Column · Persoonlijk essay
Ik ben al mijn hele
leven begonnen.
Studie Psychologie. Want ik wilde begrijpen waarom mensen doen wat ze doen. Waarom we liegen tegen onszelf. Waarom trauma’s zich verstoppen in gedrag dat we niet herkennen als pijn. Het brein als het meest complexe ding in het universum — en ik wilde er middenin zitten. Elke les voelde als een deur die openging naar een gang met nog meer deuren.
Maar stages kosten geld dat je niet hebt als je zelf de huur betaalt. Je huur betalen met een onbetaalde stage is geen optie, dus stoppen geen keuze maar noodzaak. .
Studie Journalistiek dan. Want als ik mensen niet van binnenuit kon bestuderen, wilde ik ze tenminste een stem geven. Niet de verhalen die iedereen al kent. Ik wilde de verhalen die niemand vertelt. Oorlogsgebieden. Onrecht.
Tot er een buik in de weg zat. Twee keer.
Daarna de studie Verpleegkunde. En opnieuw die sensatie: alle kennis opzuigen. Farmacologie, fysiologie, anatomie, pathologie. Dezelfde honger als altijd, alleen nu met een stethoscoop en een wondverbandkar.
Nu werk ik in de hectiek van een zorginstelling. Ik begeleid mensen op momenten dat ze zichzelf niet meer kunnen begeleiden. Ik verzorg wonden — de zichtbare, en soms, voorzichtig, de onzichtbare. Ik ben overal en nergens tegelijk. En thuis schrijf ik. Stukjes over zorg, over mensen die niet gezien of gehoord worden, over het brein. De cirkel lijkt rond.
O ja — er is ook nog de studie bedrijfswetenschappen, die ik er ergens als 1e ook nog heb gedaan. Ik weet nog niet precies waar die past. Maar ik heb zo’n vermoeden dat er ooit een moment komt waarop ook die steen op zijn plek valt. Zorg en psychologie en journalistiek en organisaties, management en organisatieverandering…Ik voel hem wel!
Er is één zin die ik regelmatig te horen krijg en waarbij ik elke keer een klein, ongemakkelijk kriebeltje voel: “Wat goed dat je dit doet!”
Het is lief bedoeld. Echt waar. Maar er zit een aanname in die wringt.
Verpleegkunde is geen roeping. Het is een vak. Een vak dat ik geweldig vind, dat me elke dag iets nieuws leert en dat ik met volle overtuiging doe — maar niet omdat ik zo ontzettend goed ben van hart. Ik doe het omdat ik het superleuk vind. Omdat een wond die heelt mij oprecht enthousiast maakt. Omdat een gesprek met iemand die zich eindelijk gehoord voelt mij energie geeft in plaats van kost.
Dat is iets anders dan opoffering. Dat is gewoon: werk dat bij je past.
En studeren? Studeren is voor mij nooit een straf geweest, zoals je inmiddels wel zult hebben gemerkt. Het is geen discipline, geen doorzettingsvermogen, geen karakter — het is simpelweg dat ik het heerlijk vind. Een nieuw boek openslaan over neuroanatomie. Uitzoeken hoe een geneesmiddel precies werkt op receptorniveau. Schrijven over iets wat me raakt. Dat voelt niet als hard werken. Dat voelt als waar ik hoor.
Soms denk ik weleens “Wat jammer dat ik zoveel ben gestopt.” Maar ik kijk terug en zie geen afgebroken lijnen. Geen mislukkingen. Geen verspilde jaren. Ik zie één lange draad. Altijd hetzelfde: mensen. Gedrag. Verhalen. Het lichaam en de geest en de breekbaarheid en de veerkracht van allebei.Ik denk ook weleens“Zal ik de studies alsnog afmaken?
Een nieuwe studie? Ook nooit uitgesloten. Integendeel — de vraag is alleen welke deur ik als volgende open. Niet of.