een stralende ballon in de lucht, voor de mensen die gemist worden. En van een bijzonder lief feest en mooie momenten.

En hoe lastig alles soms is, het kan ook allemaal simpel zijn. Soms. Een jurkje aantrekken, overspoeld worden door de herinnering, de koffie in de ochtend, een boek afronden, de heerlijke kinderen, de liefde die gevierd moet worden. En dat ik dan nu, een dikke 5 jaar later, in dezelfde jurk een heel ander mens ben, of lijk? Dát weet ik nog niet helemaal. Ach nee, ik ben dezelfde ik die misschien wat geleerd heeft, of niet, maar nog steeds dezelfde. In mijn bloemetjesjurk.

Zo. Zie hier. De jurk.

Jurk en liefde