Verpleegkunde

Door Rinske
Eerst de armen. Of toch het hoofd? — rinskejansen.nl
rinskejansen.nl — persoonlijk

Eerst de armen. Of toch het hoofd?

Zes jaar zorg, en nog steeds weet ik het soms niet zeker.

De eerste keer dat ik iemand waste, deed ik dat met de concentratie van iemand die een bom onschadelijk maakt. Beetje water, beetje zeep, en de innerlijke paniek van: doe ik dit wel goed, voelt dit niet vreselijk voor deze mens die ik gisteren nog niet kende. Ik was student. Ik was, laten we eerlijk zijn, compleet nutteloos, maar dan wel heel gemotiveerd nutteloos.

De eerste keer dat ik iemands billen afveegde was ik ook student, en ik herinner me vooral dat ik ademde alsof ik de 8 van Apeldoorn had gelopen. Niet omdat het smerig was — dat went, sneller dan je denkt — maar omdat er een grens over ging die je daarvoor nog nooit had overschreden: het lichaam van een vreemde, in zijn meest weerloze staat, en jij met een washandje in je hand alsof dat de normaalste zaak van de wereld is. Dat is het uiteindelijk ook geworden. Maar toen nog niet.

Wat niemand je vertelt op de opleiding: die onhandigheid gaat nooit helemaal weg, hij verplaatst alleen van locatie. Als beginneling worstelde ik met wassen. Nu worstel ik nog steeds, geregeld, met aankleden. Niet het mijne — dat van een ander. Eerst de armen erin, of toch eerst over het hoofd? Welke mouw is links? Waarom heeft dit shirt drie gaten die er niet uit horen te zien, en waarom kijkt de patiënt mij aan met een blik van joh, dit doe je al jaren, hoe kun je dit nog steeds niet weten. Twintig jaar ervaring bij elkaar in een gebouw en we staan alsnog te klungelen met een blouse. Niemand die het zegt hardop, maar reken maar dat het gebeurt. Overal. Elke dag.

Jaren jaar ervaring bij elkaar in een gebouw, en we staan alsnog te klungelen met een blouse.

Atlant, en de wereld die niemand je laat zien

Mijn eerste echte werkplek was Atlant, psychogeriatrie. Korsakov, Huntington, dementie, en heel veel wat ze in de boeken netjes samenvatten als “onbegrepen gedrag” — een term die klinkt als een excuus van het systeem voor het feit dat we het gewoon niet snappen, en dat mensen daarom worden weggezet als lastig in plaats van begrepen als bang, verward of pijn hebbend.

Daar leerde ik dat zorg voor een groot deel improviseren is. Er is geen protocol voor de man die om drie uur ’s nachts denkt dat hij nog steeds op zijn boerderij staat en de koeien moet melken. Er is geen richtlijn die precies zegt hoe je iemand met Huntington geruststelt terwijl haar eigen lichaam tegen haar in beweegt. Je leert het al doende, met vallen, met soms een klap krijgen die niet persoonlijk bedoeld is maar wel gewoon pijn doet, en met een humor die je buiten die muren nooit zou durven gebruiken. Binnen die muren hield die humor je overeind.

“Onbegrepen gedrag” is meestal gewoon: een mens die iets voelt, en niemand die de tijd neemt om uit te zoeken wat.

De reis

Van Atlant naar de ziekenhuizen. Van de ziekenhuizen naar de wijkzorg, waar je op je fiets door de regen rijdt om bij mevrouw op nummer 12 langs te gaan, die je koffie aanbiedt terwijl jij eigenlijk haar wond moet verzorgen, en je die koffie natuurlijk drinkt want weigeren is onbeleefd en bovendien: die koffie is vaak het enige sociale contact dat ze die dag heeft. Van de wijkzorg naar revalidatie, waar ik nu zit, en waar het draait om mensen die vechten om terug te komen naar wie ze waren voordat het leven hen even hard op de rem trapte.

Man, wat een reis. Niet in de zin van een inspirerende LinkedIn-post met een zonsondergang erbij. Gewoon: veel afdelingen, veel mensen, veel dingen die ik nooit meer kwijtraak.

6 jaar in de zorg, officieel
4 soorten setting: psychogeriatrie, ziekenhuis, wijk, revalidatie
mensen die ik niet meer vergeet

Wat blijft hangen

Het contact, uiteindelijk. Niet alleen met patiënten, maar met de hele kring eromheen — partners die om vier uur ’s ochtends bellen omdat ze het niet meer alleen aankunnen, kinderen van patiënten die je aankijken met een blik die zegt zorg alsjeblieft goed voor mijn moeder, terwijl ze eigenlijk bedoelen ik kan dit niet, en ik voel me daar vreselijk schuldig over. De aandacht verschuift voortdurend, van de patiënt naar de familie en weer terug, als een soort onzichtbaar evenwicht dat je de hele dienst in balans probeert te houden. De patiënt blijft het middelpunt. Maar de mensen eromheen hebben je net zo hard nodig, alleen op een andere manier.

Mensen stierven. Soms onverwacht — een telefoontje, een stilte op de gang die anders voelt dan anders, en dan weet je het al voordat iemand iets zegt. Meestal niet onverwacht: een langzaam afscheid, dagen of weken waarin je merkt dat iemand zich voorbereidt, en jij een beetje meeloopt in dat proces zonder dat er woorden voor zijn die het recht doen. Beide soorten sterfgevallen laten iets achter. Het went niet, en dat is maar goed ook — het moment dat het went, moet je jezelf serieuze vragen gaan stellen.

En dan de kleine dingen. De koffie en de thee die je zet voor mensen die eigenlijk niet meer zo goed kunnen slikken maar het toch fijn vinden om het kopje vast te houden. Het lopen op kousenvoeten door de gang om iemand niet wakker te maken, terwijl je eigenlijk allang je schoenen weer aan had moeten trekken omdat de arbo-regels dat willen, maar soms wint stilte van protocol. Die dingen staan in geen enkel functieprofiel. Ze zijn de reden dat mensen in dit vak blijven, ondanks de administratie, ondanks de onderbezetting, ondanks alles wat er niet deugt aan hoe deze sector wordt georganiseerd.

Het lopen op kousenvoeten staat in geen enkel functieprofiel. Het is precies waarom ik blijf.

Pas zes jaar

Pas zes jaar. Dat “pas” voelt bijna beledigend als ik terugkijk naar wat er allemaal in die tijd is gepasseerd. Ontelbare mensen, ontelbare momenten waarop ik iets leerde dat geen enkel studieboek me had kunnen leren — hoe je een stilte laat vallen zonder dat die ongemakkelijk wordt, hoe je “nee” zegt tegen een familielid zonder de deur dicht te gooien, hoe je jezelf staande houdt na een dienst waarin je drie keer bijna huilde en één keer daadwerkelijk, in de fietsenstalling, waar niemand het zag.

Zes jaar, en ik ben nog steeds die persoon met het washandje. Alleen inmiddels weet ik: dat is geen tekortkoming. Dat is het vak.

rinskejansen.nl — Rinske

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *