Schets van een Amygdala
Column

Mijn Amygdala en ik

Door Rinske
Mijn amygdala en ik

Mijn amygdala
en ik

Een werkbiografie van een zij-instromer van bijna vijftig: drie banen, vijf blackouts, twee therapeuten en één moment waarop ik eindelijk begreep dat het niet aan mij lag. Of in ieder geval: niet alleen aan mij.

Ik was begin veertig, liep stage, en mijn begeleider keek me aan alsof ik soep had gemorst op een orgineel van Rembrandt, een manuscript van Kafka of op de Dode Zee-rollen herself. Ik had geen soep gemorst. Ik had een feedbackverslag ingeleverd. Het menselijk brein — dat vernuftige orgaan dat ons onderscheidt van de kreeft — besloot op dat moment dat dit het gevaarlijkste moment was dat het ooit had meegemaakt. Gevaarlijker dan een auto-ongeluk. Gevaarlijker dan een tandartsbezoek. Een verslag. Op A4.

Ik was geboren in 1976. Ik had dus al decennia bestaan voordat ik besloot te gaan studeren, van vak te wisselen, opnieuw te beginnen. Dat is het mooie aan zij-instroom: je brengt levenservaring mee. Wijsheid. Perspectief. Wat je niet meebrengt, zo bleek, is immuniteit. Want ook op je vierenveertigste — met een hypotheek, een verleden en een behoorlijk goed ontwikkeld gevoel voor ironie — kun je door een stagebegeleider zo grondig worden neergesabeld dat je zenuwstelsel besluit: dit onthouden we. Voor altijd.

Dit is een verhaal over wat er daarna gebeurde. Het is wetenschappelijk onderbouwd, want ik heb inmiddels genoeg therapie gevolgd om mijn eigen amygdala bij naam te noemen. Ik noem haar Bertha. Bertha werkt keihard, slaapt nooit, en heeft een uitgesproken mening over evaluatiegesprekken.

·

Fase één: de formatieve periode, ofwel hoe ik leerde dat “ervaring” je niet beschermt

Wetenschappers noemen dit “de formatieve fase.” Ik dacht destijds dat ik die fase al lang voorbij was. Ik had het mis.

Er is een wijdverbreid misverstand over zij-instroom, en ik had het zelf ook: dat leeftijd beschermt. Dat je op je veertigste steviger in je schoenen staat. Dat twintig jaar volwassen zijn je immuun maakt voor de mening van een stagebegeleider met een rood potlood en een missie.

Wat ik niet wist — en wat de wetenschap inmiddels pijnlijk duidelijk heeft gemaakt — is dat je professionele identiteit in een nieuw vakgebied opnieuw in wording is. Je begint opnieuw. Je natte schilderij is opnieuw nat. En alles wat iemand op je gooit, blijft hangen. Misschien juist op je vierenveertigste, want je had jezelf beloofd dat dit zou lukken.

Steinberg schreef in 2008 over de verhoogde kwetsbaarheid van adolescenten door een ongerijpte prefrontale cortex. Ik was geen adolescent meer. Maar mijn nieuw-professionele zelf wél. Mijn zenuwstelsel maakte geen onderscheid tussen “ik ben veertig en wijs” en “ik sta hier voor het eerst en weet niet wat ik doe.” Bertha zag alleen het tweede.

“Vroeg loopbaantrauma is als een tatoeage die je niet hebt uitgekozen, op een plek die je niet kunt zien, in een taal die je pas jaren later leert lezen. In mijn geval: vijf jaar, want ik ben een snelle leerling. Dat heeft niemand me ooit ontzegd.”

— ikzelf, om drie uur ’s nachts na een evaluatiegesprek

Wat je meekrijgt in die periode is niet zomaar een vervelende herinnering. Het wordt opgeslagen als een vroeg maladaptief schema — een diepgewortelde overtuiging over jezelf die zich gedraagt als een ongenode gast die nooit meer weggaat. Mijn schema heette “Mislukking.” Het had nog nooit van zij-instroom gehoord en was niet onder de indruk van mijn eerdere werkervaring.

·

De statistieken, voor wie dacht:
“Dat is toch gewoon jij?”

1 op 5

werknemers ervaart vroeg in de loopbaan een ernstig negatieve werksituatie. Dat is niet “een paar gevoelige mensen.” Dat is een rij van vijf bij de supermarkt, en één van hen gaat naar huis en kan niet slapen.
— Eurofound, 2021

62%

van vroeg uitgevallen werknemers rapporteert vergelijkbare klachten bij de volgende werkgever. Niet omdat ze slecht zijn in hun vak. Maar omdat ze Bertha meenemen.
— Van der Klink et al., 2003

Die 62%. Die bleef hangen. Want dat was ook mij overkomen. Nieuwe baan na de studie, ander kantoor, andere leidinggevende — en toch, bij het eerste evaluatiegesprek, was ik weer die stagiaire van begin veertig. Bevroren. Leeg. Mond die weigerde woorden te produceren.

Ik had dit voorbereid. Drie pagina’s aantekeningen. Twintig jaar werkervaring in een heel ander vak. De nacht ervoor geoefend voor de spiegel, wat, terugblikkend, niet mijn beste levenskeuze was maar wel een illustratieve. Niets van dat alles deed er iets toe op het moment dat Bertha besloot dat het tijd was voor een noodtoestand.

·

Bertha en de kunst van het bevriezen

Laat me je voorstellen aan het mechanisme. Neurowetenschapper LeDoux beschreef in 2000 hoe de amygdala — dat kleine amandelvormige alarmsysteem diep in jouw brein — razendsnel een prikkel beoordeelt: gevaar of geen gevaar? Sneller dan je kunt denken. Letterlijk. Sneller dan jouw prefrontale cortex, waar jouw redeneervermogen woont, ook maar één woord heeft kunnen inbrengen.

De prefrontale cortex is in deze analogie een bejaarde rechter die te laat binnenkomt terwijl het vonnis al geveld is. Rechtvaardig? Nee. Evolutionair efficiënt? Kennelijk.

In een normale situatie is dit handig. Je ziet een beer. Bertha schreeuwt. Je rent. Iedereen blij, op de beer na. Maar wat als de beer een collega is met een evaluatieformulier? Wat als de beer een toon is — díe toon — die klinkt als die ene begeleider van een paar jaar geleden?

Dan doet Bertha precies hetzelfde. Ze onderdrukt jouw prefrontale cortex en je bevriest. Freeze. Peter Levine beschreef dit in 1997 als de derde overlevingsstrategie: na vechten en vluchten. De duurste, neurobiologisch gezien. Jouw zenuwstelsel staat tegelijkertijd op vol gas en op de rem. Je staat stil terwijl alles in je raast.

“Het lichaam onthoudt wat het brein probeert te vergeten.”

— Bessel van der Kolk, The Body Keeps the Score (2014)

Traumatische ervaringen worden niet opgeslagen als netjes geordende herinneringen. Ze worden opgeslagen als sensorische fragmenten: een toon, een bepaalde manier van zwijgen vóór je antwoord, de hoeveelheid ruimte tussen twee mensen in een kamer. En al die fragmenten zijn, in de nieuwe baan, aanwezig. Als trigger.

En dan, na de freeze, de post-freeze schaamte. Je hebt bevroren. Je hebt niet goed gereageerd. En nu, terwijl je terugrijdt naar huis, denk je: zie je wel. Ik kan het niet. Het schema lacht. Bertha lacht. Iedereen lacht, behalve jij.

·

Over het onbewust terugkeren naar
precies dezelfde situatie

Nu komt het deel dat mij deed denken: dit hadden ze toch even eerder mogen vertellen.

Judith Herman beschreef in 1992 — ik was toen zestien en had andere zorgen — het fenomeen van trauma re-enactment. De neiging om onbewust situaties te kiezen die het oorspronkelijke trauma herhalen. Freud noemde het eerder al Wiederholungszwang, een woord dat klinkt alsof het zelf traumatisch is om uit te spreken.

Jouw brein keert terug naar het bekende. Niet naar het veilige. Naar het bekende. Werkomgevingen met hoge druk, weinig psychologische veiligheid, veel beoordeling — die voelen vertrouwd. Niet fijn. Vertrouwd.

Het bijzondere aan zij-instroom is dat je geacht wordt alles al te weten. Je bent immers volwassen. Dat maakt vragen stellen twee keer zo moeilijk en afgaan drie keer zo beschamend. Bertha wist dit ook.

“De herhaling van het patroon is geen gebrek aan inzicht. Het is het zenuwstelsel dat terugkeert naar het enige terrein dat het kent.”

— Judith Herman, Trauma and Recovery (1992)

Ik las dit en zat een paar minuten stil. Daarna heb ik thee gezet, wat ik doe als ik iets niet goed weet te plaatsen maar wel wil doen alsof ik functioneer. Het was lekker. De thee.

·

Het impostor-probleem, of:
“Maar het gaat toch goed met je?”

Clance en Imes beschreven het in 1978: het impostor-fenomeen. De persistente overtuiging niet te verdienen wat je hebt bereikt, gecombineerd met de angst ontmaskerd te worden.

Voor zij-instromers heeft dit mechanisme een extra smaak. Want jouw omgeving denkt ook mee. Waarom is ze van baan gewisseld? Wat klopt er niet? Ze is immers al vijfenveertig — als ze goed was, had ze toch allang…? Je hoeft dat niet hardop te zeggen. Ik hoor het toch.

Vroege ervaringen van systematische onderwaardering zijn een significante predictor van impostor-gevoelens later. Het is niet zomaar een karaktertrekje. Het is aangeleerd. Ingegraveerd. En het verhindert precies het gedrag dat het zou kunnen corrigeren: hulp vragen, successen internaliseren, risico nemen.

Ik heb lang gedacht dat het aan mijn leeftijd lag. Dat iemand die op haar veertigste opnieuw begint, de boot heeft gemist en nu genoegen neemt met de kade. Inmiddels weet ik dat dit een aanpassingsreactie is op een omgeving die mij, in mijn meest kwetsbare professionele fase, systematisch heeft verteld dat ik het niet goed deed. De omgeving was niet objectief. Maar mijn zenuwstelsel behandelde haar wel zo.

·

Wat dan? (Het gedeelte over hoop,
voor wie dit nodig heeft)

Drie dingen helpen, zo blijkt uit het onderzoek — en uit mijn eigen, inmiddels indrukwekkend lange therapeutenlijst.

  1. EMDR — Klinkt als sciencefiction, werkt als een trein. Het helpt jouw brein om gefragmenteerde traumatische herinneringen te integreren tot iets wat je kunt benoemen in plaats van alleen maar voelen. Bertha wordt er rustiger van. Niet stil. Maar rustiger.
  2. Schematherapie — Je zoekt de schema’s op. Noemt ze bij naam. En ontmoet de versie van jezelf die ze heeft ontwikkeld. In mijn geval geen kind van zeven, maar een vrouw van begin veertig die het zo graag goed wilde doen. Die verdiende meer dan ze kreeg. Dat weet ik nu.
  3. Lichaamsgerichte therapie — Het zit niet alleen in jouw hoofd. Het zit in jouw schouders, jouw ademhaling, de manier waarop je smaller wordt vlak voor een vergadering. Somatic Experiencing, yoga, ademwerk — al die dingen die ik vroeger afdeed als iets voor mensen met kristallen en windklokken, blijken neurowetenschappelijk onderbouwd effectief. Ik bied mijn excuses aan aan alle windklokken.

En dan is er nog iets — iets wat niet aan jou ligt maar aan de plek waar je werkt. Amy Edmondson beschreef in 1999 psychologische veiligheid: de gedeelde overtuiging dat het veilig is om fouten toe te geven, vragen te stellen, niet te weten. Een omgeving die daadwerkelijk anders is dan de omgeving waar het trauma ontstond. Niet als ideaal. Als therapeutische randvoorwaarde.

“De vraag is niet of iemand sterk genoeg is om de werkplek aan te kunnen. De vraag is of de werkplek veilig genoeg is om in te leven.”

— uit het wetenschappelijk overzichtsartikel, maar het mag ook gewoon op een muur
·

Een persoonlijke conclusie,
voor Bertha

Ik ben niet genezen. Ik ben beter uitgerust. Ik herken de trigger soms nog vóórdat Bertha haar schoenen al heeft aangetrokken. Niet altijd. Maar vaker dan vroeger.

Het was geen vergissing om opnieuw te beginnen. Het was geen midlifecrisis of naïviteit of wat voor etiket mensen er ook op wilden plakken. Het was moed. En de prijs die ik betaalde — de stage-ervaringen, de blackouts, de schaamte — was niet de bevestiging dat ik het verkeerd had gedaan. Het was het bewijs dat ik in een kwetsbare positie belandde zonder dat iemand — mij, mijn begeleiders, de opleiding — begreep hoe gevaarlijk die positie is.

Zij-instromers verdienen begeleiders die begrijpen dat een volwassen mens in een nieuwe professionele rol net zo kwetsbaar kan zijn als een twintiger. Misschien kwetsbaarder. Want we hadden onszelf beloofd dat dit zou lukken.

Die stagebegeleider had waarschijnlijk zijn eigen Bertha. Dat maakt het niet goed. Maar het maakt het minder persoonlijk. En dat — dat beetje minder persoonlijk — is soms genoeg om verder te kunnen.

Ik heb het verslag trouwens nooit meer teruggelezen. Ik weet bijna zeker dat het goed was.


Wetenschappelijke basis
Dit essay is gebaseerd op peer-reviewed literatuur, waaronder werk van Van der Kolk (2014), Herman (1992), Young et al. (2003), LeDoux (2000), Levine (1997), Edmondson (1999), Clance & Imes (1978), en Steinberg (2008). Voor het volledige wetenschappelijke overzichtsartikel zie rinskejansen.nl.

Dit stuk is geen vervanging voor professionele hulp. Als je jezelf herkent: een BIG-geregistreerd psycholoog of psychotherapeut kan je begeleiden. Je hoeft dit niet alleen uit te zoeken.