Artistic depiction of viruses and syringe representing vaccination and health care.
Column

Van zuster tot monteur

Door Rinske
Zuster, kunt u even… alles doen?

Column · Verpleegkunde & Identiteitscrisis & Overleven

Zuster,
kunt u even
alles doen?

Over verpleegkundigen als zorgverlener, monteur, IT-helpdesk, waarzegger, clown, psycholoog, schoonmaker, diëtist, rebel en alleskunner — en de eeuwige vraag: mag ik dit eigenlijk wel?

scroll

Verpleegkundige. Zeiden ze.

Ergens in een onschuldig document staat het: verpleegkundige. Één woord. Één functie. Één salaris. En toch. Als je op een gemiddelde dienst rondloopt, ontdek je al snel dat je eigenlijk de uitvoerend directeur bent van een klein, chaotisch koninkrijk waar jij de enige bent die weet waar de pleisters liggen, hoe de rolstoel werkt, wanneer de dokter beschikbaar is, of een banaan helpt tegen obstipatie — en of je dat allemaal überhaupt mag beslissen.

Spoiler: je beslist het toch. Want er is niemand anders.

Verpleegkundige zijn is het enige beroep waarvoor de functieomschrijving zes regels telt en de werkelijkheid een boekwerk van driehonderd pagina’s vereist — zonder index.

Maar laten we het van het begin af aan bekijken. Stap voor stap. Rol voor rol. En bij elke rol de vraag die je hoofd nooit ophoudt: mag ik dit? Ben ik hier bevoegd voor? Is dit mijn werkgebied? En als het dat niet is, wie dan? Want die persoon is er niet. Dus toch jij.

Zonder diploma

De monteur. Zonder gereedschap.

Het begint onschuldig. Meneer De Bruin, kamer 7, kijkt je aan met de ogen van iemand die al heel lang op iets wacht. “Mijn rolstoel loopt vast,” zegt hij. “Al de hele ochtend.”

Jij bent verpleegkundige. Geen monteur. Dat weet jij. Meneer De Bruin weet dat niet, of het interesseert hem niet, of hij weet het wel maar rekent er terecht op dat jij de enige bent die nu beschikbaar is en ook daadwerkelijk iets gaat doen.

Je knielt. Je trekt. Je duwt. Je mompelt iets onverstaanbaars. Je trekt nog een keer. De rolstoel rijdt weer. Je staat op met kniepijn en de innerlijke verwarring van iemand die net iets heeft gerepareerd zonder precies te weten hoe.

Wat je denkt 🔧

“Is dit mijn taak? Moet ik dit melden? Is er een technische dienst? Wie betaalt dit? Mag ik zomaar aan medisch hulpmiddel zitten?”

Wat je doet 💪

“U kunt weer rijden, meneer.” Glimlach. Verder. Knie doet pijn. Dat is voor later.

De technische dienst is er pas morgen. Of overmorgen. Of ze zijn druk. Of er is geen budget. De rolstoel rijdt. Dat telt.

De IT-specialist. Niveau: uitknop zoeken.

Mijnheer Visser wil FaceTime-en met zijn kleindochter in Canada. Het is een begrijpelijke, menselijke wens. Het is ook jouw probleem geworden, want het wifi doet het niet, de tablet laadt niet, en de kleindochter staat al te wachten.

Jij hebt geen IT-opleiding. Je hebt wel ooit een router opnieuw opgestart en je telefoon gereset. Dat is, in de ogen van een tachtigjarige, equivalent aan het afstuderen aan de TU Delft.

  • Het wifi werkt niet. Je zet het uit en aan. Het werkt nog steeds niet.
  • Je herstart de tablet. Er verschijnt een update van 2,3 gigabyte. Die start je niet.
  • Je pakt je eigen telefoon en maakt een hotspot. Dit is waarschijnlijk niet de bedoeling.
  • Verbinding! Meneer Visser ziet zijn kleindochter. Hij huilt een beetje. Jij ook bijna.
  • Is dit bevoegd? Toegestaan? Privacy-proof? Declarabel? Geen idee. Het werkte.

De IT-helpdesk is bereikbaar op werkdagen tussen 09:00 en 16:00. De patiënt wil nu bellen. Jij bent de helpdesk.

Kristallen bol niet meegeleverd

De waarzegger. Met verpleegkundige onzekerheid.

Mevrouw Van Dijk kijkt je aan met de intensiteit van iemand die een antwoord wil en ook eentje verdient. “Wanneer denk je dat ik weer kan lopen?” vraagt ze.

Je weet het niet. De arts weet het niet precies. Het lichaam weet het ook niet. Maar mevrouw Van Dijk staat daar, met haar hoop en haar angst en haar vraag, en jij bent de enige die er nu is.

Je kiest je woorden zorgvuldig. Je zegt iets over herstelprocessen. Over kleine stapjes. Over geduld. Je zegt het met warmte en precisie en je weet ondertussen heel goed dat je eigenlijk niets zegt — maar wel iets. Iets wat ze kan vasthouden voor vandaag.

De Professionele Waarzeggerij van de Verpleegkundige (erkende antwoorden)

“Dat is echt aan de arts om te beoordelen, maar wat ik zie is dat u elke dag kleine stappen zet.” · “Herstel gaat niet in rechte lijnen, maar u bent op de goede weg.” · “Dat kan ik niet beloven, maar ik ga er alles aan doen om het te ondersteunen.” · Knikken. Oogcontact. Hand even vasthouden. Dat laatste staat nergens in een protocol en is soms het allerbelangrijkste.

De artsenfluisteraar. Een subtiel ambacht.

Meneer Jansen wil de arts spreken. Dat is zijn goed recht. De arts is momenteel bezig met vijf andere dingen tegelijk en komt pas over anderhalf uur langs. Dit is de realiteit. Meneer Jansen wil een andere realiteit.

“Als jij het vraagt,” zegt hij met de listige glimlach van iemand die de verhoudingen goed begrijpt, “dan komt de dokter misschien wel eerder.”

Hij heeft niet eens ongelijk. Jij kent de arts. Je weet wanneer je kunt aankloppen. Je weet hoe je een situatie omschrijft zodat die urgentie krijgt. Je weet wanneer je zegt “ik maak me zorgen” in plaats van “meneer wil u spreken.” Dat is geen manipulatie. Dat is klinische communicatie op zijn finest.

De artsenfluisteraar spreekt niet harder. Ze kiest de juiste woorden, het juiste moment, en de juiste toon. En dan gaat de arts tóch eerst even naar kamer 3.

Mag je dit? Is dit jouw rol? Officieel misschien niet. Maar iemand moet het doen. En jij bent er goed in.

Geen rode neus vereist

De clown én de psycholoog. Soms tegelijk.

Er zijn momenten waarop een kamer zo zwaar is dat je bijna kunt voelen hoe de lucht eruit is gezogen. Na een slechte diagnose. Na een ongeluk. Na het gesprek dat alles verandert. En dan sta jij daar, met je handen en je woorden en de vraag: wat doe je nu?

Soms is het luisteren. Lang, zonder oplossingen, zonder adviezen, gewoon aanwezig zijn terwijl iemand zijn leven opnieuw aan het ordenen is. Dat is het psychologische deel. Dat deel waarvoor jij niet bent opgeleid als therapeut maar wel als mens — en soms is dat genoeg.

En dan zijn er de andere momenten. De mevrouw die zo verschrikkelijk bezorgd is dat ze ergens ook een beetje moet lachen. De meneer die al drie dagen somber is en ineens begint te stralen als je een slechte mop maakt over zijn dieet. De groep op de dagzaal die even vergeet waarom ze hier zijn omdat jij iets doms doet met een ballonnetje.

De clown 🤡

Humor is geen vlucht. Humor is soms de enige brug naar verbinding die op dat moment beschikbaar is. En jij weet precies wanneer je hem inzet.

De psycholoog 🧠

Je bent geen BIG-geregistreerd therapeut. Je bent wel de persoon die er is. Die luistert. Die niet wegloopt. Dat telt meer dan je denkt.

Bevoegd? Bekwaam? Grijze zone. Maar wie anders?

De schoonmaker. Ik zeg verder niets.

Er zijn dingen die op de vloer terechtkomen. Lichaamsvloeistoffen van diverse aard en herkomst. Soms aangestipt in het protocol. Soms volkomen onverwacht. Altijd jouw probleem, omdat de schoonmaakdienst er pas over een uur is en de situatie nu aandacht vereist.

Je pakt de spullen. Je doet wat gedaan moet worden. Je maakt het schoon. Je gooit het weg. Je wast je handen. Je gaat door alsof er niets is gebeurd, omdat er voor de patiënt ook niets is gebeurd — of in elk geval: hij hoeft er niet langer aan herinnerd te worden.

Officieel protocol bij vloeistof op de vloer

1. Waarschuw de schoonmaakdienst · 2. Wacht af · 3. Haha, nee. Pak zelf de spullen · 4. Doe het · 5. Documenteer niets want er valt niets te documenteren · 6. Ga door · 7. Vergeet het meteen want de volgende kamer wacht al

Is dit uw taak? Formeel niet helemaal. Staat dit in uw functieprofiel? Niet expliciet. Gaat u het toch doen? Elke keer.

De banaan-kwestie

De diëtist. Met voedingsvragen uit de ether.

Mevrouw Hendriks kijkt je aan met de ernst van iemand die een echte medische vraag heeft. “Denk je,” vraagt ze, “dat een banaan goed is voor mijn harde buik?”

Je denkt. Je weet iets over vezels. Je weet iets over kalium. Je weet dat bananen soms helpen en soms juist niet, afhankelijk van de rijpheid, de hoeveelheid, de rest van het dieet, en nog een heleboel andere variabelen die je niet allemaal paraat hebt. Je weet ook dat de diëtist pas donderdag langskomt.

Vandaag is dinsdag.

Je bent geen diëtist. Je weet dat. Mevrouw Hendriks weet dat ook. Maar ze vraagt het toch, want jij bent er en de diëtist niet. En een banaan wacht op geen mens.

Je geeft een voorzichtig, genuanceerd antwoord. Je adviseert voldoende vocht. Je noteert dat mevrouw vraagt om voedingsadvies en zet de diëtist op de lijst. En dan beantwoord je de volgende vraag, want meneer in kamer 9 wil weten of hij zijn yoghurt mag eten na zijn medicatie en of dat helpt of juist niet.

Spoiler: je weet het ook niet zeker. Maar je kijkt het na. Want dat is wat je doet.

De rebel. Met protocol in de zak.

Meneer Oosterbeek weet precies wat hij wil. Hij wil buiten zitten. In de tuin. In zijn pyjama. Met een sigaret. Dat mag allemaal officieel niet, of in elk geval: niet zomaar, niet nu, niet zonder overleg, niet zonder toestemming, niet zonder risicoafweging.

“Ik weet dat het niet mag,” zegt hij. “Maar zuster — ik wil het toch graag.”

En dan begint de interne vergadering in je hoofd. Mag ik dit faciliteren? Wat zijn de risico’s? Is dit wilsbekwaamheid? Is dit autonomie? Is er een protocol? Wie moet ik inschakelen? En als ik nee zeg — wat verliest hij dan?

De interne beslisboom van de verpleegkundige rebel

Is het gevaarlijk? → Echt gevaarlijk, of voelt het alleen zo? · Is er een protocol? → Lees het · Wat zegt het protocol? → Niets over deze specifieke situatie, uiteraard · Wat zou ik willen als ik hem was? → Buiten zitten · Wat doe ik? → Overleggen. Afwegen. En dan: iets regelen. Zo creatief als nodig.

Soms is rebellen niet de regels breken. Soms is het de regels zo slim lezen dat er ruimte ontstaat die er altijd al was. Dat is ook een vak. Dat is ook verpleegkunde.

Onbetaald bijvak

En dan is er nog alles wat er verder op je afkomt.

“Zuster, ik heb last van mijn rug al drie weken, kunt u even kijken of dat normaal is?” — Ja, ik kijk.

“Zuster, mijn telefoon doet het niet meer, kunt u even helpen?” — Ja, ik help.

“Zuster, mijn familie begrijpt het niet, kunt u het uitleggen?” — Ja, ik leg het uit.

“Zuster, kunt u even…” — Ja.

Elke keer is er een moment van interne vraagstelling. Ben ik hiervoor opgeleid? Is dit mijn werkveld? Moet ik iemand anders inschakelen? Is er budget voor die ander? En als er geen budget is — of geen tijd, of geen beschikbaarheid — hoe los ik het dan op?

De vraag “mag ik dit?” is de meest gestelde interne vraag van elke verpleegkundige. Het antwoord wisselt. De handeling gaat altijd door.

Want dat is uiteindelijk de essentie van het vak. Niet het weten van alle antwoorden. Niet het bezitten van alle diploma’s. Maar het aanblijven denken — bevoegd, bekwaam, veilig, mensgericht — in een wereld die van jou verwacht dat je dat allemaal tegelijk doet, met te weinig handen en te weinig tijd.

En het lukt. Elke dag weer. Niet perfect. Maar wel echt.

Alles.

Je doet alles. Niet omdat het op je functieomschrijving staat. Omdat jij het bent.

Bevoegd genoeg
om het toch te doen.

Bekwaam genoeg om te twijfelen. Slim genoeg om te overleggen. Menselijk genoeg om het te voelen. En ergens, tussen de kapotte rolstoel en de banaan-discussie en de vloer die niemand anders schoonmaakte, weet ik weer precies waarom ik dit doe.

Disclaimer: Geen rolstoelen, patienten of bananen, zijn beschadigd tijdens het schrijven van deze column. Alle verpleegkundigen die zichzelf herkennen in bovenstaande rollen: jullie zijn fenomenaal. Ook al word je koffie wordt altijd koud. Dat verandert nooit. Maar jullie veranderen levens. Dat ook.

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *