‘Nietes! Ik kén dat wel van jullie!’

Een jongen van een jaar of 11, 12, kijkt in de verte. Niet naar zijn vrienden, of klasgenoten die twee meter verderop staan, niet naar mij of andere voorbijgangers in de drukke winkelstraat, waar hij wél naar kijkt weet ik niet maar zijn gezicht spreekt meer dan boekdelen. Hij is verloren dat zie ik wel.

‘Niets zeggen’ sist één van de jochies van verderop. ‘Zeg maar dat we straks komen.’

Ik kijk om, naar hem. Naar die jongen die van een afstandje met strak gebalde vuisten naar zijn vrienden kijkt. Zijn blik smeekt, zie ik, herken ik.

Hij, alleen bij de prullenbak. De vrienden meters verderop, fluisterend, lachend, waarbij ze steeds even omkijken of hij het hoort, of hij nog kijkt; een groep die bij elkaar hoort, dat zie je zo. Hij staat er meer dan de twee meter bij vandaan.

‘Jullie zeggen nu wel dat jullie zo komen, maar dat ken ik! Dan sta ik weer een half uur te wachten!’ Strakke mondhoeken, één tegen vijf. één tegen de wereld. Kom maar door. Kom nou…. Kom?

Dan laat hij laat zijn armen zakken. Zijn omhoog gekropen shirt laat een bult buik zien. De vriendjes kijken weg.

 

 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.