Blog · Wijkverpleging & Jaar drie
Laten we
dansen.
Over een man die zijn slotakkoord koos. Over muziek als taal die geen afstand kent. En over wat je kunt geven als er verder niets meer te geven is.
Een prachtig huis. Water als parelmoer.
Een man van rond de 70. Terminale thuiszorg. Dat was het enige dat ik wist toen ik naar het adres reed.
Een prachtig huis met uitzicht over een groot meer, het water als parelmoer in het ochtendlicht. Een energieke vrouw deed open en gebaarde me binnen. In het midden van de huiskamer stond een ziekenhuisbed. Hij sliep, met de zon op zijn gezicht.
Zijn vrouw en ik praatten een tijdje. Ze vertelde over hun jonge jaren, hoe ze elkaar ontmoet hebben en hoe ze in het leven staan. Activistisch, sociaal, altijd opkomen voor iedereen — en met een grote liefde voor muziek als bindmiddel. Hij speelde piano, zij viool, hun kinderen trompet en saxofoon.
Toen hij wakker werd, vertelde hij over de afgelopen maanden. Hoe hij zieker en zieker werd. Tot hij hier nu was. “En nu is het klaar.” Zo noemde hij het.
Hij klonk niet boos. Niet verdrietig. Niet berustend. Hij klonk neutraal — alsof het om iemand anders ging. Het was een constatering. En feitelijk een heel juiste constatering. Ik kon er niets tegenin brengen, want het wás ook klaar voor hem.
“Ik wil wel een schoon shirt.”
“Waar kan ik je mee helpen?” vroeg ik. Ik wist dat het tijd was om hem te wassen — maar hij zag er moe uit. Wassen was geen optie, besloot ik.
Zijn zwarte t-shirt liet flink wat opgedroogd zweetzout zien. Voorzichtig manoeuvreerde ik het shirt langs de zuurstofslang en de lijnen van de morfinepomp. Ik maakte van de gelegenheid gebruik om even snel een washandje over zijn rug en buik te halen.
“Lekker fris,” zuchtte hij.
In de wijkzorg werken mensen met elk hun eigen aanpak. Ik heb collega’s gezien die voortvarend met een wasmand onder de arm kwamen — omdat dat de beste zorg was, of omdat dat hun taak was. En ik heb collega’s gezien die het douchen oversloegen omdat de cliënt het niet wilde. Ik heb geen oordeel over wat beter zou zijn. Maar door al die voorbeelden heb ik een eigen manier ontwikkeld: doen wat nodig is, laten wat kan. En vooral — kijken naar wat iemand nodig heeft.
Deze meneer had geen poespas aan zijn lijf nodig. De morfinepomp stond goed afgesteld. De zuurstof ook. Dat zijn shirt vol vlekken zat was secundair. Wie kijkt naar een vies shirt als iemand sterft? Er zijn geen beste antwoorden. Er zijn hooguit overwegingen om iets wel of niet te doen.
“Dan doe ik het zelf. Jullie hebben het druk zat.”
We kwamen één keer per dag. Na een paar bezoeken vroeg ik aan zijn vrouw hoe het in de middag en avond ging. “Dan doe ik het zelf. Ik verzorg hem zelf. Jullie hebben het druk zat.”
Ik schrok een beetje. Dit kon niet de bedoeling zijn. “We kunnen ook vaker komen,” zei ik. “Tot wel vier keer per dag, of zelfs 24-uurszorg als dat nodig is.” Ik zag eerst ongeloof op haar gezicht. Daarna opluchting.
Ze stribbelde nog wat tegen — omdat we al zo druk waren, omdat er zoveel anderen zijn die zorg nodig hebben. Dit waren mensen die het altijd samen hadden gered en het altijd samen zouden redden. Maar ik wist haar te overtuigen. Het argument ‘of we nu bij u komen of bij uw buurvrouw, bezig zijn we toch’ is meestal het laatste zetje.
Voor de komende week plande ik vier keer per dag zorg in: twee keer een uur, twee keer een half uur.
“Ken je dit stuk?”
Hij opende YouTube op zijn telefoon en liet me luisteren. Een symfonieconcert — stemmige strijkers, woeste pauken, zachte fluiten. Hij vertelde over de muziek, welke rol die voor hem speelde en hoe zijn gezin leefde van de muziek, om de muziek, mét de muziek.
Ooit studeerde ik uren per dag om toegelaten te worden tot het conservatorium. Muziek was mijn adem en mijn leven. En nu was er ineens weer volop aandacht voor dit vergeten element uit mijn leven.
Het komt toevallig zo uit dat ik de hele week minstens drie keer per dag bij hem kom. En iedere keer gaat het gesprek door op waar we de vorige keer gebleven waren. Meestal over muziek. We laten elkaar stukken horen — ken je dit, moet je dit eens horen, deze is mooi, heb je deze al gehoord?
Hij vertelt over kamermuziek waar ik niets van weet. Ik vertel hem over de experimentele muziek waarvan ik ooit heb geprobeerd het onder de knie te krijgen. Wat we gemeen hebben: we worden allebei geraakt door een puurheid die op onverwachte momenten binnenkomt. De emotie die telt. Niet de kennis. Niet de techniek. De emotie.
“Nu moet ik echt gaan kiezen.”
Met elke dag werd hij grauwer en gingen de liters zuurstof omhoog. Tot hij helemaal geen puf meer had om gewassen te worden.
“Laten we maar wat praten,” zei hij.
Ik schoof een stoel aan bij zijn bed. Dit vroeg om tijd. Die nam hij. Met adempauzes om lucht te verzamelen vertelde hij over de schat aan muziek die hij de afgelopen weken had beluisterd. “Want nu moet ik echt gaan kiezen. Wat wordt het slotakkoord?”
Hoe meer hij uitweidde en liet horen, hoe meer ik ervan overtuigd was dat hij zijn keuze al gemaakt had.
Hij liet me stuk na stuk horen. Klassiek, folk, groot en klein. “Ik denk aan dit stuk voor mijn uitvaart.” Iers folk — meeslepend, met stampende voeten, slaande pauken en energie. Het leven zelf, in muziek gevangen.
Hij vroeg wat ik mooi zou vinden. Ik wist het wel. Diezelfde week had iemand die ik liefheb me de uitvaart van Shane MacGowan laten zien — de frontman van The Pogues, 65 jaar geworden. Op zijn uitvaart werd hun bekendste nummer gespeeld. Rondom hem werd gedanst, gezongen, gevierd. De liefde en levenslust sprong van het scherm.
Al bij de eerste tonen die ik hem liet horen speelde er een glimlach om zijn lippen. Hij kende het niet — maar het gevoel dat het opriep, dat deelden we. Het leven van deze man werd gevierd. Mensen pakten elkaar vast en dansten de dans van het leven. Rondom zijn kist werd gedanst. Alles brak open.
Knikte hij. Om zijn mond een glimlach. “Mooi,” zei hij. En toen, zacht en zeker: “Laten we dansen.”
Ramen open. Volume op 10.
Die middag reed ik weg van zijn huis. Ik wist dat het de laatste keer zou zijn.
Met de ramen open en het volume op 10 reed ik weg — met The Fairytale of New York. Mijn wangen werden nat.
Ik moet hier nog vaak aan denken. Het was één van de meest roerende en indrukwekkende ervaringen die ik in de wijkzorg heb meegemaakt.
In de muziek ontstond een verbintenis. Binnen de afstand tussen mij als zorgverlener en meneer ontstond een nabijheid. En die was waardevoller dan alles anders wat ik had kunnen geven.
En nu is
het klaar.
Zo noemde hij het. Niet als opgave. Niet als verlies. Als constatering. En in die constatering zat meer rust, meer schoonheid en meer menselijkheid dan ik in woorden kan vangen. Maar in muziek — in muziek paste het precies.
Geef een reactie