Magic is everywhere
Op mijn Spotify-runninglijst staat, oh verrassing, muziek die me laat lopen. Maar ook lachen, huilen, vloeken en schelden om alles wat er is en was. Niet handig als je loopt, maar het houdt me in beweging, zullen we maar zeggen.
De nummers lopen uiteen van cliché Born to Run, de over-the-top-guilty-pleasure Eye of the Tiger tot Humble (of eigenlijk de hele plaat) van Kendrick Lamar. Aangevuld met alles dat ertussenin valt: The Killers, Nirvana, Pearl Jam, De Jeugd van Tegenwoordig en meer. Mijn lijfliederen — Alive (Pearl Jam), Everybody Knows That You’re Insane (QOTSA) en Black Hole Sun (Soundgarden) — komen regelmatig voorbij.
Hoewel de lijst meer dan 100 nummers telt en altijd op shuffle staat, is er zelden een rondje waarbij hij niet voorbijkomt: Black, met Wonderful Life.
En tijdens elk hardlooprondje zoek ik het weer — de magic. Meestal lukt het en zie ik het in de zonnestralen door de bomen, het elfenbankje tegen de boomstam, de baby’s in wandelwagens. Of simpelweg het feit dat ik hier nog loop, ondanks alles, nog steeds.
Gisteren liep ik door het park en zocht hem. De magic. Maar ik zag niks; slechts de grijze winter, eenzame eenden, dode bladeren, vertrapt gras zonder enig uitzicht op licht.
Natuurlijk, stommerd die ik was. Er was ook helemaal geen magic in een suf park in De Maten in Apeldoorn. Al die tijd had ik dingen gezien die er niet waren; dingen die ik wílde zien om een houvast te hebben. Want als de magie er zou zijn, was alles nog mogelijk.
De bodem zakte onder me weg en nam me mee de diepte in. En plots zag ik mezelf zoals ik was: klein, nietig, onbeduidend, worstelend met niks dat de moeite waard was. Het zijn díe gedachten die sluipend mijn gedachten overnemen en me richting duister trekken: het duister waarvan ik gisteren schreef dat ik die kon ontwijken door hard te lopen. Oh, ironie.
In de verte naderde een vrouw. Oud, schatte ik, want haar haar ging op in de grijsheid om haar heen. Ze liep voorovergebogen, kromme rug, blik gericht op het zandpad vóór haar. ‘Schuifelend,’ vulde ik in. Iets dichterbij zag ik haar knalorange jas dat me deed denken aan een outdoor/ANWB-jas. Oude mensen raken hun smaak ook nog kwijt, schoot door mijn hoofd. Ik had medelijden met de oudheid. Witte gympen. Ook dat nog.
Ik klooide wat met mijn oortje. Black was allang afgelopen, maar nog steeds zocht ik de magie.
Het moment dat ik weer opkeek, zag ik de oude vrouw aanzetten. Dribbelend maakte ze tempo. Het schuifelen bleek joggen, de ANWB-jas een high-tech windjack van Nike, en de gympen waren topmodel Asics uit 2016.
We passeerden elkaar en met een brede lach stak ze haar duim op. Dat had andersom gemoeten.
‘Goed hoor!’ riep ze bemoedigend. En ze rende door. In een behoorlijk tempo, zag ik toen ik over mijn schouder keek en ze al bijna de bocht om was.
Alles bleek toch nog mogelijk, anders dan verwacht. Nietig was ik niet meer, onbeduidend evenmin — want gezien, gecomplimenteerd, rennend, en vooral niet meer niks. Misschien was het toch allemaal goed zo.
Dít is de magic dus. De hoop die haar hardlopen mij bood, mijn verbazing en bewondering, haar lieve gebaar, mijn vooroordelen onderuit geschoffeld — en de verwondering.
Geef een reactie