Verpleegkunde

Nooit was ik zo blij met de politie aan de deur

Door Rinske
Nooit was ik zo blij met de politie aan mijn deur
Ward 9B — verhaal uit de praktijk rinskejansen.nl
Burgerhulpverlening, min of meer

Nooit was ik zo blij met de politie aan mijn deur

Over de drang om te helpen, de adrenaline die erbij hoort, en waarom ik nog steeds geen held ben — hooguit een enthousiaste bijrol.

“Lief, word je wakker. Er is politie aan de deur.”

↓ onthoud die zin, ik hou van een goede cliffhanger

Sinds ik verpleegkunde studeer — inmiddels alweer zes jaar geleden, tempus fugit — heb ik last van een soort ingebouwde reflex om mensen te helpen. Niet omdat ik zo’n goed mens ben. Gewoon een beroepsdeformatie, zoals loodgieters altijd naar je kraan kijken en kappers nooit stil kunnen zitten bij andermans haar.

Dus valt er een vrouw van de fiets? Ik sta er al. Opstootje op straat? Ik spring ertussen voor ik heb nagedacht of dat wel verstandig is. Wordt een vrouw een auto in getrokken terwijl twee mannen om haar knokken? Ik werp me er middenin, want blijkbaar heb ik geen zelfbehoud maar wel een reddersfantasie. Man onderuitgeschopt? Ik meng me ertussen, impulsief als een puber met een creditcard.

Is dat hulpvaardigheid, of gewoon een adrenalinejunk die toevallig een diploma heeft? Noem het impulsief, onbezonnen, dom, onverantwoord — allemaal terecht. Ik noem het liever “oog voor de medemens.” Klinkt professioneler op mijn cv.

Heldenmeter — stand van zaken

Zelfbeeld: reddende engel.
Realiteit: adrenalinejunk met diploma.

Een van de eerste dingen die ik deed na mijn reanimatieles: me aanmelden als burgerhulpverlener. Dat betekent dat als er ergens een vermoede hartstilstand wordt gemeld, mijn telefoon een alarm afgaat dat klinkt alsof de wereld vergaat:

Inkomende melding

HAAL AED.
GA NAAR SLACHTOFFER.
LOCATIE →

Geen “hallo, goedemiddag, sorry voor het storen” — nee, gewoon bevelen. Ik hou daar wel van, eerlijk gezegd.

In al die jaren ben ik misschien zes keer opgeroepen. Elke keer waren politie of ambulance er sneller bij, en reed ik weer naar huis zonder ook maar iets te hebben aangeraakt. Opgelucht, want er was hulp. Échte hulp. Van een pro. Zelf voelde ik me intussen nog steeds als iemand die vooral goed is in te hard rijden richting andermans ellende.

Tot die ene keer.

[scène: ademloos serieus — even geen grapjes]

Ik reed naar huis toen de melding kwam. Eén straat verderop. Ik trok mijn stuur om alsof ik in een achtervolgingsscène zat, scheurde erheen — buren stonden al te wenken en te wijzen, wat nooit een goed teken is. Ik rende, wat je juist niet moet doen, want reanimeren is topsport en je moet je krachten sparen. Maar adrenaline luistert niet naar theorielessen. Voor ik het wist stond ik in de woonkamer.

Een man lag doodstil op de grond. En met doodstil bedoel ik: stiller dan ik ooit iemand had zien liggen, inclusief mensen die gewoon lagen te slapen. Zijn vrouw gebaarde in paniek, belde de kinderen, kneep in mijn hand alsof ik haar enige houvast was — geen enkele druk, hoor.

Er was al een agent aanwezig. Hij scheurde de blouse van de man open op een manier die in elke film indrukwekkend zou ogen, en wees naar de AED. Mooi. Nu ik nog.

Ik haalde het ding tevoorschijn en bleek plotseling twee linkerhanden te hebben die ook nog eens drijfnat van het zweet waren. De plakkers wilden niet plakken. Alsof het apparaat aanvoelde dat ik geen idee had wat ik deed en daar even mee wilde spelen. Wat als ik iets fout deed? Wat als ik hem kapotmaakte — alsof een mens een föhn is die je verkeerd kunt aansluiten? Het duurde uren. Zo voelde het. Het bleken seconden. Perceptie en werkelijkheid gaan in zulke momenten gewoon niet met elkaar om, ze negeren elkaar volledig, zoals collega’s op de gang die ruzie hebben gehad.

Ik bediende de AED. De agent deed de borstcompressies. Een andere burgerhulpverlener, ook opgetrommeld door zijn telefoon, deed de beademing. Een heus ensemble van min of meer bevoegde amateurs.

In mijn hoofd riep ik “Clear!”, zoals in elke ziekenhuisserie die ik ooit heb gekeken. In werkelijkheid zei een geruststellende AED-dame doodkalm:

“Dien schok toe, houd afstand.”

Alsof ze een boswandeling aankondigde. Ik riep “Los!” terug. Minder dramatisch dan Clear, dat geef ik toe. Maar wel duidelijker — ook voor de partner die naast zijn hoofd zat en hem het liefst had willen vastpakken, iets wat op dat moment nogal een slecht idee was.

Bij elke schok schoot zijn borst omhoog, zijn hele lijf kwam los van de vloer. Dat beeld hoef ik niet op te roepen, dat komt vanzelf wel weer langs, ongevraagd, meestal op de gekste momenten.

Zo vaak gezien op tv. Nooit besefte ik hoe weinig dat voorbereidt op de échte versie, met een echte man die er echt lag.

In de verte klonken sirenes — eindelijk mensen die hier daadwerkelijk voor zijn opgeleid. Twee ambulancemedewerkers kwamen binnen, ik deed een korte overdracht en deed een stap opzij zo snel als beleefd mogelijk was. Buiten wachtte ik samen met de andere burgerhulpverlener, allebei een beetje verweesd rondhangend voor het huis. Wat doe je dan? Weggaan voelt laf. Blijven voelt als rondhangen op de plek delict, wachtend op applaus dat niet komt.

Na een tijd werd de man de ambulance in gereden, met een machientje op zijn borst dat de compressies overnam. Steviger dan ik ooit had gekund — die LUCAS vond ik tijdens de opleiding nog een fantastische uitvinding. In het echt zien werken: verschrikkelijk. Efficiëntie is nu eenmaal niet altijd mooi om aan te zien.

De ambulance reed weg. Ik bleef staan als een figurant die is vergeten dat de scène al is afgelopen.

“Ben je oké?” vroeg een van de agenten.

“Ja. Denk het,” zei ik. Meer woorden had ik even niet paraat.

Ik gaf mijn gegevens door — naam, adres, standaard formulier van het leven.

“We komen deze week nog even langs, voor nazorg.”

Overdreven, dacht ik. Ik had amper iets gedaan. Ik was niet het slachtoffer, niet de familie, gewoon iemand die toevallig een straat verderop woonde en niet kon stilzitten. Maar oké. Als de politie zo nodig moest.

Heldenmeter — update

Zelfbeeld: bijrol.
Realiteit: precies dat. En prima zo.

Die week gebeurde er niets. Ik werkte, en spendeerde mijn pauzes met het obsessief afspeuren van lokale nieuwssites, op zoek naar één regeltje over de man. Niets. Het internet had, zoals wel vaker, geen belangstelling voor mijn persoonlijke drama.

En toen belde de politie aan.

Mijn dochter zag de agenten voor de deur staan en dacht onmiddellijk: wat heb ik gedaan. De buren zullen ongeveer hetzelfde gedacht hebben — niets zo gezellig als de politie op de stoep, goed voor minstens een week buurtroddel. Ik kwam slaperig mijn bed uit — avonddienst gehad, dus mijn definitie van “wakker” was op dat moment vooral theoretisch — en trof twee vriendelijke agenten in mijn woonkamer, die daar echt voor niks anders stonden dan om te vragen hoe het met me ging.

Of ik nog wat nodig had. Ondanks dat het antwoord op beide vragen “goed” en “nee” was, was ik dolblij ze te zien. Niet omdat ik applaus nodig had — dat kan ik oprecht missen — maar omdat het feit dat ze er waren, voor het geval dat, precies het soort geruststelling was dat je niet wist dat je nodig had.

Dank.

Nooit was ik zo blij met de komst van de politie.

Al is dat, geef toe, een wat merkwaardige zin om als hoogtepunt van je week te noteren.

Ward 9B Zorggroep Apeldoorn & Omstreken

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *