Column

Sterven doe je niet even tussendoor

Door Rinske
.

scroll

Het is woensdag, 14:47 uur.

Ik heb sinds 08:00 niets gegeten, mijn telefoon staat op 4%, en meneer op kamer 6 gaat helemaal niet goed. Wat ik bedoel: het gaat écht niet goed. Niet de “hij is niet zo lekker”-versie die familieleden gebruiken als iemand een verkoudheid heeft. Nee. De echte versie.

En op dat moment, dat precieze, breekbare, stille moment, gaat mijn pieper af.

Mevrouw op kamer 12 wil weten of haar broodje kaas ook met halvarine kan. HALVARINE.

Niet zoals in de film

De ziekte heeft geen rekening gehouden met de dagplanning

In de films gaat ziek zijn en sterven met muziek. Tranen die over wangen glijden. Een arts die iets betekenisvols zegt. Iedereen is aanwezig. Iedereen is klaar.

In de film 🎬

Zachte muziek. Perfecte timing. Iedereen aanwezig. De arts zegt iets betekenisvols. Het licht valt.

In het echt 🏥

Dochter is na 36 uur aanwezig te zijn bij het ziekbed van haar moeder even naar huis om te douchen.”Dat kan toch wel”. “Ja hoor.” Ik had het mis.

Meneer ging in sneltreinvaart achteruit.

Ik was erbij. Alleen, met een dienblad in mijn hand met een verloren kuipje margarine (sorry daarvoor) waar ik niks meer mee deed en een controlepaal (voor het meten van de bloeddruk, temperatuur, saturatie en pols). Twee instrumenten waar je net niks aan hebt als het echt mis gaat.

Dat is hoe het vaak gaat. Niet groots. Gewoon: hij was er, en toen was hij er niet meer. En de wereld — de zaal, de pieper, het broodje margarine — draaide gewoon door. Of, in een ander scenario: hij was er, werd ziek, toeters en bellen werden opgetuigd om meneer te helpen, en daar was hij weer.

Wat niemand je vertelt over de hectiek rondom het ziek zijn

Er is een protocol. Uiteraard is er een protocol. Er zijn in de zorg altijd protocollen, voor alles, inclusief waarschijnlijk het protocol voor het geval er geen protocol is.

Het protocol voor overlijden bevat stappen als: arts verwittigen, familie bellen, dossier bijwerken, lichaam verzorgen, kamer vrijmaken. Netjes op volgorde. Logisch op papier.

Wat het protocol niet vermeldt: wat je doet als je het ook allemaal niet weet; als je niet weet of iemand gaat overlijden maar er wel bang voor bent? ja, meneer is nu echt heel ziek, het is erg, maar hoe erg? Je wil geen onnodige paniek zaaien maar zeker geen valse hoop, of, nog erger, onderschatting. Ondertussen vang je de familie op belt de arts, en nemen collega’s al je andere taken over.

Je leert snel. Je leert om 100 dingen tegelijk te voelen: verdriet dat er is, en afstand die nodig is. Je leert dat het niet jouw verdriet is maar het verdriet van de naasten. Invoelen is goed, onbetaalbaar zelfs, en daarnaast doe je wat je moet doen.

En die gevoelens komen heus wel. Nu later. Later nooit. Of soms ineens in de auto op de parkeerplaats, terwijl Kate Bush ‘Running up that Hill’ uit de radio komt en dat op de een of andere manier de druppel is.

Mensenkennis

De familie

Families in de ziekte-, spanende, of stervensfase zijn allemaal anders, elk op hun eigen manier betrokken. En iedereen heeft wat anders nodig. Dat vraagt naast vakmanschap en empathie ook mensenkennis en een grote wendbaarheid van de zorgverleners.

  • De familie die alles wil weten, elk uur, elk detail, elke ademteug. “Maar wat betekent die ademhaling precies? Hoelang gaat het nog duren?” Dit is de vraag zonder antwoord.
  • De familie die zeker weet dat de arts nog iets kan doen. Of dat de verkeerde specialist is ingeschakeld. Of dat er nog alternatieve behandelingen mogelijk zijn. Ze hebben het op Google opgezocht. De hoop regeert. En ik snap het; ook ik zou mijn geliefden niet nooit los willen laten.
  • De familie die niets zegt. Die gewoon naast het bed zit. Die de hand vasthoudt en af en toe opkijkt met een blik die alles bevat wat er te zeggen valt.
Wat altijd blijft

Achter elke pieper, elk protocol en elke halfgebakken koffie uit de automaat, zit een mens die iemand verliest. En dat is het enige dat echt telt.

Wat ik heb geleerd van mensen die sterven

Mensen die weten dat ze doodgaan zijn soms verrassend grappig. Meneer K. vroeg me of hij zijn fysiotherapie-afspraak nog moest afbellen. “Want ik denk dat ik die niet ga halen.” Hij had gelijk. Ik heb de afspraak afgezegd.

Mevrouw T. wilde per se nog weten hoe het afliep met de serie die ze volgde. Ik heb het opgezocht. Ze was teleurgesteld. “Dat had ik zelf beter gekund,” zei ze. Ze had ook gelijk.

Sterven haalt het essentiële naar boven. Mensen worden kleiner en groter tegelijk: kleiner in het bed, groter in wie ze zijn.

Ze vragen niet om grootse dingen. Ze vragen om een hand. Om iemand die luistert. Om eerlijkheid, soms, ook als die schuurt. Om te weten dat ze er mogen zijn, ook in dit, ook hierin.

En dan ben ik er. Met mijn dienblad en mijn pieper en mijn 4% telefoon. En ik doe wat ik kan. Zoals al mijn collega’s dat elke keer weer doen.

Aanwezig zijn.

Meer is het soms niet. Meer hoeft het soms ook niet te zijn.

Waarom ik niet wegloop

Mensen vragen me weleens: “Kun je dat wel aan? Al dat sterven?” Soms weet ik het ook niet, of ik het kan of niet. Soms ga ik naar huis en zit ik op de bank en eet ik chocola of drink ik wijn en denk ik aan niks. Omdat het hoofd even leeg moet.

Of ik praat met mijn collega’s met meer ervaring. Over hoe zij ermee omgaan. En ze leren me dat het nooit went en dat het altijd anders is, elke keer weer. En dat dat goed is. Omdat wij mensen zijn.

Waarom ik blijf

Omdat ik weet wat het waard is om erbij te zijn. Omdat ik weet hoe het kan zijn als er niemand is. Omdat ik dit werk ben gaan doen voor de mensen die tussen wal en schip vallen — en als er iemand tussen wal en schip valt, is het wel iemand die aan het sterven is zonder dat iemand het ziet.

Ik zie het. Ik ben er. Met dienblad en al.

En morgen doe ik het gewoon weer.

Gevoelig genoeg
om het te voelen.

Nuchter genoeg om door te gaan, en koppig genoeg om te blijven denken dat het ertoe doet.

Disclaimer: Geen patiënten werden geschaad tijdens het schrijven van deze blog. Alle namen zijn fictief. De halvarine was echt. De koffie was lauw. De parkeerplaats was donker en Kate Bush was onvermijdelijk.

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *