Het begint altijd met een nietsvermoedend moment. Je staat op, of je staat niet op, of iets in je lichaam besluit — geheel zonder overleg — dat het nu toch echt genoeg is geweest. En voor je het weet lig je in een ziekenhuisbed met een infuus in je arm, een monitortje dat piept alsof het applaudisseert, en een verpleegkundige die je vraagt of je weet welke dag het is. Dinsdag, denk je. Of misschien woensdag. Eigenlijk maakt het geen moer uit want je gaat toch nergens naartoe.
Ze prikken, scannen, draaien je om en kijken bezorgd naar schermen. Artsen komen binnen met de zelfverzekerdheid van mensen die weten waar de koffieautomaat staat en jij niet. Ze spreken over je in afkortingen. Je bent opeens geen mens maar een kamer (twee-nul-negen gaat niet lekker) – een casus — een interessant geval, of juist een saai maar functioneel geval, wat misschien nog erger is. Je wilt vragen: “Maar hoe gaat het dan met mij als persoon?” Maar je beseft dat dit een vraag is voor een therapeut, niet voor een neuroloog om halfacht ’s ochtends.
Dan, als de acute fase voorbij is en je lichaam besloten heeft dat het toch nog mee wil doen, begint fase twee: de revalidatie. Ze rijden je, of je schuifelt zelf met een rollator die je gisteren nog associeerde met je opa, naar een andere afdeling. Hier ruikt het anders. Minder ziekenhuis, meer gymnasium-met-medeleven. Er hangen foto’s van mensen die bergwandelen. En motivational speeches, waarschijnlijk bedoeld als inspiratie. Je kijkt ernaar met de blik van iemand die twee dagen geleden niet zelfstandig kon plassen.
De eerste dag in de revalidatie: een fenomenologie van vernedering
Iemand vraagt of je zelf je sokken kunt aantrekken. Dit is een serieuze vraag. Je hebt veertig jaar lang sokken aangetrokken zonder er ook maar één seconde bij na te denken, en nu is dit een prestatie waarvoor je beoordeeld wordt. Je doet het — langzamer dan gewenst, met meer gekreun dan gehoopt — en de fysiotherapeut kijkt alsof je de marathon van Rotterdam hebt gelopen. “Goed gedaan!” Ze meent het. Dat is het snijdende: ze meent het.
De mede-patiënten zijn een universum op zich. Aan je linkerkant: een man van zeventig die elke ochtend zijn kruiswoordpuzzel doet en zegt dat hij “zaterdag toch echt weer thuis is”. Dat zegt hij al drie weken. Aan je rechterkant: een vrouw die precies weet hoeveel stappen ze per dag moet zetten en dit bijhoudt met een hartstocht die grenst aan sportfanatisme. Strava toont een grimmige cirkel met steeds donker wordende lijnen. Jij zit ertussenin en vraagt je af hoe het kan dat je hier verzeild bent geraakt terwijl je gisteren — of vorige maand, de tijd loopt raar hier — nog gewoon een leven had. Je fietste naar je werk, druk met de waan van de dag. Tot die stil stond.
Is het hoopvol? Een eerlijk antwoord
Dat is de vraag die iedereen stelt maar niemand echt beantwoordt. Is revalidatie hoopvol? Het antwoord is: ja, nee, we weten het niet zeker — wat academici noemen “het hangt van meerdere factoren af” en wat gewone mensen noemen “het is ingewikkeld”.
Hoop in revalidatie is niet het brede, goedkope optimisme van een motivatieposter. Het is smaller, concreter, kwetsbaarder. Het is: vandaag liep ik drie meter verder dan gisteren. Het is: die fysiotherapeut kijkt me aan alsof ze gelooft dat ik dit kan. Het is: mijn telefoon heeft wifi en mijn mensen, mijn vrienden, mijn familie, de wereld die belangrijk voor me is, weten waar ik ben.
En dan is er dat andere ding. Het onuitgesproken ding. De vraag die ’s nachts wakker houdt als de gangen leeg zijn.: Wordt het wel weer zoals het was? Soms is het antwoord ja. Soms is het: nee, maar wel iets anders dat ook goed is. En soms — en dit is het deel dat niemand op een informatiefolder zet — is het: je bent veranderd, en het leven erna ziet er anders uit, en dat is verlies, en verlies mag er zijn.
Wat het doet met een mens
Het maakt je kleiner, eerst. Je neemt minder ruimte in — letterlijk, in dat smalle bed, maar ook figuurlijk. Je mening telt minder, je agenda is irrelevant, je plannen zijn uitgesteld zonder nieuwe datum. Je wordt afhankelijk van mensen die je niet kende en die jou niet kennen maar je toch wassen, helpen, aanmoedigen.
En dan, ergens in die raarheid, begint iets anders. Niet voor iedereen, niet automatisch, niet op volgorde — maar het begint. Je let op kleine dingen. De manier waarop licht door een ziekenhuisgordijn valt. Het geluid van voetstappen in de gang. Of dat je morgen die sokken iets sneller kunt aantrekken. De banale dingen worden plotseling niet banaal meer. Filosofen noemen dit sophrosyne — bezonkenheid, het helder zien van wat er werkelijk toe doet. Jij noemt het waarschijnlijk gewoon: ik ben blij dat ik er nog ben.
Je zult thuiskomen. Op een dag kom je thuis — met of zonder rollator, met of zonder aanpassingen in de badkamer die je nooit gewild had. En je staat in je eigen keuken, met je eigen koffiezetapparaat, en je zet koffie. En het is zo gewoon dat het bijna ondraaglijk gewoon is. En je staat daar en je denkt: dit. Dit is het. Dit is meer dan genoeg.
Dat is hoop. Niet de grote, dramatische hoop van een filmscript. Maar de kleine, taaie, ochtendlijke hoop van iemand die weet hoe het is als het er niet meer vanzelfsprekend uitziet — en die daarom, voor altijd, anders kijkt.
Lieve mooie wijze vrouw. Deze ervaringsdeskundige op revalidatie-gedoe na CVA las voorgaande en dacht…dit gaat over mij. Herkenning dus, maar ook het plotselinge besef dat ik “gezien” ben…want als jij dit kan zien, dan zijn er meer die dit zien. En dat is goed…maar ik voel me ook wel een beetje “betrapt” 😁 Dankjewel
Wat lief van je. En wat fijn je ‘betrapt’ te mogen hebben <3
En wat vind ik het tegelijk ook spijtig dat ik het nu pas zie; dat ik het revalidatieproces eigenlijk zwaar onderschat heb (ik stapte in de valkuil van de "gelukkig kun je nog wel X en Y" reflex ).
Des te waardevoller dat ik het nu wel kan zien, en met mij mijn collega's.