Tafel dekken

Mijn vingers hangen boven het toetsenbord, nu al minutenlang. Nou, nu niet meer natuurlijk, maar net nog wel. Mijn stoel staat nét te ver van mijn bureau. Ik zit op het puntje en kan net niet bij het toetsenbord van mijn laptop. De spieren in mijn nek trekken. Ik leun op mijn tenen, wiebel in een mantra heen-en-weer, neem een slok thee en kijk dan van onder mijn bril naar boven; de helft wazig, de helft scherp. Zoals ik vaker op de helft balanceer.

Soms letterlijk, op de drempel van de woonkamer en de gang; minutenlang, twijfelend waar ik heen moet, of vergeten wat ik van plan was. Waar wil ik heen?

Als de drukte om me heen zo groot is dat mijn hoofd gonst als een dikke bromvlieg stopt mijn denken. Dat wil zeggen, het denken tracht, probeert, en duwt, maar alle pogingen stranden voor de gedachte af is. Meestal hakkel ik al na enkele woorden, weet ik niet hoe ik verder moet. Dan drie andere woorden… pauze…opnieuw beginnen…..twee andere woorden….nee, dat is de gedachte ook niet helemaal…. elk nieuw begin wordt opgezogen door de mist in mijn brein. Om mijn tollende hoofd in te dammen knijp ik mijn ogen zo stijf dicht dat de stipjes vormen worden (gedetailleerde Van Gogh’s, portretten van oma’s, vliegende vogels), speelt het liedje in mijn hoofd onverstoorbaar door (Firestarter,……. Rootboy…ToemToemBoem!!! Would’t it be nice……. Zoutelande……. Píng van de Playstation, tieuwdieuwdieuw., ping van een schelp tegen een glas, de jongste heeft haar schelpen in een ketting om haar hals samengebonden; het klingelt vrolijk voort, wat we gaan eten vragen drie kinderen). Dit helpt dus niet.

Tijd voor fase 2. Ik stuur mijn open ogen zo hard mogelijk naar boven, zie de rand van mijn bril en daarboven wazige foto’s die al jaren tegen die muur staan, zodat ik ze van binnen bijna kan uittekenen, zonder te zien.  De jongste, toen als peutertje, met felgekleurde maillots, armpjes te lang voor het kleine lijfje, knipjes om het haar uit haar ogen te houden, voorzichtige glimlach. De oudste, gespannen ontspannen lachend. Haar handen zie ik niet maar ik weet bijna zeker dat ze de leuning van de stoel vastgrijpt.

Witte knokkels. De houvast die zij, die ik, die wij nodig hebben.

De liedjes spelen door, nooit is het stil. Stemmen uit de keuken, schelle kinderstemmetjes vanaf de bank, schuin achter me. Pieeeeeep… (de wasmachine, of de droger, maar de droger zoemt anders, hoger en sneller. De wasmachine is luier, trager en donkerder. Logisch, natte kleding is zwaarder en donkerder dan droge). klik, een pen valt, ping, de oven piept, de klok is stil, beweegt wel, mauw, de poes, drie verschillende gesprekken, ik blok mijn hoofd. Mauw, nog een poes, mijn voet jeukt. ‘Lief ga jij zo ook aftypen?’

Ik moet wel knikken al wil ik niet aftikken. Dit is mijn rust. Hier kader ik in, orden ik, maak mijn eigen realiteit, een stuk overzichtelijker dan die van…. mij….de andere mij…… buiten dit getyp, maar net zo goed van mij.

Lief verteld me over de fles whisky die Henk van Straten Instagramde. Zijn boek heb ik net uit.

Writers Tears, was het label. Van de whisky, niet van het boek, boeken hebben geen label maar een uitgever. Daarover gesproken…..wees welkom …

Ik grimas. Wanner mag ik mezelf schrijver noemen? ‘Mama, de poezen moeten water.’ Ja doe maar, hoor ik mezelf zeggen. Weer Pearl Jam. Ik moet eigenlijk ook nog de btw overmaken. En maandag werken. Mijn voet jeukt, hopelijk geen schimmel. Fok, mijn medicatie vergeten, alweer. De dam om mijn hoofd; de dijk tussen de buiten- en de binnenwereld. Gevat in twee kleine pilletjes, viermaal daags. Water in de pan borrelt, kookt over, het water sist op het fornuis. Pasta, denk ik. Ik ga aftikken, Vuelta afgelopen, zaterdagmiddag bijna ten einde, ‘Tafel dekken’ roept de man. Ik tik af. De storm vervolgt.

 

 

 

Buiten spelen

Een lome zaterdagmiddag, de eerste dag van de herfst en toch kortebroekenweer.
Ik maak de slaapkamer schoon, of, om precies te zijn, de bovenkant van de kledingkast, vol dozen, duplo en kindertekeningen. Je moet ergens beginnen.
Ik til alles van de kast, hoest het stof weg, sop de restanten, hergroepeer de bende. Meer dan de helft gooi ik weg. De andere helft gaat in de ‘emo-kindertekeningen-en-schoolwerkjes-knutselarij’-doos, die weer bovenop de kast gaat. Zo gaat dat.
Onze oudste dochter, zeven, we vinden het allemaal al heel groot, speelt buiten, komt elk half uur binnen om snel daarna weer te vertrekken.
‘Even water pakken.’
‘Even mijn skeelers aan doen.
‘Waar is mijn pennyboard!
‘Ga je nou eindelijk eens mee skaten, mam? Dat deed je toch ook, vroeger?’

 

Net op het moment dat ik behoedzaam twee dozen en veel kleine troep onder de stofvlokken, van de kast til, stuift ze weer binnen. Verspreidt in 10 seconden meer stof dan wij in een jaar. Of twee, drie.. Knap kind.
‘Doe maar ff niet.’ zeg ik.
‘Goed mam’, ze blaast een stapel stof de ruimte in. Onverstoorbaar.
‘Goddomme, wat zei ik nou! Ff weg hier, ga maar ff buiten spelen ofzo’. Wist ik veel.

 

Mokkend taait ze af. “Nouhou, mama, ik mag ook nooit iets!!’
Ik haal mijn schouders op, dit protest is geen unicum, ga verder met opruimen, spoel het zwart geworden water door de wc en zet koffie. De kamer is schoon.

 

‘Ga ff lezen ofzo’ zegt mijn man. Ziet mijn onrust, wordt er moe van,  net als ikzelf.
Óke’, knik ik. Rust; een boek lezen in de zon. Ah…
Toch, na een klein half uur, of drie kwartier, begint er iets te kriebelen. Ongedurig, zomaar.
Ik, ‘Loop even naar buiten hoor.’ Te lang niks gehoord.
‘Even kijken waar ze is, ze speelt achter op het veldje zei je toch?’
Man knikt, ik ben al weg.
Niks, alles leeg.
Rondje door de buurt. Nergens een spoor van ons kind.
Aanbellen hier, vragen daar.
Ah, een springkussen in de wijk achter ons, daar zal ze vast vrienden gemaakt hebben en rondspringen met haar nieuwe vrienden.
Niks.
Mm.
Ik druk opkomende zorgen weg. Ik weet wel dat het, net als alle voorgaande keren, vast goedkomt. Dat gebeurt immers altijd.
Dat het ook niet kan gebeuren wringt zich een weg door mijn buik naar boven.
De straat is zo stil als nooit tevoren. Alles ademt onheil. Zo stil kan niet goed zijn.

 

Ik negeer de opkomende paniek. Dit is vaker gebeurt. Meestal was ze dan ergens bij een vriendje binnen spelen, of een straat verderop bij een vriendinnetje thuis; waar je niet kijkt, niet zoekt.
Onze oudste is nooit stil, je hoort haar altijd; zelfs op een schoolfeest met een dikke honderd kinderen hoor ik haar schelle stem boven alles uit. Zo bewegelijk dat ze binnen een kleine 20 seconden altijd wel ergens binnen mijn gezichtsveld opduikt. Never a dull moment, no second away.
Nu is het stiller dan stil.
Niemand van haar vriendinnetjes weet iets, overal aangebeld. Wat rest is niks.
‘Ze is een half uur geleden naar huis gegaan.’ zegt een meisje op een fiets.
‘We speelde bij het huisje.’ Ah, achter ons huis, grenzend aan de achtertuin. Meestal hoor ik de schelle stemmetjes wel. Deze keer niet, blijkbaar. Fok.
‘Nee, niet gezien’,
‘Ze ging net naar huis, een uurtje terug ofzo.’
Ze had een step mee.’
Zachtjes vloekend en mezelf tegelijkertijd moed inpratend
loop ik naar huis. Waar zal ik verder gaan zoeken? Waar kan ze zijn? Als al haar vriendjes ook niet weten waar ze naartoe ging, hoe moet ik dat dan weten?
Spoorloos? Zomaar? Ik slik duizend doden weg. Mijn gedachten springen van kidnapping, via opsporing verzocht, politiebericht, ‘breng onze dochter terug alstublieft’,  ‘Had dan toch ook beter opgelet stomme doos…’
Snel naar huis, manlief zeggen dat ik de fiets pak om een groter rondje te rijden. Bijna tegen beter weten in.
De gang is vol, ik struikel over tassen en schoenen, “Goddome, bende hier,’ foeter ik .Niemand die het hoort. Dan pas kijk ik, of zie ik.
Skeelers in de krat onder de kapstok. Twee paar sandalen. En hoewel ik weet dat ze erg graag op blote voeten loopt, komt het besef binnen. Dat ze niet weg is. Misschien. Hoop ik. Of durf ik eigenlijk niet te hopen.
Maar dan? Betekent dit dat ze thuis is? Ik kijk de woonkamer in; De jongste dochter slaapt op de bank, geen spoor van de oudste.
Verder zoeken…  Ik loop naar boven, duw haar kamerdeur open; je  moet ergens beginnen tenslotte.
Daar ligt ze.
in korte broek en t-shirt, in haar dekbed gewikkeld.
Duim in haar mond, knuffel onder haar arm geklemd. Onverstoorbaar.
Ik kan niks ander doen dan mijn hand door haar haar halen, een lichte kus op haar wang drukken.
‘Morgen gaan we samen skaten hoor’ fluister ik.

Meest gelezen – tussentijdse update

Nu het tijd is de opmerkingen van redactieronde 301 in mijn manuscript te verwerken lijkt het wel of ik vergeten ben hoe te schrijven. Daarom dit overzicht in deze tussentijd, de tijd tussen redactie en finale versie, tussen help en ik-ben-er-bijna. En dan, ogottogot, nog een uitgever zoeken, maar first things first. Enfin.

Ohja, de vraag ‘waar gaat het boek eigenlijk over?’ beantwoord ik later op deze plek. Het is in ieder geval geen egodocument, ervaringsverhaal, therapeutisch schrijven of om iets te verwerken. Nee joh, gek. Het is fictie; pure fictie. Over een moeder, een dochter en een vader. Over hoe je te onttrekken aan de genen van je familie, aan de vloek van een familie. Valt daar aan te ontkomen? Kun je je eigenlijk wel losmaken, en hoe doe je dat? Of zijn de banden zo strak dat er niet aan te ontkomen valt, zelfs als je de enige overgeblevene bent?

Over een meisje met haar vader en een moeder die in haar afwezigheid mogelijk nog aanweziger is dan toen ze er nog was. Over leven, dood en familie, over psyche, lot, sex, wreedheid en ongemak. Maar tegelijk hoopvol en onverwachts licht.

Nu heb ik het toch verteld.  Wat denk je, is dit een achterflaptekst waarvan je denkt ‘Goh, interessting; dit wil ik wel lezen.’?  Of is er verbetering nodig? En hoe, en waar? Vertel! Dank <3

 

Lezen

Het schrijven maakt het lezen een stuk minder leuk. Bij elk ‘slecht’ geschreven boek voel ik een soort misplaatste ‘tssss, dit wel gepubliceerd en die van mij niet-‘ steek. En bij elk ‘goed’ boek weet ik zeker dat ik zoiets nooit zal kunnen, dat het boven mijn macht ligt en wil ik mijn manuscript weggooien en opnieuw beginnen. Of niet beginnen. Want zoiets goeds zal ik nooit kunnen schrijven.

Bij elke mooie zin die ik lees zie ik mijn eigen kromme zinnen. Bij elke in elkaar verweven verhaallijnen lees ik mijn eigen houtje-touwtje verhaal. Bij elke dialoog denk ik aan mijn eigen gekunstelde dialogen. Bij elk succesvol debuut verbijt ik enig jaloezie, lees het boek en weet het zeker: dit kan ik nooit. Bij elk mooi uitgewerkt thema zie ik ik mijn eigen afgeraffelde thematiek.

Waarom ik dan toch blijf schrijven, schrappen, veranderen, proberen, vloeken en niet-roken (niet-roken omdat ik het zo graag wel zou willen, maar er al meer dan twee jaar geleden mee gestopt ben. En het blijkbaar toch een issue blijft)?

Omdat ik ergens misschien toch denk, hoop, maar vooral denk, dat ik wel iets in handen heb, qua schrijverij. Dat ik het wel kan. Dat de begeleiding van een redacteur misschien wel de doorslag kan geven. Dat ik het daarom zo graag wil: Een uitgever. Iemand die zegt, al is het aarzelend: ‘Mm, ja, ik zie er wel iets in, maarrrrr…….’ en dat er dan een redacteur komt die mij helpt de ‘maar’ te doen verdwijnen.  En dat het verhaal uitgegeven wordt, met de kwaliteitsstempel van een uitgever. En dat ik dan pas echt een boek geschreven heb. Zodat ik verder kan, naar ‘het boek na het debuut.’ Dat nóg moeilijker schijnt te zijn, maar dat ik daar nu al zin in heb.

 

Schrijven

Ik hou van lezen. Zoveel dat ik zou willen schrijven. Dat ik een boek zou schrijven die ik zelf zou willen lezen. In het diepe dal viel er een verhaal in mijn hoofd dat erom smeekte geschreven te worden. Ik schreef, en schreef, zonder te weten waar het naar toe zou gaan. Ruim een jaar geleden was het af.

Haha, dat had ik gedacht. Het bleek de allereerste ruwe versie waarvan er nu weinig meer over is. In het najaar van vorig jaar heb ik het manuscript laten beoordelen door een auteur/schrijfcoach. Een goede, zo-een die literaire prijzen heeft gewonnen en bij wie ik het verhaal goed vind passen. Ruim acht vol getikte pagina’s met advies kreeg ik voor mijn kiezen.  Bijna alles wijzigingen en adviezen heb ik doorgevoerd: tegenwoordige tijd ipv verleden tijd was wel de wijziging die het meeste impact had.

In deze zomer heb ik het gewijzigde manuscript laten redigeren door een andere auteur. Achteraf is dit niet handig, want deze auteur heeft een hele andere kijk op schrijven en verhalen waardoor het aangepaste manuscript eigenlijk weer ‘voor de eerste keer’ werd beoordeeld. Waarbij schrijfsels en ideeën die meneer 1 supertof vond door de ander werden doorgestreept.

Mijn insteek was dat een tweede lezer extra aanvulling zou kunnen geven, de uitwerking was een gespleten stad. Hij zegt A en zij zegt B.  En ik, de schrijver….op wie moet ik varen?

Lafjes heb ik een gulden middenweg bewandeld. Ik heb de technische tips van lezer 2 doorgevoerd, maar voor de verhaallijn en ontwikkeling ben ik bij de adviezen van lezer 1 gebleven. Misschien is het beste gevolg wel dat ik het afgelopen jaar op heel veel verschillende manieren en invalshoeken naar mijn verhaal heb gekeken. dat ik het verhaal met meerdere ogen heb gelezen, keuzes heb gemaakt adviezen op te volgen of te negeren. Dat ik het al bijna honderd keer heb weggegooid, uit de mentale prullenbak gevist, opnieuw begonnen. En dat het nu dan af is. Bijna dan. Want tijdens het lezen van een ander boek wist ik ineens wat aan het mijne schortte: triviale zaken, details en terloopse zijwegen. Klinkt banaal, maar juist dat zal het verhaal meer diepte geven en het boek schrijven die ik zelf zou willen lezen.

 

Relax

Over magie gesproken. Of een luwte waar je je ongestraft in kunt laten vallen. Over de rust door op te gaan in een bijenkorf van veel grote mensen en ongeveer evenveel kinderen. De rust die de zoemende bijenkorf geeft.

Ik had nooit gedacht dat ik in een groep van zo’n dertig mensen ontspanning zou kunnen vinden. Nu zou élke andere groep van dertig mijn kaken opeen doen klemmen, kiezen knarsen, schouders tot mijn oren laten rijzen, vuisten ballen en mijzelf instinctief onder mijn dekbed laten verdwijnen, vroeger en later, want groepen zijn killing. Bij een vriend(in) de kamer binnen lopen, vol visite, de blikken, of, erger nog, geen blikken, van onbekenden of vage kennissen omdat we elkaar al jaren op dezelfde verjaardag tegenkomen. Het gestuntel met ‘hoi’ en  ‘ja doe maar koffie’ omdat je nog geen wijn durft te vragen, een jas onhandig onder je arm, in je andere hand een Albert Heijn tas met het slordig ingepakte cadeautje erin, en dan de kring rond om handen te schudden waardoor je voortdurend de grip op je jas verliest en deze zielloos onder je arm wegglijdt.

Bij het uitladen van de auto vervangen blote voeten die de dauw in het gras zoeken mijn knarsende kiezen. Mijn schouders zakken langzaam. Naarmate de dag voorbij glijdt en alle kinderen zich mengen in en voegen bij de andere, en wij ineens urenlang niets ‘te doen’ hebben, wordt er volop koffie, thee en ietsje later, (niet heel veel later) wijn geschonken, een jaar aan gedoe bijgepraat, om een schepje oploskoffie of een nieuwe fles gevraagd, een snelle knuffel uitgewisseld, een kind getroost (van jou of een ander, soit); en wat heerst is dat het oké is. Dat het goed is zoals het is. Of jij nu successen boekt of keihard neergaat, twijfelt aan alles, het maakt niks uit. Het is zoals het is. De aanwezigheid van heel erg veel fijne mensen voelt als een hangmat… een vangnet…. een kampvuur. Of vriendschap.

*Foto door Esri Dierkx

In ‘Hoe schrijf ik een bestseller’ geeft de auteur Maria Genova veel bruikbare tips om, jawel, een bestseller te schrijven. De komende tijd zal ik de tips opvolgen; jullie horen van me.

En als het geen bestseller wordt ligt dat zeer waarschijnlijk niet aan de tips uit het boek. Maar aan de lezers, de markt, de uitgever, de promotie (of het gebrek daaraan), de tijd van het jaar, het weer, de mensheid in het algemeen, de economie, de crisis, de zon, de regen, of aan het boek.

Joe.

Meer lezen over schrijven

Liever iets lezen over depressie? Ook dat kan  🙂

En nu?

Mijn website heeft de afgelopen jaren gefungeerd als beknopt C.V., uithangbord, uitlaatklep, #openup voor depressie, werkplaats, opslagplaats voor korte verhalen, reflectiemoment, boek-in-wording berichten en ga zo maar door.

Nu mijn depressie niet meer voortdurend de boel verpest door zich overal mee te bemoeien en het manuscript in de fase ‘aan wie laat ik het lezen en met welke vragen en waarom en wat is mijn doelgroep en hoe krijg ik het in Godsnaam bij een uitgever’,  is beland, lijkt ook mijn urgentie om hier te schrijven verdwenen. Wat te doen?

Depressie is niet het enige waarover ik wil schrijven en gezeur over een boek dat niet af is van een schrijver die nog niet eens een schrijver is, lijkt me ook strontvervelend om te lezen.

Wat zou wél leuk zijn?

Inhoudelijk ingaan op delen van het verhaal waar ik twijfels over heb; zodat je als lezer mee kunt denken? Zou dat ook voor onbekende wannabe schrijvers werken…..of toch vooral voor de bekende ‘echte’ auteurs?

Dit brengt me op de vraag wanneer iemand een schrijver is, of zichzelf zo mag noemen. Ik schrijf, dus ik ben een schrijver? Of ik heb een uitgever dus ik ben een schrijver? Of ik heb een printing on demand boek uitgebracht en vijftig exemplaren verkocht dus nu ben ik een schrijver? Of, ik heb nog niks gepubliceerd, maar wíl het wel? Of, ik blog af en toe, schrijf in opdracht zakelijke teksten, heb een bijna-af manuscript op de plank waarover ik pieker wat ik er mee moet, dus ik ben schrijver…? Ik denk er nog even over na. In de tussentijd schrijf ik.

Meer lezen over schrijven

Liever iets lezen over depressie? Ook dat kan 🙂

Goedemorgen, het is een kwestie van kiezen.

‘Goedemorgen, met Esther, opnamecoördinator van de PAAZ, Gelre Ziekenhuis Apeldoorn afdeling psychiatrie. Ik bel om een afspraak te maken voor opname.

Stilte. Wat moet ik zeggen?

Ik had het kunnen weten. Mevrouw  Esther stond die ochtend al om 08.24 op mijn voicemail. Mooi dat ik niet terug belde. Wat moest ik zeggen dan?

Rond de middag ging mijn telefoon voor de tweede keer; ik hoorde “Happy”van Pharrel Williams lekker schel en vooral cynisch tekeer gaan. Ik nam onnadenkend op en hoorde dit: “Hallo, met Esther, opnamecoördinator van de PAAZ, Gelre Ziekenhuis Apeldoorn afdeling psychiatrie. Ik bel om een afspraak te maken voor opname.

Stilte.

Wat moest ik zeggen dan?

Volgens  mij hing ik op. Drukte haar weg.

De avond daarvoor, al gewaarschuwd, bekeek ik het dagschema van de PAAZ. Om 07:45 ontbijt, om 09:30 uur koffie, om 12:00 lunch, daarna nogmaals koffie en om 17:00 uur avondeten. Een uur later bezoek, als je geluk had.  Daarna nog een keer koffie/thee en om 23:00 uur moet het stil zijn, slapen. Geen drank op het menu. Geen afleiding, geen uitweg.

En dan? Wat moet ik doen tussen ontbijt, koffie, lunch, thee, avondeten en bedtijd? Die hele opname leek een noodsprong te zijn, van de therapeuten, omdat die net als ik en wij en iedereen om me heen, ook niet meer weten wat te doen. En omdat ik het ook niet meer weet en wil dat het allemaal afgelopen is. Daarom lijkt de noodsprong een oplossing. Lijkt. Even. Maar wat brengt het?

En tussen 12 en 17 dan? Of tussen 18 en 23? En de nacht? Van 23 tot 07? Wat dan?  Een enorme leegte strekt zich voor me uit. Ik voel mezelf op de rand van het bed zitten. Blote voeten zoekend op een koude vloer, in ‘mijn’ kamer, met een bed, een kast en een bureau. Verloren. Zonder mijn gezin. Zonder alles wat me lief is. Opzij gezet. Al mijn lieven te ver weg. Mijn man, dochters, de zoon, op 8 kilometer afstand. Te dichtbij maar onaanraakbaar. Teveel gemis om niet in mijn lijf, hart en hoofd te zijn; te ver weg om aan te raken. Zij hier, ik daar. Zij samen, ik alleen. En terwijl mijn hart verdampt weet ik dat ik dit niet moet doen. Niet kan doen. Het alleen zijn wordt daar benadrukt; ik ben niks meer dan alleen. Niemand  daar die ik ken. In dat ziekenhuis waar ik zo vaak met de dochter kwam voor buisjes, controles, of, als eerste, voor de bevalling van L. en daarna voor de zwangerschapscontrole van dochterlief A.. En nu, 7 jaar later, wacht een paar blokken verder een afdeling op me. Wordt een bed opgemaakt. Met deuren die niet open kunnen. En ’s nachts niet op slot mogen. De angst van het afgelopen jaar bundelt zich samen tot een enorme misselijkmakende dreiging. Met zoveel angst in het lijf kan dit niet de oplossing zijn.

Dus doen we het niet. Of, ‘Nog’ niet. Ook goed. Want als het nodig is dan moet het, maar zolang ik het kan vermijden, uitstellen, ontlopen,gaan we daarvoor.

Meer lezen over depressie?

Liever wat lichtere kost?

Meer lezen over schrijven

Hallóó allemaal in Psychiater land

‘Ik ben te laat, geloof ik?’

Een uur daarvoor sloeg ik mijn wekker tot drie keer toe uit, om vervolgens al vloekend de slaap uit mijn lijf te verdrijven en haastig een broodje (maar zonder boter, dat scheelt weer tijd) te smeren voor in de overblijftrommels van de kinders. En ondertussen had ik gedoucht, denk ik.

Nu sta ik hier, trek mijn handschoenen uit, wikkel mijn sjaal af en ontmoet een uitnodigende ‘geeft niks’ – blik.’ Een blik waarin ik enige herkenning lees voor wat wat je het beste kunt omschrijven als ochtendgepruts.

Ze maakt koffie voor me, schenkt voor haarzelf  thee in en gaat me voor naar  haar werkkamer op de 3e verdieping. Die trap. Zweet. Zou ze nooit eens willen verhuizen? een kamer op de 1e, met uitzicht op straat? Zal P. te gehecht zijn aan zijn werkkamer? Ik schud de ballast mijn hoofd uit.

‘Ah, je komt vast net van het schoolplein’.  Het is niet eens een vraag. Ik hummmm blijkbaar met een hele diepe zucht. ‘Sta jij ook altijd zo lang in de rij..?’ Lacht ze. Oja, dat is waar ook, mijn (ja, ‘mijn’) psychiater heeft ook kleine kinderen. En schoolpleinstress. Grijns. ‘Al dat gemiep en getrut over ‘mijn kind is wel een beetje moe hoor…’ Of Thijs heeft een beetje buikpijn..’. We lachen en zijn zelf natuurlijk geen haar beter…. ‘Zelf doen we het net zo hard.’ zeggen we,  bijna tegelijk. We knikken. Tegen wie weet ik niet.

Dus voor de sessie begint lachen we onszelf nog even uit, fluiten een stukje ‘Halloó allemaal’ en gaan verder naar de orde van de dag. Want daarvoor zijn we hier tenslotte.

‘Hoe gaat het met de suïcide gedachten?’

 

*Toegegeven, haar intro was wel wat subtieler.