De mensen die binnen komen
Er is een cursus die niemand je geeft, en dat is de cursus “hoe blijf je professioneel als de patiënt in bed 14 toevallig exact je moeder is, alleen dan met een andere naam en een andere kamer.” Die cursus bestaat niet. Ik heb ernaar gezocht. Ik heb zelfs even overwogen hem zelf te ontwikkelen, met een e-learning en een toetsje achteraf, maar toen bedacht ik dat niemand een certificaat wil voor “ik hield het bijna niet droog bij het wassen van een 78-jarige man die stug bleef zeggen dat het allemaal wel meeviel.”
Want dat gebeurt. Vaker dan ik in mijn eerste jaren had durven toegeven. Er zijn patiënten die je aanraakt zoals het hoort: professioneel, empathisch, met de juiste afstand die je op je stage hebt leren aanmeten als een goed passende jas. En dan zijn er patiënten die door die jas heen prikken alsof hij van vloeipapier is; van mascotte of rizla, maar sowieso te gemakkelijk breekbaar. Niet omdat ze zo bijzonder ziek zijn, of zo bijzonder aardig. Maar omdat ze op jou lijken. Of op iemand van wie jij houdt. Of op wie jij bang bent ooit te worden.
De man die net zo koppig was als ik
Ik had laatst een meneer op de kamer die weigerde zijn rollator te gebruiken, ook al had hij twee weken eerder een heup gebroken en drie keer bewezen dat zijn evenwicht ongeveer het niveau had van een dronken flamingo. Hij zei: “Ik red me wel.” Hij zei het op precies de toon waarop ik het zelf zeg als iemand vraagt of ik hulp nodig heb met opruimen, met plannen, met mijn leven in het algemeen.
Sommige patiënten zijn geen casus. Het zijn spiegels met een polsbandje om.
Ik heb hem uiteindelijk niet overtuigd met argumenten. Ik heb hem overtuigd door hem, heel eventjes, serieus te nemen in zijn koppigheid in plaats van hem te corrigeren. “Ik snap het,” zei ik, “ik zou het ook niet willen gebruiken. Stom ding.” En toen pakte hij het ding toch, mopperend, alsof hij mij daarmee een plezier deed in plaats van andersom.
De angst die je niet op je naamplaatje zet
Niemand vertelt je, als je aan de opleiding begint, dat je in dit vak continu geconfronteerd wordt met een soort voorproefje van je eigen toekomst, dat van je ouders, vrienden, kinderen. Dementie, eenzaamheid, lichamen die het opgeven terwijl het hoofd nog volop leven wil
Ik heb ooit gedacht dat het professioneel was om dit soort gedachten weg te drukken. Gelukkig werd ik snel de werkelijkheid ingesleurd. Nu denk ik dat professionaliteit is om de gedachten te laten komen, even, en dan weer weg te laten gaan zonder dat de patiënt ervan merkt dat jij intussen een klein privé-existentieel drama hebt doorstaan naast zijn bed. Dat is best knap eigenlijk, als je er zo naar kijkt. Wij verpleegkundigen zijn stiekem best getalenteerde acteurs. Alleen krijgen we er geen Oscar voor, hooguit een bosje bloemen bij ons pensioen.
En ook als de patiënt het wél merkt is dat ook helemaal niet erg. Onder dat wikke pak blijven we toch mensen.
Waarom dit mag
Ik denk dat we in de zorg met z’n allen een beetje verslaafd zijn geraakt aan het idee van de onaantastbare professional. Iemand die aan het bed staat als een soort neutraal instrument, dat metingen doet en zorg verleent zonder zelf ooit te trillen. Maar ik ben geen thermometer. Ik ben iemand die vroeger bijna psycholoog werd, die op haar vijftigste (fok, echt, ik ga zelf bijna intramuraal) nog steeds niet goed weet wat ze wil worden als ze groot is, die ’s avonds op de bank zit met een glas wijn en soms ook niet weet wat ze ervan moet denken.
Het punt is niet dat het pijn mag doen. Het punt is dat het pijn doet, sowieso, of je het toestaat of niet, en dat je dus net zo goed kunt stoppen met net doen alsof het niet zo is. Verdriet en herkenning zijn geen lekkages in je professionaliteit. Ze zijn het bewijs dat er nog een mens onder dat uniform zit, en die mens is, toevallig, degene die de zorg ook echt goed doet. De collega’s die ik het meest bewonder zijn niet degenen die nooit een traan laten. Het zijn degenen die dat wel doen, in de kleedkamer, de keuken, anywhere. Twee minuten lang, en daarna weer naar buiten lopen en verder gaan. Niet omdat ze het wegstoppen, maar omdat het klaar is voor nu.
En dan?
Dan ga je naar huis. Je kust je kinderen, die godzijdank nog niet in een revalidatiebed liggen en langzaam je huis uit fietsen naar hun eigen leven, wat op zichzelf ook al een soort verlies is waar niemand je op voorbereidt. Je praat er met je partner over, of niet, want soms is zwijgen ook een vorm van verwerken. En de volgende dag ga je weer naar binnen, langs dezelfde kamers, met dezelfde kans dat er weer iemand ligt die precies op de verkeerde knop drukt.
Ik denk niet dat ik dat wil veranderen, trouwens. Ik wil geen dikkere huid. Ik wil alleen dat we ophouden te doen alsof een dunne huid een fout is. Het is gewoon het gereedschap waarmee we dit werk doen. Het went niet, en dat is maar goed ook.
Geef een reactie