Van bovenaf gezien: een paar sneakers, een geopende dokterstas met verbandmateriaal en de rode zijkant van een busje.
Column

Parkeerplaats: een ode

Door Rinske
De Parkeerplaats
Nederland heeft een daklozenprobleem. Dit weten we omdat er elk jaar rapporten over worden geschreven door mensen die €90.000 verdienen en nooit buiten zijn geweest zonder regenjas. De rapporten bevatten woorden als “methodologisch kader” en “intersectionele kwetsbaarheid” — en worden gepresenteerd op congressen waar biologische broodjes worden geserveerd. De daklozen zelf zijn niet uitgenodigd, want er is geen parkeerruimte voor winkelwagentjes.

Ondertussen sta ik op een parkeerplaats achter een supermarkt met een thermoskan die lekt, een EHBO-tas gevuld met wat pleisters, een schaar en de hoop die overblijft als je alle andere opties hebt uitgeput.

Welkom bij de Parkeerplaats. De best bewaarde charme-crisis van de stad.

I

De Cast

Laat me u even voorstellen aan de vaste bezoekers, want het zou zonde zijn als u dacht dat dakloosheid één gezicht heeft.

Henk Intelligent, humopristisch, netjes en failliet

Die er altijd netjes bij loopt. Schone nagels, gestreken overhemd. Zes maanden geleden had hij een bedrijf, een woning en een vrouw. Nu heeft hij twee van die drie niet meer en verzamelt hij blikjes om aan koffie te komen. Hij praat over de beurs. Niemand luistert, maar hij praat. Soms zie je iets in zijn ogen dat verder gaat dan financieel verlies — een soort onthechting. Drie maanden kon hij bij vrienden o pde bank slapen; tot die het ook zat werden. Henk slaapt in een tentje.

Mariëtte Gevoelig, slim, onnavolgbaar en waarschijnlijk borderline

Vorige week gooide ze een bierfles naar mijn hoofd. Vandaag vraagt ze of ik haar haar wil vlechten. Ik doe het. Het haar is klittig en de fles had ik op tijd ontweken, dus vooruit. Ze vertelt over haar dochter. Dan gooit ze een blikje naar een duif. De duif overleeft het. Ze begrijpt zichzelf beter dan de meeste mensen zichzelf begrijpen. Dat maakt het niet makkelijker. Kennis is geen medicijn. De medicijnen zijn er wel, maar die zijn er soms niet — omdat ze ze kwijtraakt, of omdat de apotheek haar niet meer vertrouwt, of omdat ze een week lang heel goed heeft ingenomen en toen dacht dat het dus wel goed ging. Wat het klassieke, verwoestende misverstand is van iedereen die ooit psychofarmaca heeft gebruikt.

Kevin 2 meter groot, klein hartje, Haags accent en met baan & dakloos

Kevin werkt. Echt veel werkt. Nachtdiensten in een distributiecentrum, maar zijn uitkering was net te laat stopgezet of net te vroeg begonnen, of andersom. De gemeente kan dit zelf ook niet meer uitleggen. Hij slaapt oner een kartonnen instellatie achter het industrieterrein. Hij heeft een wekker. Kevin drinkt te veel, wat hij zelf ook weet, maar buiten slapen zonder iets wat de rand van de wereld een beetje afrondt is moeilijker dan het klinkt. De alcohol is geen ondeugd. De alcohol is een slaaptablet, een pijnstiller, een deken. Een slechte, ja. Maar de betere alternatieven zijn op dit moment niet beschikbaar.

Sofía Kinderlijk, twinkelend, grappigm recht door zee en sekswerker & PTSS

Die mij op de eerste dag duidelijk maakte wat haar werk was, wat haar uurtarief was, en dat ze geen gratis medisch advies accepteerde van mensen die eruitzagen “alsof ze drie nachtdiensten achter elkaar hadden gedraaid.” Ze heeft gelijk. Dat zeg ik haar. Hierna zijn we besties. Sofía heeft PTSS. Haar werk is niet alleen lichamelijk gevaarlijk maar ook psychisch — elke dag opnieuw — en dat doet ze terwijl ze ook nog eens dakloos is en probeert te overleven in een stad die haar niet wil. Ze slaapt slecht. Ze schrikt wakker. Ze is waakzamer dan een mens zou moeten zijn.

Mohammed Ondoorgrondelijk, sarcatisch, verhalend, vertellend en met en chronische psychose

Die soms met engelen praat en soms met mij, en eerlijk gezegd zijn de gesprekken met de engelen coherenter. Hij is niet gevaarlijk. Hij is alleen heel ver weg, in een werkelijkheid waar wij geen toegang toe hebben en de GGZ de deur al drie keer niet heeft opengedaan. Zijn psychose is niet af en toe maaris er echt altijd. Het soort waarbij de grens tussen wat er is en wat er niet is allang is opgelost, zoals suiker in water: je ziet het niet meer, maar het verandert alles. Hij heeft ooit een behandeling gehad. Hij heeft ooit medicijnen gehad. Hij heeft ooit een woning gehad. Zonder dak geen stabiliteit, zonder stabiliteit geen medicijnen, zonder medicijnen geen dak. Waar het begon, of waar het begin van het einde begon weet niemand. De cirkel is rond en niemand wil er als eerste in stappen om hem te doorbreken.

En er zijn er nog twintig anderen. Pechvogels, alcoholisten, mensen die een verkeerde afslag namen, mensen wiens leven op één moment kantelde en nooit meer terugkwam. Allemaal anders. Allemaal aanwezig. Allemaal met een mok koffie in de hand die een beetje scheef staat omdat de ondergrond op de parkeerplaats nooit helemaal gelijk is.

II

De Wereld Waarin Ze Leven

Loo pmet me mee. Niet naar de parkeerplaats, maar naar de vierentwintig uur die eraan voorafgaan.

Mariëtte — 03:17

Het is drie uur ’s nachts. Het regent. Niet het soort regen dat romantisch is als je erdoor heen fietst naar huis. Het soort regen dat horizontaal valt en geen onderscheid maakt tussen jas en huid. Mariëtte ligt onder een viaduct. Ze ligt daar al vier uur. Ze kan niet slapen omdat er twee mannen verderop zitten die misschien gevaarlijk zijn en misschien niet, en het probleem met PTSS is dat je lichaam het verschil niet meer weet. Haar hartslag zegt: gevaar. Haar hartslag zegt dit al zestien jaar. Ze is uitgeput op een manier die slaap niet oplost.

Mohammed — De hele nacht

Hij loopt. De stemmen zijn ’s nachts luider en bewegen helpt, een beetje, soms. Hij loopt langs winkels die dicht zijn en mensen die hem niet zien of hem zien en de andere kant op kijken, wat ergens erger is. Hij heeft vannacht al twee keer iemand om geld gevraagd. De eerste keer werd hij uitgescholden. De tweede keer werd er langs hem heen gekeken met de vastberadenheid van iemand die heeft besloten dat hij er niet is. Hij wordt liever uitgescholden.

Kevin — 05:00

Wakker door zijn wekker, met zijn kleren aan omdat uitkleden bij vier graden geen optie is. Drie uur geslapen. Hij poetst zijn tanden met het restje water uit zijn fles. Op het werk weet niemand dat hij dakloos is. Dit dubbelleven kost meer energie dan u denkt.

Henk — 09:30

Hij probeert een bankrekening te openen. Geen vast adres, dus dat lukt niet. Geen bankrekening, dus geen uitkering. Geen uitkering, dus geen vast adres. De bank verwees hem door naar een website. De website had een inlogcode nodig die naar zijn oude adres is gestuurd.

Dakloosheid is niet alleen een gebrek aan dak. Dakloosheid is leven in een permanente staat van waakzaamheid. Het zenuwstelsel raakt er van in de war, voor altijd — en dat is precies waarom psychiatrische problemen en dakloosheid zo vaak samen voorkomen.

En dan is er nog het geweld van binnenuit. De stemmen die zeggen dat je niets waard bent. De herinneringen die ’s nachts terugkomen zonder uitnodiging. De depressie die niet voelt als verdriet maar als niets — een soort grijze watten die geluid dempt, kleur wegneemt en elke ochtend iets zwaarder weegt.

Wachttijd: ∞
III

De GGZ: Een liefdesbrief vol verwijten

De GGZ is meer dan nodig. De mensen die er werken zijn vaak uitstekende mensen in een kapot systeem. Ik sta hier elke week met mensen die jaren geleden al geholpen hadden moeten worden, met wachtlijsten die langer zijn dan sommige levens, met mensen die zijn uitgevallen uit zorg omdat ze een afspraak hebben gemist. Want ja, geen dak, geen bed, geen agenda, geen telefoon, geen wekker.

Het systeem eist stabiliteit als voorwaarde voor hulp. De mensen die wij zien hebben hulp nodig als voorwaarde voor stabiliteit. Dit is een patstelling die wordt opgelost door: niets.

Mohammed heeft zeven keer geprobeerd een intakegesprek te krijgen. Twee keer weggestuurd omdat hij te verward was voor intake. Let that sink in. te verward voor psychiatrische hulp. Eén keer is er een behandelplan gekomen dat uitging van een vaste woon- en verblijfplaats. Hij kon detoxen als hij daarna een plek had om naar toe te gaan. Tsja, toen hield het op. Mohammed slaapt onder een brug.

IV

Het Serieuze Stuk (want soms moet dat gewoon)

Bij u thuis
Pleister. Klaar.
Op straat
Sepsis. Amputatie.

Bij iemand die buiten slaapt, in dezelfde kleren, zonder stromend water, met een afweersysteem dat al maanden overuren draait — dat wondje kan een wond worden. Die infectie verspreidt zich. Voor je het weet praat een arts over “hoe heeft dit zo ver kunnen komen.”

Psychiatrische problematiek verandert pijnperceptie. Iemand in een psychose voelt niet dat zijn voet ontstoken is. Iemand in een depressie maakt het niet uit, of in elk geval niet genoeg om er wat aan te doen. Iemand die al twintig jaar op zijn tandvlees loopt, is zo gewend aan ongemak dat een ernstige infectie aanvoelt als het gewone leven.

k ben geen arts. Ik heb mijn grenzen én mijn EHBO-doos, en ik weet wanneer ik moet doorverwijzen naar iemand die meer kan dan ik. Maar ik ben er wél. En “er zijn” is soms het verschil tussen een pleister op tijd en een been dat er later niet meer bij zit. Ik kijk naar voeten. Altijd. Koude voeten, natte voeten, voeten met blaren die niemand heeft gezien omdat niemand heeft gevraagd of ze de schoenen mochten uitdoen. Ik vraag het. Soms krijg ik een schoen naar mijn hoofd. Vaker niet. Ik kijk ook naar ogen. De kleur van iemands oogwit. Hoe iemand beweegt. Of iemand meer trilt dan vorige week. Of iemand minder helder is, anders reageert, ergens anders zit in zichzelf dan de keer daarvoor. Sommige van deze dingen zijn lichamelijk. Sommige zijn psychiatrisch. Vaak zijn ze allebei, want het lichaam en de geest hebben bij deze mensen geleerd samen naar de knoppen te gaan, als een tandem die één kant op fietst. Ik vraag naar medicijnen. Wie wat had, wie wat nog heeft, wie al drie weken niet meer slaapt, wie hoest op een manier die mij ’s nachts bijblijft. Ik vraag ernaar zonder oordeel, want oordeel is de snelste manier om nooit meer eerlijk antwoord te krijgen. En als iemand me vertelt dat het niet meer gaat, dat hij er klaar mee is, dat hij vannacht heeft gedacht aan ophouden — dan stop ik met alles wat ik aan het doen was en ga ik zitten. Dan is de thermoskan niet belangrijk. Dan zijn de pleisters niet belangrijk. Dan is dit gesprek het enige wat er is. Kleine dingen. Maar kleine dingen zijn hier groot. En het mooie — als je het zo mag noemen — is dat ik dit niet alleen doe. Dat de professional naast mij weet welke instantie je op zondag nog kunt bereiken. Dat de vrijwilliger die de soep brengt ook ziet dat iemand er slechter uitziet dan vorige week en het doorgeeft. Dat de straatpastoor soms degene is die iemand zover krijgt om zijn schoen uit te doen, omdat hij al drie jaar naast diegene heeft gezeten en dat vertrouwen heeft opgebouwd met de geduld van iemand die gelooft dat tijd ergens goed voor is. Zo werkt het hier. Niet met protocollen. Met mensen.

V

Het Leger der Gewone Mensen

En dan. Dan zijn er de mensen die dit allemaal mogelijk maken — en ik wil ze hier noemen omdat zij het allemaal doen en ik af en toe aanschuif.

3
Professionals, 24 uur per dag beschikbaar voor mensen die ook 24 uur per dag in de problemen zitten, wat geen toeval is. Ze kennen de namen, de dossiers, de gewoontes, de gevaren, 24 uur per dag

Ze kennen de namen, de verhalen, de gewoontes, de gevaren. Ze weten dat Mohammed op dinsdag slechter is dan op donderdag en waarom. Ze weten wanneer Mariëtte haar medicatie niet heeft genomen — aan de manier waarop ze staat. Ze worden ’s nachts gebeld. Ze gaan. Ze slapen te weinig, klagen te weinig en werken te veel.. De gemeente vraagt elk jaar of het niet efficiënter kan. De professionals leggen elk jaar opnieuw vriendelijk uit dat dakloosheid geen kantooruren heeft.

Ze zijn ook degenen die het gesprek aangaan dat niemand wil voeren. Over suïcidale gedachten, die hier geen uitzondering zijn maar een onderwerp dat regelmatig aan tafel zit. Ze vragen ernaar. Rechtstreeks. Zonder omhaal. Omdat dat werkt.

60
Vrijwilligers — brood, soep, koffie

Mensen met gewone levens en gewone weekends die drie keer per week op een parkeerplaats staan. De gepensioneerde leraar die elke dinsdagochtend om zes uur zijn auto vollaadt met gesponsord bakkerbrood. Het stel dat samen soep maakt op vrijdagavond omdat ze “toch altijd te veel koken.” De student die altijd te laat is maar altijd iets extra’s meeneemt dat hij eigenlijk niet kan betalen.

Wat ze bieden gaat verder dan voedsel. Ze bieden normaliteit — een gesprek dat niet begint met een intake. Voor mensen die gewend zijn om door de samenleving heen te worden gekeken is dat geen kleinigheid.

Warme maaltijd — per week

Echt warm. Niet een soort warmte die je bereikt door iets lang genoeg in een emmer hete lucht te houden. Op die dagen is de parkeerplaats voller, zitten mensen langer, praat Mohammed minder met de engelen en meer met ons — alsof warmte ook de frequentie verandert waarop je ontvangt.

En dan is er nog —

“Hij vraagt mensen niet of ze geloven.
Hij vraagt of ze goed hebben geslapen.”

En dan is er de straatpastoor. Ik weet niet precies hoe ik de straatpastoor moet beschrijven aan mensen die hem niet kennen. Hij is geen priester die u kent van de kerk waar je met Pasen naartoe gaat en verder niet. Hij is het soort geestelijke dat eruitziet alsof hij zelf ook wel eens een moeilijke nacht heeft gehad, dat zijn jas al jaren meegaat en dat hij weet wanneer hij moet praten en wanneer hij moet zwijgen, wat een kunst is die de meeste mensen nooit leren. Hij heeft geen agenda. Hij heeft geen folder. Hij heeft geen intakegesprek. Hij gaat zitten naast wie er zit. Mariëtte vraagt hem nooit naar God maar altijd naar haar dochter, en hij luistert elke keer alsof het de eerste keer is. Kevin praat niet veel maar knikt als de pastoor langsloopt, en dat knikje is een heel gesprek als je weet hoe je moet kijken.Mohammed praat met hem over de engelen en de pastoor luistert serieus — want wie is hij om te zeggen waar de grenzen van het werkelijke liggen.

Voor mensen wier geest hen soms in de steek laat, wier werkelijkheid scheurt en rafelt en zich vouwt op manieren die angstaanjagend zijn, is de straatpastoor iets wat weinig anderen kunnen bieden: een onvoorwaardelijke aanwezigheid. Hij heeft geen diagnose nodig om naast iemand te zitten. Hij heeft geen behandelplan nodig om er te zijn. Hij is er gewoon. En soms is gewoon er zijn het meest therapeutische wat er bestaat. Soms speel;t hij een spelletje kaart. Hij verliest altijd. Wij vermoeden dat hij dit met opzet doet maar kunnen het niet bewijzen. Maar hij snapt dat

VI

De Gezelligheid (want die is er ook, verdorie)

Er is zeker niet alleen maar ellende. De momenten op de parkeerplaats zijn veelal superleuk, gezellig, hartverwarmend, soms verwarrend, vaak troostrijk. Humor is er ook om de rafelrandjes wat zachter te maken.

Sofía doet imitaties van haar klanten. Ze heeft echt talent. Ik weet nu hoe meneer B zijn gezicht staat als hij, enfin. Sommige dingen hoef ik niet te weten.

Henk legt de stand van de AEX uit aan Mohammed, die luistert met de sereniteit van iemand die al antwoorden heeft gekregen van hogere instanties dan de financiële markten. Beiden vinden het een goed gesprek.

Op een heldere dinsdag zegt Mohammed ineens iets wat zo scherp en zo raak is dat Henk even stopt met praten. Hij is er nog. Hij is er altijd nog. Alleen ver weg — en ver weg is niet hetzelfde als verdwenen.

Discussies over voetbal escaleren tot schreeuwen en de-escaleren tot broodjes delen — alles binnen vier minuten.

Ik drink slechte koffie en luister. Dat is ook zorg. Dat vergeten de rapporten altijd te vermelden.

VII

Het Geweld (soms)

Er zijn ook vechtpartijen. Ik zeg dit zonder drama, want drama zou suggereren dat het uitzonderlijk is. Het hoort bij een plek waar mensen samenkomen die allemaal onder druk staan, allemaal slecht hebben geslapen — van wie een significant deel een zenuwstelsel heeft dat permanent in alarmstand staat.

Er zijn bierflessen gegooid. Er was een mes, er zijn meerdere messen geweest en er zijn voortdurend kleine envelopjes die van eigenaar wisselen. “Ik handel niet want ik vraag er geen geld coor zegt bijdehandt Jannie. De politie rijdt elke dag wel even langs. Ergens geruststellend, ergens niet. Ligt een beetje aan je perspectief.

Het mooie is de dynamiek hierin: de grote groep bezoekers corrigeert elkaar bij agressief gedrag. Niet altijd op een manier die als maatschappelijk gepast wordt beschouwd, maar wel met het doel om de mensen veilig te houden.

Wat ik kan zijn — en wat niet

Ik kan niemand redden. Dit weet ik. Dit heb ik geleerd, en het leren heeft even geduurd en ook een beetje pijn gedaan, maar nu weet ik het, en doe ik wat ik daarnaast kan doen.

Ik kan Henk zijn bedrijf niet teruggeven. Ik kan Mariëttes dochter niet bellen namens haar. Ik kan Mohammed niet terughalen naar het hier-en-nu, ik gan geen benen terughalen met een pleister. Ik kan Kevin geen huis geven.

Maar ik kan er zijn. Vandaag. Op deze parkeerplaats.

Ik kan zien dat zijn wond groter is geworden en zeggen: “Kom, we kijken even.” Ik kan haar naam onthouden, vragen of ze goed geslapen heeft. Of ze al wat gegeten heeft. Of hij al koffie heeft gehad. Ik kan thee inschenken en zeggen: “Vertel eens,”.

Ik kan eraan denken om zijn doorweekte schoenen te drogen terwijl ik zijn wonden verzorg. Beiden zijn misschien wel even waardevol.

Ik kan er gewoon zijn — lange uren, koude uren op de parking. Net zolang tot iemand genoeg vertrouwen heeft: “Jij bent de zuster toch? Kun je even kijken naar…”

“Er is iemand die weet dat ik hier ben.”

Dat is niet weinig.
Dat is misschien wel het meeste wat er is.

De straatzuster, ergens op een parkeerplaats

met zestig vrijwilligers, drie professionals, een straatpastoor

en mensen die het verdienen dat iemand weet dat ze er zijn

De thermoskan lekt nog steeds. Het brood is soms over datum.
De gemeente weet niet precies of we hier mogen staan.
Morgen komen we terug.

Disclaimer: Geen mensen werden geschaad tijdens het schrijven van deze column. De namen zijn bedacht, de situaties echt maar niet perse op die plek gebeurd. Dingen die gebeurd zijn zijn zo absurdisctisch dat je niet geloven zou; daarom heb ik een afgezwakte versie beschreven. De kern is meer dan waar. De pijn en het leed en de humor ook.

geschreven op een parkeerplaats  ·  in de marge van het systeem  ·  met koffie die naar kringloopwinkel smaakt

2 reacties op “Parkeerplaats: een ode”

  1. Wow, mooi dat er mensen zijn zoals jij. Diep respect. Je betekent iets voor mensen die in een wereld leven waar wij haast geen weet van hebben …..
    Diep treurig dat dit voorkomt en dat de vooruitzichten ook zo slecht zijn……wat een maatschappij toch 🙈

  2. Wat lief van je, dankjewel!
    De mensen van (stichting) Dakloos Apeldoorn en alle 60 vrijwilligers en straatartsen zijn goud waard; ik ben een klein radartje in het geheel. Maar als ik ook maar een klein beetje kan betekenen en bijdragen is dat me meer dan waard.
    Dat er zoveel mensen zijn die tussen wal en schip vallen is diep treurig, en het gebrek aan maatschappelijke opvang en zorg is schrijnend.
    Deze maatschappij kan inderdaad een stuk beter!

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *