Het is woensdag, 08:42 uur. Ik zoek al veertien minuten naar een bloeddrukmeter. Niet omdat ze op zijn — er hangen er acht op het bord — maar omdat zes ervan kapot zijn, één bij een andere afdeling staat die hem “even geleend” heeft in 2023, en de laatste nog warm is van de vorige gebruiker die hem ergens heeft achtergelaten. Waar? Niemand weet het. Niemand wil het weten.

Welkom in de zorgopleiding. Pak een stoel. Nee wacht, die zijn ook al weg.

De studentenhiërarchie

Je bent nuttig, maar vervangbaar. Je bent aanwezig, maar onzichtbaar. — Studentenleven in de zorg

Als student in de zorg bekleed je een unieke positie in het ecosysteem. Je staat ergens tussen de schoonmaker en de koffieautomaat. Je bent enthousiast — en dat is precies waarom niemand je serieus neemt.

Op dag één vroeg ik een collega om uitleg over het medicatieprotocol. Ze keek me aan zoals je naar een labrador kijkt die net de kerstboom omver heeft getrokken: mild geamuseerd, licht wanhopig, en al begonnen met de schade inschatten.

“Jij bent toch student?” zei ze. Ja. Dat ben ik. Heb ik ook op mijn badge staan. In grote letters. Met een andere kleur. Voor het geval iemand het vergeet.

Familie: de eindbaas van elke dienst

“Maar u bent toch student? Mag ik even een echte verpleegkundige spreken?”

Zeker, mevrouw. Die is momenteel bezig met een spoedopname, een intraveneus infuus dat eruit is getrokken, en een meneer op kamer 6 die besloten heeft dat 10:15 uur het perfecte moment is voor een existentiële crisis. Maar ik haal haar er graag tussenuit zodat u kunt vragen of papa al ontbeten heeft.

“Google zei dat dit medicijn eigenlijk niet gegeven mag worden aan mensen boven de zeventig.” Google heeft ook gezegd dat ik waarschijnlijk een zeldzame tropische aandoening had toen ik hoofdpijn had. Google mag oprotten.

“Maar kunt u niet gewoon even snel het hele behandelplan uitleggen? We hebben het druk.” U heeft het druk. Ik ren al vier uur op een half glas water en een gevoel van existentiële twijfel. Maar natuurlijk. Gaat u zitten.

Collega’s die niet komen opdagen

Het rooster zegt: drie verpleegkundigen en twee studenten. De realiteit is altijd iets creatiever. Lies belt om 06:58 uur ziek. Niet ziek op een manier waarbij je denkt: oh wat erg, beterschap. Ziek op een manier waarbij je denkt: interessant, ze was gisteren ook al moe na de barbecue van haar buurvrouw.

Mark is er wel, maar Mark heeft de afgelopen drie diensten zijn telefoon niet opgenomen en staat nu op de gang met de uitstraling van iemand die innerlijk zijn ontslag aan het schrijven is.

En dan is er altijd die ene collega die wél aanwezig is, maar zo vol goede adviezen dat je je afvraagt of ziek zijn de betere optie was. “Gewoon positief blijven, hè! Dan gaat alles vanzelf.” Fantastisch, Karen. Ik ga dat meenemen naar de vier extra patiënten die ik vandaag overneem.

De vloer: een persoonlijke vijand

Niemand bereidt je voor op de vloer. Niet op hoe glibberig die is na een schoonmaakbeurt. Niet op het feit dat de combinatie van klompen + net gedweild linoleum + een urgente situatie een perfecte storm vormt voor wat ik beschrijf als “onvrijwillig horizontaal verplaatsen.”

Ik ben drie keer bijna gevallen deze maand. Eén keer met een dienblad. Eén keer terwijl ik iets noteerde. En één keer gewoon staand stil, wat tot op heden mijn meest beschamende professionele moment is.

Er staat een bordje: LET OP, NATTE VLOER. Dat bordje staat er altijd. Het is geen waarschuwing meer. Het is interieur.

De apparatuur: rouwproces in vijf stadia

  • Ontkenning“De infuuspomp doet het vast wel als ik er harder op druk.”
  • WoedeWAAROM PIEPT DIT DING AL TWINTIG MINUTEN EN WEET NIEMAND WAAROM.
  • Onderhandelen“Misschien als ik hem uit- en aanzet. Misschien als ik vriendelijk ben.”
  • DepressieHet apparaat piept nog steeds. De handleiding is van 1997.
  • AanvaardingIk bel de technische dienst. De technische dienst neemt niet op. Dit is mijn leven nu.

Overlevingsgids

  • Reserveschoenen. Altijd. Twee paar.
  • Leer welke apparaten “piepen als ze het doen” en welke “piepen als ze kapot zijn.” Het verschil zit in de frequentie en in hoe iedereen eromheen reageert.
  • Wanneer familie begint met “maar Google zei…”: adem in, adem uit, denk aan je hypothetische toekomstige salaris. Oh nee, laat maar. Denk aan het winnen van een loterij, dat is ets meer in de lijn der verwachting dan dat je blij word van je salaris.
  • Altijd zelf je lunch meenemen. De kantine is óf te duur, óf gesloten, óf alles is op. En sowieso te duur voor een student. Of een verpleegkundige.
  • De natte vloer is er altijd. Ga er van uit dat de vloer nat is. Leef ernaar.