Column · Familie & Systemen & Het Einde der Tijden
Ik ben
verpleegkundige,
geen tovenaar.
Al scheelt het weinig. Over families met eisen die de wet van de zwaartekracht trotseren, patiënten die het allemaal prima vinden terwijl dat helemaal niet kan, paramedici die je nodig hebt maar niet kunt bereiken, en systemen die vastlopen op het meest onmogelijke moment. Altijd.
De familie heeft een lijstje. Meerdere lijstjes.
Er zijn twee soorten familie in de zorg. De eerste soort is stil, dankbaar, en brengt soms koekjes mee. De tweede soort belt om 06:47 uur om te vragen of vader al ontbeten heeft. Het is 06:47 uur. Het ontbijt begint om 08:00 uur. Vader slaapt nog. Iedereen slaapt nog.
“Maar hij slaapt altijd slecht,” zegt ze. Dat klopt. Hij slaapt slecht. Dat staat in het dossier. Wat daar niet in staat: dat hij vannacht als een blok heeft geslapen, en dat zijn dochter hem dat nu eigenhandig heeft ontnomen met één telefoontje en het energieniveau van iemand die zelf duidelijk wél goed heeft geslapen.
Familie heeft eisen. Dat is begrijpelijk. Familie heeft eisen om 06:47 uur. Dat is iets anders.
Later op de ochtend arriveert ze in persoon. Met een lijst. Een fysieke lijst, op papier, in plastic hoesje. Ze heeft vakjes. Ze wil een gesprek. Ze wil drie gesprekken. Ze wil dat de fysiotherapeut, de ergotherapeut, de diëtist en bij voorkeur ook “iemand van boven” aanwezig zijn. Het is dinsdag. Iedereen heeft een volle agenda. Ik heb zelf ook nog zeven andere mensen die gewoon bestaan.
Ik noteer alles. Ik knik. Ik gebruik mijn professionele gezicht, wat na tien jaar zorg staat voor: ik hoor je, ik neem je serieus, en ik ga straks in de medicatieruimte heel even heel diep ademhalen.
Meneer vindt het allemaal prima. Dat is het probleem.
Tegenover de familie van het plastic hoesje staat meneer Visser op kamer 7. Meneer Visser vindt alles prima. Zijn bloeddruk is te laag. Prima. Hij heeft al twee dagen nauwelijks gegeten. Prima. Zijn been ziet er niet goed uit — en ik gebruik dat als vakterm voor: dit been baart mij zorgen op een manier die ik niet hardop mag zeggen zonder de arts erbij. Prima, zegt hij. Maakt niet uit.
Meneer Visser is 79, heeft de rust van een Tibetaans klooster en het zelfbehoud van een kamikazepiloot. Hij weigert de fysiotherapeut. Hij weigert de diëtist. Hij wil geen extra controles. Hij wil rust. Hij heeft er vrede mee. Ik niet.
“Het gaat prima. Laat maar. Ik heb ergere dingen meegemaakt. In de oorlog. U was er niet bij. Het komt goed.”
Rood. Warm. Gezwollen. Schreeuwt in het medische equivalent van hoofdletters. Heeft geen mening over de oorlog.
Ik overleg met de arts. De arts kijkt naar het been. De arts kijkt naar meneer Visser. Meneer Visser zegt: “Prima, prima.” De arts schrijft iets op. Ik schrijf iets op. We schrijven allemaal iets op. Het been schrijft niks op. Het been wacht.
Een patiënt die nergens last van heeft terwijl hij overal last van heeft is medisch gezien het meest uitputtende type mens dat bestaat.
De fysiotherapeut inschakelen. Een zoektocht in vijf bedrijven.
We hebben fysiotherapie nodig voor mevrouw De Groot. Mevrouw De Groot moet weer lopen. Lopen is goed. Lopen is het doel. Ik ga de fysiotherapeut inschakelen. Simpel toch.
- 09:15 Ik schrijf de aanvraag in het systeem. Het systeem vraagt om een tweede bevestiging. Ik bevestig. Het systeem vraagt of ik zeker weet dat ik wil bevestigen. Ik ben zeker. Het systeem is dat minder.
- 09:34 Het systeem heeft mijn aanvraag “verwerkt.” Er is geen bevestiging gestuurd. Ik bel de fysiotherapeut. De fysiotherapeut is in behandeling. Ik spreek een voicemail in. De voicemail klinkt alsof hij al drie jaar niet is afgeluisterd.
- 10:51 De fysiotherapeut belt terug. Ze heeft mijn aanvraag niet ontvangen. Het systeem heeft de aanvraag wel verstuurd, zegt het systeem. Naar welk adres, vraag ik. Het systeem zegt: fout e-mailadres uit 2019. Uiteraard.
- 11:20 Nieuwe aanvraag. Juist adres. Bevestigd. Dubbel bevestigd. Schermafdruk gemaakt voor eigen gemoedsrust. De fysiotherapeut zegt dat ze er “deze week nog naar kijkt.” Het is vrijdag.
- 14:03 De fysiotherapeut komt langs. Mevrouw De Groot slaapt. De fysiotherapeut komt maandag terug. Mevrouw De Groot heeft vandaag niet gelopen. Het doel is niet gehaald. We beginnen volgende week opnieuw.
Die moest worden ingeschakeld via een ander systeem, dat integreerde met het eerste systeem, maar alleen op dinsdag na 13:00 uur als de wind uit het zuidwesten waait. De logopedist had een wachtlijst van drie weken. De diëtist was er wel, maar had geen parkeerplaats kunnen vinden en werkte vandaag vanuit huis. Vanuit een andere regio.
Het systeem doet het niet. Het systeem doet het nooit.
Er zijn in de Nederlandse zorg op dit moment meer digitale systemen actief dan er verpleegkundigen zijn. Ik heb dit niet nageteld maar ik weet dat het klopt. Elk systeem heeft een eigen inlogcode. Elk systeem heeft een eigen interface. Elk systeem is ontworpen door iemand die zelf nooit om 07:00 uur een dossier heeft moeten openen met handschoenen aan.
Vandaag loopt systeem drie vast op het moment dat ik de overdracht wil invullen. Systeem drie is het systeem waar alles in staat. Medicatie, rapportage, contactpersonen, zorgplannen — alles. Het laadscherm draait. Het blijft draaien. Het is nu een filosofisch object geworden: een cirkel die beweegt maar nergens naartoe gaat. Een metafoor voor de zorg zelf, eigenlijk.
De helpdesk heeft een wachttijd van 35 minuten. De patiënt heeft geen 35 minuten. Ik ook niet. De helpdesk wel, blijkbaar.
Ik bel de ICT-helpdesk. Er is een wachtrij. Ik word op de hoogte gehouden door een bandje dat me om de twee minuten vertelt dat mijn gesprek “belangrijk” is. Na veertien minuten spreek ik iemand. Hij vraagt of ik het al opnieuw heb opgestart. Ik heb het opnieuw opgestart. Hij vraagt of ik de cache heb geleegd. Ik weet niet wat een cache is maar ik zeg ja. Hij stuurt een reset-link naar mijn e-mail. Mijn e-mail zit in systeem drie. Dat doet het niet.
Ik schrijf de overdracht op papier. Met een pen. Zoals in 1987 (Toen was ik 11). Het werkt uitstekend.
Een selectie van de vragen van vandaag. Onbewerkt.
Ik houd bij. Niet officieel. Maar ik houd bij. Hieronder: een getrouwe reconstructie van verzoeken, vragen en eisen ontvangen tijdens één enkele dienst. Ik heb niets toegevoegd. Ik had niets hoeven toevoegen.
- Om 02:14 uur: of het raam iets verder open kan. Het raam staat al maximaal open. “Ja maar nét iets verder.” Het raam heeft een begrenzing. De wet van de fysica geldt ook ’s nachts.
- Om 07:03 uur: een familielid belt om te vragen of ik kan bevestigen dat haar moeder vannacht heeft geslapen. Haar moeder slaapt op dit moment nog. Ik bevestig. Ze vraagt hoe lang al. Ik zeg dat ik dat niet weet. Ze vraagt of ik dat kan uitzoeken. Ik zeg nee.
- Om 10:30 uur: of de kat op bezoek mag komen. Meneer mist zijn kat. Dit is begrijpelijk en menselijk en het antwoord is nog steeds nee, want er zijn mensen met allergieën, een hygiëneprotocol en collega’s die net iets té enthousiast worden van katten om nog professioneel te kunnen functioneren.
- Om 12:15 uur: of het middageten “iets Italiaans” kan zijn. Het is stampot boerenkool. Het blijft stampot boerenkool. Ik bied aan het peper en zout te brengen. Ze kijken me aan alsof ik de boerenkool persoonlijk heb uitgekozen om hen te kwetsen.
- Om 15:40 uur: of ik even “snel” de nagels van mevrouw kan lakken vóór het familiebezoek om 16:00. Het is 15:40. Mevrouw heeft tien nagels. Ik heb twee handen, zeven andere patiënten en één ziel die langzaam uit mijn lichaam trekt.
- Om 19:55 uur, terwijl ik mijn dienst afrond: of ik nog even de dokter kan bellen want meneer “voelt zich een beetje raar.” Meneer voelt zich al drie weken een beetje raar. Dit staat in het dossier. Ik doe het toch. Natuurlijk doe ik het toch.
Dat is het probleem niet. Dat is ook nooit het probleem geweest.
En toch.
Aan het einde van de dag zit ik in de auto. De verwarming staat aan. Buiten is het donker. Ik heb vandaag het systeem drie keer opnieuw opgestart, één fysiotherapeut drie keer gebeld, acht familieleden te woord gestaan, één been in de gaten gehouden dat niet wilde worden bekeken, en nagels gelakt in tijdsdruk die een olympisch discipline zou moeten zijn.
En ergens daartussen — tussen de aanvraagformulieren en de crashende schermen en de croissanteisen en meneer Visser die het allemaal prima vindt — heeft mevrouw De Groot me bij mijn hand gepakt en gezegd: “Wat fijn dat jij er altijd bent.”
Ze weet niet hoeveel keer het systeem vastliep. Ze weet niet dat ik de fysiotherapeut vijf keer heb proberen te bereiken. Ze weet niet van het plastic hoesje of het nagellak of de kat of de stampot. Ze weet alleen dat ik er was. En dat is, als ik eerlijk ben, precies genoeg.
Ik start de auto. Ik rij naar huis. Ik eet iets wat ik niet zal onthouden. Ik slaap. Morgen logt systeem drie misschien gewoon in. De fysiotherapeut belt misschien terug. Meneer Visser laat zijn been misschien toch nakijken.
Misschien.
Het systeem
loopt vast.
Wij niet.
We zijn te koppig om op te geven, te betrokken om het los te laten, en net gek genoeg om morgen weer in te loggen en opnieuw te beginnen. Ook als het laadscherm weer draait. Ook dan.
Disclaimer: Geen patiënten, familieleden of fysiotherapeuten werden geschaad tijdens het schrijven van deze column. Het systeem is tijdens het schrijven één keer vastgelopen. De nagels van mevrouw zijn gelakt. Kleur: zalmroze. Ze zagen er prachtig uit.
Geef een reactie