oog
Uncategorized

Door Rinske
Drie dagen blind door mijn eigen huis
Column · Uit het leven van een (tijdelijk) halfblinde

Drie dagen lang blind
door mijn eigen huis

Een ode aan de deurpost die mij vond voordat ik hém zag.

7 MIN LEESTIJD GENRE: TRAGIKOMEDIE SCHADE: AANZIENLIJK

Er is een speciaal soort vernedering voorbehouden aan mensen die op klaarlichte dag, in hun eigen huiskamer tegen hun eigen bank op lopen. Ik wéét dat, want ik heb het drie dagen lang, meerdere keren per dag gedaan, zo getuigd mijn scheenbeen. Mijn contactlens, sterkte plus acht, negen of tien, meer vergrootglas dan lens eigenlijk, was in mijn beste oog gebarsten. En zo werd ik, zonder enige vorm van inspraak, van functionerend mens gedegradeerd tot een soort mol met een BSN-nummer.

Mensen zeggen weleens luchtig “oh, ik kan ook niks zien zonder bril”, terwijl ze gewoon 90% van hun wereld nog scherp genoeg zien om een deur van een muur te onderscheiden. Ik had dat privilege niet meer. Ik was aangewezen op mijn luie oog, dat al mijn hele leven een beetje op de bank hangt terwijl het andere oog al het werk doet, en dat nu plotseling, zonder enige training of voorbereiding, fulltime aan de bak moest. Stel je een stagiair voor die nog nooit een telefoon heeft opgenomen en nu ineens de hele klantenservice moet runnen. Dat oog. Die stagiair. Volledig overvraagd, en dat was precies te merken.

Ik ben in drie dagen tijd met evenveel lichaamsdelen in aanraking gekomen met evenveel meubelstukken als in de voorgaande tien jaar samen.

Lezen: onmogelijk. Niet “moeilijk”, niet “een beetje vermoeiend voor de ogen” — onmogelijk. Letters werden vage, dansende, sarcastische vlekjes die zich weigerden te laten vangen. Ik hield een verpakking cruesli op drie centimeter afstand van mijn gezicht in de hoop dat de bereidingswijze zich zou openbaren. Dat gebeurde niet. Ik heb die ochtend cruesli gegeten volgens mijn beste educated guess, en eerlijk gezegd smaakten ze verdacht naar kattenvoer, wat achteraf gezien misschien een teken had moeten zijn.

Televisie kijken werd een auditieve aangelegenheid. Ik “keek” een hele aflevering van een misdaadserie puur op geluid, wat betekent dat ik nu een expert ben in het raden wie de dader is aan de hand van ademhalingspatronen en dreigende cellomuziek. Het bleek, wat verrassend genoeg, de buurman. Het is altijd de buurman. Dat wist ik dus al zonder ook maar iets te zien, wat me eigenlijk het gevoel gaf dat ik mijn tijd al die jaren daarvoor had verspild aan het daadwerkelijk kijken.

Maar het echte hoogtepunt — en met hoogtepunt bedoel ik dieptepunt was mijn poging om “gewoon een beetje op te ruimen”. Een onschuldig plan. Ik liep binnen twee minuten tegen de punt van de salontafel op met een precisie die een scherpschutter jaloers zou maken. Vervolgens stootte ik mijn teen tegen de deur, die zich totaal niet had verplaatst sinds de bouw van het huis, maar die ik desondanks glansrijk wist te missen met mijn oog en vervolgens vol te raken met mijn voet. Ik heb een half kopje koffie over mezelf gegoten omdat ik het kopje net iets te vroeg kantelde ten opzichte van waar ik dacht dat mijn mond zich bevond. Mijn mond zat, voor alle duidelijkheid, gewoon op de plek waar hij altijd zit. Het probleem zat niet bij mijn mond.

Wat niemand je vertelt over “even een schaafwond op je hoornvlies oplopen” is dat het niet bij die ene wond blijft. Het is een soort startschot voor een driedaagse fysieke comedy-show waarin jij, tegen wil en dank, de hoofdrolspeler bent, en het publiek — je eigen huishouden, je collega’s en werk dat je moest afzeggen, je huisarts die je voor de vierde dag op rij zag binnenkomen — allemaal precies weten dat het eigenlijk helemaal niet grappig is. Dat is ‘m juist. Het was verschrikkelijk. Het deed pijn, ik zat bovenin de pijnladder van medicatie (ging daar heel goed op)en was tegelijkertijd bang dat het niet meer goed zou komen, want ik heb 1 goed oog. Ja, 1 oog om mee te lezen en scherp te kijken. Het andere oog is prettig, geeft me iets meer blikveld, maar qua lezen of scherp zien heb ik er dus minder dan niks aan (voor de medische nerds, het gaat hier om amblyopie.
Stel je voor dat ongeveer 75% van je ogen het niet meer doen; dat je niet meer kan lezen, fietsen, tv kijken, of jezelf voortbewegen zonder duizend bulten en schrammen.
Het maakte me bang; stel dat mijn oog echt beschadigd was. En dat door een contactlens die breekt. Om goed te kunnen zien kun je dan niet meer zien. O, de ironie. Ik hou van ironie maar niet van deze, die komt me te dichtbij.
En toch — en dit is het meest schokkende plottwist van dit verhaal — leef ik nog. Mijn scheenbeen is genezen, mijn teen weet inmiddels weer aan welke kant de deurpost zit en mijn luie oog heeft, na drie dagen onbetaalde overuren, een nieuw zelfvertrouwen ontwikkeld dat grenst aan onbeschoftheid. Ik zie weer scherp, ik lees weer zonder mijn ontbijt tegen mijn wimpers te drukken, en ik heb geleerd dat je huis stiekem best van je houdt — het heeft me tenslotte drie dagen lang met liefdevolle precisie tegen elk meubelstuk aan geduwd. Er komt (denk ik nu) ook geen nieuwe lens meer in mijn oog. Geen risico, geen gebarsten stukje plastic dat mijn leven nog eens drie dagen op de pauzeknop zet. Optimisme, dames en heren, is soms gewoon stoppen met iets waarvan je weet dat het je uiteindelijk toch weer tegen de deurpost duwt.

Geschreven met één goed oog, een hoop schaafwonden op mijn trots, en de vaste overtuiging dat de butler het écht altijd doet.