Hoe netwerken geen netwerken werd en daardoor leuk werd

Bij een eigen bedrijf komen onlosmakelijk de netwerkmomenten. Als werknemer had ik me daar gelukkig nooit druk over hoeven maken, maar tsja, na de inschrijving bij de Kamer van koophandel moest ik er toch wel aan geloven, vond ik zelf. Of vond iedereen, want hoe kwam je anders aan opdrachten? Eens. Ik moest laten zien wie ik ben en wat ik kan. Dat had ik gelezen.

En wat bleek? Het was één grote verschrikking. Interactie schijnt een wisselwerking te zijn, maar meestal strandde het ergens bij mijn gesprekspartner die dropte wat hij (meestal hij, soms zij) allemaal kon en daarna verdween. Dag interactie. De eerlijkheid gebiedt me te zeggen dat het gesprek  ook bij mij doodsloeg, want wat te zeggen? Hoe te reageren? Wie ben ik of moet ik zijn hier, op deze plek, in dit gezelschap,? Wat moet ik uitstralen en oh fuck, wat is mijn pitch ook alweer? Oh laat maar, hij heeft zich al op een ander, interessanter, object gestort, mij twijfelend achterlatend. Ik deed iets verkeerd, maar wat?

Lesje netwerken, of niet

Alles in me wilde wegrennen van dit soort netwerkmeetings, maar ik moest door. Van mezelf. Oplossen wat ik verkeerd deed. want het probleem lag bij mij, dat was inmiddels wel duidelijk want als ik om me heen keek zag ik slechts geslaagde succesvolle mensen met rechte ruggen en een nonchalance die alleen de populaire jongens/meisjes in de klas hadden, vroeger.

Aan de slag; wat mij restte wat leren netwerken. Want een ‘ondernemer’, dat was ik ineens -ik moest er zelf nog een beetje aan wennen- schijnt te moeten ondernemen annex netwerken. De ondernemer is zichtbaar, legt contacten, ontbijt om idiote tijdstippen als 6 uur ’s ochtends bij een netwerkbijeenkomst, veegt het slaap uit de ogen bij het pellen van een eitje en het luisteren naar pitches van andere introducees om ’s avonds nog eens aan te sluiten bij een ‘bedrijvennetwerk,’ ofzoiets.

Ik las boeken, blogs, oefende thuis, rechtte mijn mentale rug als ik weer over die drempel stapte, werd meegenomen door lieve mede-ondernemers om het ongemak wat te verminderen, maar ik kon het niet. Of beter, ik kón het op den duur wel, een beetje dan, maar man-o-man wat een strijd.

De pusherigheid, de visitekaartjes die ik in mijn handen kreeg geduwd en mijn eigen visitekaartjes waar ik onzeker mee stond te friemelen tot ze te verkreukeld waren om uit te delen. Aansluiten bij een tafel of groepje was al een enorme stap, ervan overtuigd dat ik de maat zou worden genomen, en afgekeurd. Maar ik deed het wel. Ik praatte, en vroeg, en mengde. Ondertussen werd mijn bestaansrecht via mijn zweetklieren afgevoerd tot er een schim overbleef die zich niet eens meer hoefde te verstoppen om onzichtbaar te zijn. De mensen die over mijn hoofd heen zoeken naar een interessantere ‘netwerkopportunity’ maakten het er niet beter op.

De switch

Tot ik na een te groot aantal netwerkgelegenheden voor mezelf iets had gevonden om het minder erg, ja, zelfs léuk te maken. Hoe? Simpel: ik ga niet netwerken. Ook niet op een netwerkbijeenkomst. Ik bén er wel, ik ga napraten, een borrel drinken, kennismaken, mensen ontmoeten. Praten over wat een ander doet, wat ik doe, over wat boeit en bindt. En omdat ik het netwerken niet als eerste prioriteit heb, zelfs niet als 2e of 3e, zijn het stuk voor stuk goede bijeenkomsten. Meestal dan. Soms heb je erbij waar je, als je jezelf niet heel hard schreeuwend op de voorgrond zet, slechts kan dienen als praatpaal of entourage, maar dan ben ik snel weg. En had ik 3 jaar geleden de sociaal wenselijke tijd tot 22:30 uur uitgezeten, nu zou ik na bovenstaande constatering rechtsomkeert maken. Maar die situaties zijn eigenlijk zeldzaam. Meestal ontstaan boeiende gesprekken, over wat mensen drijft, waarom ze doen wat ze doen, hoe ze daar gekomen zijn, over ambities, en over dromen. En dan kom je heel ergens anders dan wanneer visitekaartjes over en weer worden gekwartet.

Die switch, vond eigenlijk vooral in mijn eigen hoofd plaats, want de situatie bleef toch echt een ‘netwerkding’ en ‘de anderen’, de mede-ondernemers, zijn echt niet allemaal ineens verandert. Nee, het is mijn switch, en die maakt van wat voor mij een enge, spannende situatie is waarin ik zoveel ‘moet’ en ‘moet’ en ‘moet’, een sociale gelegenheid om boeiende mensen te spreken en mooie verhalen te horen of te vertellen. Van spanning naar ontspanning, van onzekerheid naar ‘ik sta hier, kom maar op. En wie ben jij?’ Hierdoor kan ik ontspannender de situatie in, laat ik meer van mezelf zien ben ik opener, geïnteresseerder (want het lag echt niet alleen aan ‘de ander’) luisterde meer dan ik praatte, was oprecht en had altijd wel een paar interessante of inspirerende gesprekken. En als ik het zat was, dan ging ik naar huis.

Manuscripten, toen en nu en andere tijden

Een kleine maand geleden heb ik de moed (of arrogantie, wat je wilt) gehad mijn manuscript naar 3 uitgeverijen te sturen. Bij elke uitgeverij stond op de website iets als “omdat we zoveel manuscripten krijgen kan het tot 20 weken duren voor je een antwoord van ons ontvangt. Over de reden van afwijzing wordt niet gecorrespondeerd”. En, oja, de ene uitgeverij neemt geen inzendingen per e-mail aan, en de andere geen inzendingen per post. Pffffffff. Alleen de logistieke afwikkeling al was een complete stress, om van het afronden van het manuscript niet te spreken.

En nu is het al 4 weken geleden, denk ik, dat mijn manuscript ergens op de mat viel (1x) en in de mailbox belandde (2x). De eerste dagen checkte ik elke tien minuten mijn telefoon, mail, werkmail, analytics, chats. Maar niks.

Wat doe je dan? Er rest mij in deze weinig meer dan wachten, dat snap ik ook wel. Maar hoe ga ik wachten? En wat doe ik dan? Naast werken om de wachttijd te vullen zijn er de momenten waarop werk niet mogelijk is en er een soort vrije-tijd aangebroken is, de avond. Die ik voorheen vulde met….juist….en nu?

Nouja, korte verhalen dan maar. Of niet ‘dan maar’. Ik ontdek nu dat het heel tof is om een verhaal te beginnen met een idee, binnen een uur een andere wending te kiezen en de dag daarna toch nog met een andere vondst te eindigen. In 2 dagen een kort verhaal af. Een verhaal dat eigenlijk alles in zich heeft, maar dan kort.

Naast de korte verhalen is er een 2e manuscript in wording. En tegelijk een stijloefening. Het 1e manuscript schreef ik eigenlijk als vanzelf in de verleden tijd, waardoor er toch een soort afstand ontstond, hoewel ik me daar totaal niet van bewust was.

Mijn nieuwe verhaal schrijf ik vanuit het nu. Ik schrijf het nu, alles gebeurt nu, de lezer staat erbovenop, er middenin. Er is geen afstand. Het gebeurt terwijl je het leest. En al in de eerste pagina merk ik het verschil.

Als schrijver merk ik een enorm verschil: één (1!!!) bladzijde moet ik 100x ontdoen van ‘tijdsfouten’; waarom is het zo moeilijk in het nu te schrijven? Is dat net zo moeilijk als in het nu te leven? Moeilijker?

En als lezer is het ook anders, ik zit meteen in het verhaal, het grijpt me bij keel, laat me niet meer los.  Als vanzelf schrijf ik actiever en energieker, rauwer, ongepolijster.

Morgen, of overmorgen want morgen is een beetje een drukke dag, zal ik een preview geven van een verhaal in de verleden tijd versus een verhaal in het nu.

Hoi mevrouw de psychiater, wat fijn dat je er bent.

M. liep voor me de trap op. Sneller dan ik bijhouden kon. Met een kop koffie in mijn ene hand, een glas water in de andere, een tas over mijn schouder, een zonnebril op mijn hoofd en een heleboel zweet op mijn rug (bijwerking), voelde ik me nogal zwaar en log toen ik achter haar aan de trap op sjokte. Zij had een kopje koffie en een pak tissues in haar hand. Daarmee fladderde ze de trap op, luchtig als ze was. In haar zomerjurkje. Om daarna in goed gekozen woorden uitleg te geven over hoe alle neurotransmitters in mijn hersenen werken. En uitleg over mij en de koker van de depressie en suïcidaliteit. Hoi!

‘Hé, dat pak tissues zijn voor jou, dat snap je natuurlijk wel.’ Een gemeende, bijna meisjesachtige lach die door de kamer klaterde. De vorige keer dat ik haar zag had ik met tenenkrommende tegenzin en schaamtevol ongemak wat tissues nodig gehad. ‘Fok, ik ga echt niet huilen hoor’ zei ik toen nog. Tevergeefs. Ze had het onthouden en ongewild moest ik grinniken. om haar tissue-grapje.

Haar lach en mijn gegrinnik  vermorzelde de ongemakkelijke stilte (voor mij ongemakkelijk, ik vermoed dat zij er wel aan gewend is) tussen psychiater en patiënt. Even waren we gelijk. Net als toen we in het keukentje koffie inschonken. Of praatten over de opblaaszwembadjes voor de kinders. We vinden herkenning bij elkaar in het moeten plakken van zwembadjes die steeds lek raken, en ‘schoolpleinstress’. Het is een soort gelijkheid in het  moederschap. En nog blijf ik de patiënt, zij de behandelaar. Niks mis mee (hoewel?), wel wennen. Ik zie mezelf liever als medebehandelaar, desnoods van mezelf, en ik laat de ratio en de wetenschap graag overheersen. Daar kan ik namelijk goed mee uit de voeten. Niet met de depressie; die overspoelt me en daar kan ik niks nee. Maar daar móet ik wel wat mee. Maar ik wil graag gelijk zijn, ik hou niet van onevenwicht. Is patiënt-behandelaar onevenwicht? Voor mij blijkbaar wel. Hoewel het mij niet minder maakt en haar niet meer is er toch overwicht – ongelijkheid. Al was het maar in kennis, ratio, overzicht en psychische state of mind. En dat ik haar (en meneer P. en mevrouw A., ze doen aan teamwerk daar) nodig blijk te hebben om mezelf te duiden. En om te overleven.

Na een uur, met de nodige issues besproken, pak ik mijn tas, bijna klaar. Opgelucht, en sterker, zoals altijd wanneer ik bij haar vandaan kom. ‘Hé’, zegt M., schijnbaar verongelijkt, ‘De tissues heb je helemaal niet gebruikt. ‘ We grinniken naar elkaar. Ha, niet gehuild! Mooie verbinding vind ik het. In alle kwetsbaarheid en ongemak toch kunnen grijnzen en lachen om dit soort kleine dingen. Want huilen was ook geen probleem geweest. Heb ik eerder gedaan bij haar. Wel met moeite. want huilen bij je therapeut vind ik zó stereotype dat ik het niet wil doen. Ik laat me verdomme toch niet kennen. Tot er plots iets uit mijn oog drupte.

Wij zijn gelijk, en zij helpt mij. Met dat uitgangspunt kan ik wel verder. Hulp nodig hebben is niet perse een onevenwicht, zeg ik hardop.

Bovendien legt zij mij mezelf uit. Zij licht toe hoe ik me voel en waarom dat zo is.  Of hoe het werkt. Zij begrijpt wat ik niet kan begrijpen, waar mijn ratio niet bij kan, waar mijn gevoel teveel schuld voelt om het te kunnen begrijpen. Zij begrijpt soms meer van dat ene aspect dan ik kan. Ze licht toe, en dan snap ik het ook. En ze oordeelt nooit. Waardoor alles veilig is. En daardoor leer ik mezelf begrijpen. En kom ik elke keer weer, hoe beroerd ik er ook inging, gesterkt de spreekkamer uit. En bovenal, ze begrijpt het onmogelijke. Legt uit wat voor mij onmogelijk lijkt. En daarbij lachen we altijd zo veel, dat ik me soms tijdens ‘de sessie’ afvraag of het nou allemaal zo erg is; want we lachen zo veel, ik voel me ‘fijn’ voor zover dat kan. Voel me veilig, open, kwetsbaar en geholpen in al mijn ongemak. Laat dit een begin zijn.

—- Dit stukje schreef ik ruim drie maanden geleden. En nu, 24 revisies later durf ik het dan misschien eindelijk te publiceren. Tenminste, als ik op ‘Publiceren’ klik. Ik kan ook nog op ‘Concept opslaan’ klikken, zoals ik dat al 3 maanden en 24x eerder gedaan heb. En waarom zou ik dit publiceren, het is zo privé…. Misschien daarom wel. Omdat ik het stigma, het zelfstigma en taboe, eraf wil hebben. #openup

 

 

Een onzichtbaar stukje

Kijk, ik schrijf nu een stukje. Aan de keukentafel, glaasje wijn erbij, laat mijn gedachten gaan en maak er een leuk verhaaltje van, dat is tenminste wel de bedoeling. De gordijnen zijn dicht, ik wieg mee met QOTSA en ben onzichtbaar voor iedereen. Het schrijven voelt net zo onzichtbaar. Het drukken op ‘publiceren’ maakt daar geen verschil in.

Soms, als ik het een leuk/lief/mooi/fijn/goed stukje vind, deel ik hem op Facebook, alleen voor mijn vrienden. Als ik er erg trots op ben deel ik het zelfs ‘openbaar’.

Maar hè, ik plaats dit dus op mijn website. Toegankelijk voor iedereen, meer dan openbaar kan iets niet zijn. Toch? En toch voelt het pas ‘gepubliceerd’ als ik op Facebook of Twitter heb gezegd ”Hé, jongens, ik heb een nieuw stukje geschreven. Kijk maar!’

Da’s gek.

Want eigenlijk hoop ik toch dat ook mensen buiten mijn inner circle of Facebook of Twitter af en toe een stukjes van me lezen.

Dit alles realiseerde ik me eigenlijk pas vanmiddag, toen ik een buurman uit de straat tegenkwam met wie ik op de buurtbarbecue (ik weet het, het is niet heel glamorous, maar desondanks heel gezellig, -daarom kent de spellingscontrole dit woord ook denk ik-) had gekletst. Over alles en nog meer, over mijn schrijverij en zijn werk en onzer verschillende levens in dezelfde straat. Daarna had hij mijn site bekeken en mijn stukjes gelezen, vertelde hij me dus vanmiddag, toen we elkaar tegenkwamen. Een mengeling van trots en gene bekroop me. Want, iemand die ik niet goed kende, maar wel een beetje, had iets van mij gelezen. En hij vond het leuk. Dat was de trots. De gene kwam van, ja waarom eigenlijk? Daar moest ik echt even goed over nadenken. Ik denk dat ineens tot me doordrong dat datgene wat ik als redelijk ‘onzichtbaar’ beschouwde, ineens in de etalage stond. Wat gek was, want een website begin je niet om onzichtbaar te zijn (en mijn werk is websites vindbaar maken, dus helemaal onwetend op dat gebied ben ik niet). En in de etalage staan, dat is toch ook een beetje de bedoeling met het schrijven op mijn site?

Ik denk dat ik dezelfde mixed feelings heb als het over mijn manuscript gaat, die nu bij 1 uitgeverij in een postvakje of op een stapel op een bureau stof ligt te happen en bij 2 uitgeverijen in een ‘to do’ / ‘to read’ mapje in de mailbox terecht zijn gekomen; bij een te drukke redacteur die elke dag talloze manuscripten de prullenbak in kiepert. Misschien zit de mijne daar wel bij.

Maar, stel je voor dat het gepubliceerd wordt. Waaaaaat!!!!?Da’s eng.

Dan gaan mensen het lezen. Oh No.

Dat is bijna net zo onwerkelijk als dat niet-vrienden-op-Facebook-wanneer-ik-de-link-heb-gedeeld mijn stukjes lezen. Onwerkelijk, maar wel tof.

Kortom, het was een leuke ontmoeting en een erg leuk gesprek. Dat je de mensen in je straat zelfs via zo’n omweg kunt bereiken en verhalen kunt delen.

Da’s mooi. (en als je dit leest: hoi!)

 

Hatchimals en andere problemen

In de Intertoys staan we achteraan opgesteld in een hele lange rij. Wij, de twee Dochters van 5 en 6 en ikzelf. We hebben een Minion voetbal als cadeautje voor de verjaardag van de 3-jarige zoon van vrienden, en een ‘Hatchimal’ (excuses als ik het verkeerd schrijf, ik heb nog steeds geen idee wat het precies is, al ligt het nu naast de dochters in bed en hebben we er zo’n strijd om geleverd dat het vast een heel belangrijk iets moet zijn. Voor de 5 en 6-jarige dan). Volgens de 6-jarige is het ‘een soort ei waar je overheen moet wrijven, dan wordt het hart rood en dan kun je het indrukken en dan komt er een dier uit’.

Juist, dat verklaart echt een hele hoop, nu snap ik het. Eh? Sorry toch niet. Want ergens, verwachtte ik een echt levend wezen -dat kruipt tenslotte uit een ei-. Of anders op zijn minst een soort Tamagotchi*, een wezen dat je wel een beetje moet verzorgen met virtuele aandacht ofzo.

Maar nee. Het omhulsel was inderdaad een soort ei, maar wat eruit kwam was een cheap-ass plastic diertje met het formaat foetus, of koffieboon, eigenlijk nóg kleiner. En onooglijker. Ik denk dat het makkelijk in je neus past, zo klein**.

ik had de goedkope/mini ‘Hatchimal’; twee eitjes van miniformaat voor 7 euro.  De ‘echte’, die de Dochters eigenlijk op het oog hadden was zo’n zestig centimeter hoog; een enorm ei, waar dan waarschijnlijk ook een enorm plastic misbaksel uit zou kruipen, voor zo’n 70 euro. Eh, Wát?

Na eindeloos getwijfel en gedraai (Mahaaaaam, mag ik de Little Pony? Mahaama, ik wil die knuffel met de strik. Mahaaam ik wil die grote Barbie met de gitaar! Mahaaaaaam ik wil die héle grote Hatchimaaaal want die is echt echt!’) waren we het eens. Eén verpakking met 2 eitjes erin. Hopla, voor allebei 1 ei, eerlijk delen, net zo gemakkelijk.

Dat had ik gedacht.

Na het eindeloos wrijven over het hart waarna het ingedrukt kon worden en het plastic mormel ontpeld, kwam de ontdekking. Met luid geschreeuw. “Mahaaam! Mahaaam!” (uit gewoonte altijd minstens 2x achter elkaar) Was er brand? Nee. Zoals gewoonlijk was er niks aan de hand. Wat was het geval? er was maar 1 ‘nestje’ (aka bedje) in de verpakking voor het mormel. Een nestje is een kleine roze plastic schaal met het design van een vogelnestje, bestemd voor 1 klein mormeltje.

Hatchimal

En 2 kinderen, en 2 mormels. En dan 1 nestje erbij leveren? Wat zijn dat voor producenten? Sadisten, kinders-onkundigen. Of (meer waarschijnlijk) slimme productontwikkelaars. die er samen met de marketeers voor zorgen dat de Dochters aan de tv gekluisterd zitten bij de reclame over dat plastic en het er al wéken over hebben. En dus ook allebei naast een Hatchimal ook een nestje moesten hebben. Da’s logisch.

Wat volgde was een uur getouwtrek, geduw, geschop en gekat.

‘Jij mag altijd alles, nu mag ik.’

‘Nietes.’

“ik wil hem!’

“AU!, Je duwt en je schopt.”

“Nou én. Jij doet dat ook. En ik kan het beter”

“Jongens hou nou ff op”, probeer ik nog. Lafjes. Tevergeefs.

Natuurlijk had ik hier keihard consequent moeten zijn, want de regel bij ons geldt: wordt er ergens ruzie over gemaakt dan is het voor mij (moehahaaaa), nouja, voor even dan, daarna krijgen ze het weer terug. Maar wat nu te doen? Dit zou ongetwijfeld een ongoing struggle worden, en daarvan hebben we er al genoeg.

De productontwikkelaars en marketeers winnen deze slag. Maandag fiets ik naar de Intertoys voor een 2e setje met 2 van die prutsbeesten. En dat allemaal omdat ik niet de beesten maar wel het nestje wil/moet hebben. Waarvan ik nu al weet dat die na maximaal twee dagen ergens in een hoekje stof loopt te happen .

* Voor de generatie ná mij: een Tamagotchi is een soort dier dat je elke dag moet voederen, aaien en uit moet laten (ofzo), anders gaat het dood. Virtueel dan, want het is een virtueel dierding. In een soort sleutelhanger waar een mini-computerding aan hangt. Ofzo. Met knopjes. Ik denk dat wiki je wel meer kan vertellen.

** Probeer dit nou niehiet….

Bloemetjesjurk

Toen ik zo’n kleine honderd jaar geleden zwanger was -voor mijn gevoel dan, want de jongste Dochter is pas vijf jaar dus zo lang geleden kan het niet zijn- vierden vrienden van ons hun liefde. Enkele maanden daarvoor waren ze getrouwd, in Amerika, en dat moest natuurlijk nog een keer heel dik gevierd worden voor de vrienden in Nederland (en terecht! De liefde kun je niet vaak genoeg vieren.)

Het thema van het bruiloftsfeest was ‘ruitjes en bloemetjes’.

Oohhh…

Daar sta je dan met je bolle zes/zeven maanden buik. Ruitjes op een bolle buik? Neh.

Bloemetjes?

Heb je wel eens feestelijke zwangerschapskleding met bloemetjes erop gezien?

Of een bolle bloemetjesbuik? Neh.

Maar verdomd, ik had het niet kunnen bedenken. Enkele weken later liep ik vlak voor het grote feest bij de enige fijne kledingwinkel voor bolle dames tegen het ultieme bloemetjesjurkje aan. Oke, het decolleté hing wat laag voor mijn ontplofte melktieten, maar een veiligheidsspeld bood een kuise uitkomst. Die veiligheidsspeld zit er nu, zes jaar later, nog steeds in, overigens. Ook toen ik hem gisteren aantrok.

Het was een verwarmend lief feest vol spetterende liefde en blijheid, zelfs met één glas champagne (oké, stiekem twee, of drie, sorry, voor die éne keer lieve baby A…… maar daarna spa, oke, vier, ik geef toe…) werd ik er emotioneel van. In mijn bloemetjesjurk.

Daarna heb ik de jurk ver weg achterin de kast gegooid, want ten eerste hield ik niet zo van jurken en ten tweede niet van bloemen. Hoewel zelfs ík vond dat ik er ‘wel oké’ uitzag op de foto’s. Maar smaken kunnen veranderen. Dat bleek.

Anyway.

De Dochters zijn nu 6 en 5, de bolle buik is ingedamd tot een, nouja, strak wil ik niet zo 1-2-3 zeggen, maar wel iets minder bol geheel…

En ineens, ondanks mijn antipathie voor bloemetjesjurken, trok ik deze week zomaar, zonder enige waarschuwing het bloemenpositiejurkje aan. En het stond nog best oké, constateerde ik, al ronddraaiend voor de spiegel.Was er blij mee.

De Dochter L. zag me op de gang en riep uitgelaten:’Oh Anne, kijk nou eens wat mama aan heeft.’ Ik liep door en ging koffie zetten, het was nog vroeg. Geen commentaar.

Dochter A riep verheugd uit:’Oh mama, in die jurk heb je een baby in je buik, toch? Ja toch?’

Hoe weet zij dat nou weer? Zij zat toen ín die buik…….He?

Ik keek in de spiegel en bekeek mezelf vanaf de zijkant. Mwa, niet overtuigend een babybuik, maar ik snapte haar wel.

Kut.

Bedankt lieve Dochter A.

Ik liet mijn buik betasten door de Dochter terwijl ik zei:’Ja, ik heb nu deze jurk aangedaan omdat…..’?

‘Je er blij door wordt?’ antwoordde dochter L.  Die kent mijn stemmingen inmiddels ook wel.

Juist. Een jurk waar ik blij van word. Van de bloemen, van de zacht strelende stof op mijn huid, van de herinnering van de verwachting, van de herinneringen aan het vieren van een heleboel liefde en gestolen champagnemomenten, blote voeten in het gras, iemand die zegt ‘ik ga ff kotsen,  zo weer terug’. En dat dat ook zo geschiedde, terloops. En van een kampvuur, een stralende ballon in de lucht, voor de mensen die gemist worden. En van een bijzonder lief feest en mooie momenten.

En hoe lastig alles soms is, het kan ook allemaal simpel zijn. Soms. Een jurkje aantrekken, overspoeld worden door de herinnering, de koffie in de ochtend, een boek afronden, de heerlijke kinderen, de liefde die gevierd moet worden. En dat ik dan nu, een dikke 5 jaar later, in dezelfde jurk een heel ander mens ben, of lijk? Dát weet ik nog niet helemaal. Ach nee, ik ben dezelfde ik die misschien wat geleerd heeft, of niet, maar nog steeds dezelfde. In mijn bloemetjesjurk.

Zo. Zie hier. De jurk.

Jurk en liefde

 

Mountainbike revisited

Ergens vóór het jaar 2002 kocht ik een mountainbike. Een geel met zwarte Giant, ATX 860 afgemonteerd met Sram 7 (dit voor de kenners of de liefhebbers).

Hoe ik weet dat het voor 2002 was? In het (nog steeds) bemodderde zadeltasje (ja, sorry, als amateur moet ik toch echt zelf mijn band plakken en dus zijn bandenlichters, reserveband en pompje onmisbare attributen), vond ik een oud lidmaatschapspasje van Bar End, de plaatselijke mountainbikevereniging, waar  vetgedrukt het jaartal, 2002 opstond. En aangezien ik niet direct na de aankoop van mijn mountainbike lid zou zijn geworden van een club (want dan zouden ze direct zien dat ik helemaal niet kan mountainbiken. Ik moet eerst oefenen) is de aankoop waarschijnlijk in 2001 geweest.

Na een jaartje in mijn eentje rijden, met trillende benen, want met grote angst voor grote honden en wilde zwijnen, en op twee vaste routes, want mijn richtingsgevoel laat te wensen over en in een bos lijkt alles overal hetzelfde zodat links ook rechts kan zijn en andersom, concludeerde ik dat het anders moest.Ik zou bij een mountainbikeclub gaan.

Bij Bar End reden we elke dinsdagavond samen door het bos, onder begeleiding van iemand die de weg wist en die ons trainde. Ik lag voortdurend achteraan, angstig als ik was om te dicht op mijn voorganger te rijden. In een groep rijden is ook chaos, want overal mensen, en aanwijzingen die geschreeuwd worden en mensen die voor je wielen rijden en dan ook nog eens boomwortels die mijn wielen dwars zitten. En niet op tijd uit kunnen klikken, ook dat nog.

Maar goed, na enkele jaren rijden met Bar End ging ik in een poppodium annex filmtheater werken, werd mijn dag- en nachtritme daardoor een beetje in de war  gegooid of omgekeerd, zat het mountainbiken er niet meer in en dronk ik vooral veel bier.

De afgelopen tien jaar heeft de mountainbike dan ook vooral in de weg en/of in de schuur gestaan.

Exit relatie. Het grote huis (met dito garage) werd ingeruild voor een slaapplek bij mijn ouders (in het bed waarin ik verwekt was, saillant detail die ik liever niet had geweten), daarna een kamer met eigen voordeur, op mezelf maar met warmte nabij, bij mijn ‘tweede ouders’, waar ik meer dan een half jaar gewoond heb. Daarna een kamer in een huis dat vooral bewoond werd door uitzichtloze types, net als ik destijds leek, denk ik. Maar de Mountainbike verhuisde altijd mee. Net als mijn racefiets. Ze hebben beiden aan elkaar geketend in vervallen schuren of mooi opgeruimde garages gestaan.

Nu is de racefiets verkocht (want die bleek 3 maten te groot te zijn, wat ik al vermoedde tijdens het rijden, en een nieuwe gekocht, maatje XS deze keer) en de mountainbike stond tot gisteren in de schuur. Stil te staan.

De afgelopen weken bedacht ik me steeds vaker dat het wel lekker zou zijn om te mountainbiken. Het hoofd leeg maken in het bos, lekker sturen op smalle single tracks en scheuren door de modder, ja, ik zag het wel zitten.

En zo ontstond het plan om de mountainbike op te knappen. Dat plan bleek, zoals vele plannen, in het hoofd goed te gedijen, maar daar bleef het dan ook bij. Tot we constateerden dat de Zoon zijn fiets was ontgroeid. En aangezien de Zoon vaker bij zijn moeder (niet ik) is dan bij zijn vader (mijn lief), en een compleet nieuwe fiets eigenlijk een beetje too much was voor die enkele keren per jaar dat hij hier een fiets nodig heeft, pasten alle stukjes in elkaar. En zo werd mijn mountainbike tóch nog opgeknapt. Fris gewassen, soepeltjes geolied, de bandjes niet eens poreus. Het enige dat restte was het aanschaffen van een nieuwe zadelpen. En als dát gebeurt is, ja, dan heb ik een mountainbike die het weer doet en dan heeft de Zoon hier een fiets om op te fietsen.

Het wachten is nu nog op een nieuwe zadelpen.  Het plan om deze aan te schaffen is er al, dus de eerste stap is gezet.

— to be continued.

 

 

De Heks En Het Kind

Vakantie kan soms lang duren, té lang. Vooral met kinderen. En vooral als je tussendoor probeert te werken en het kamperen al weer even geleden is. Na drie weken van uitgestrekte structuurloze vakantiedagen hebben de zes- en de vijfjarige een logische, vast welverdiende, maar strontirritante hangdag.

Met twee meiden tegen me aangeplakt zat ik op de bank. In mijn eigen hangdag. Met mijn eigen boek nog in mijn hoofd hield mijn creativiteit op bij het voorstel om samen een verhaal te bedenken. Na enig gesputter ‘Ik heb geen verbeelding, mama’. En ‘ik kan dat toch niet’. begonnen we. Of eigenlijk ik. Met als begin een vrouw in een groot en donker huis. De suggesties rolden binnen. “Het is een heks’ zei L. ‘En wat doet die heks dan?’ vroeg ik. ‘Die gaat kinderen meenemen’ zei A. En zo geschiedde. L. bedacht de zinnen, ik maakte het sóms een beetje logischer en in een uur tijd hadden we een kinderboekenbestseller geschreven. Denk ik. De ruzie om de naam van de hoofdpersoon duurt overigens nog voort. De strijd gaat tussen ‘Sneeuwkristal’ en ‘Sanne’. Beiden gekozen door de (verschillende) dochters. Die nu nog steeds ruzie maken, over de naam, maar het is opgeschreven en besloten.

Bij kinderboeken horen natuurlijk illustraties. L. begon voortvarend het enge donkere huis te tekenen, met spinnenwebben aan de deurposten en een krakende deur (ja, dat kan je tekenen, dan zet je er “IE IE IE’ bij).

De Heks en het Kind

Ik mocht de heks tekenen. Hoe ziet een heks eruit? Ik had geen idee, maar Google Images gaf me een paar mooie voorbeelden (dank aan de royalty vrije stockafbeeldingen) en zo tekende ik de heks na. Op haar bezem.

heks vliegt

Ik tekende verder terwijl de dochter afgeleid weer een spelletje deed op de iPad. Elke keer als ik een tekening af had hield ik hem glunderend omhoog, ‘Kijk.’ In sommige dingen ben ik het kinderstadium nog niet voorbij. De Man schoot steeds weer in de lach, de bewondering van de dochters was groot. ‘Mooi mam’ waarna ze zich weer over hun spelletje bogen. Gelukkig kon ik toch nog wat aandacht krijgen voor de laatste tekeningen, die L. heeft gemaakt, de tekeningen van de ”prinses’, maar die is eigenlijk geen prinses, maar wel heel mooi, maar ze is eigenlijk gewoon een mama. Met een hartjesjurk.’

Heks wordt mama en het kind

Deze lome zondag besteed aan het inscannen van de tekeningen, plakken in het geschreven verhaal in Word, zodat we het morgen uit kunnen printen, en het kopiëren en plakken in een online gemaakt fotoboek, zodat het een écht boek wordt. Met achterflap en voorkant. Maar dat is een verrassing die over enkele dagen op de mat ploft. De trots die nu al op hun gezichten te lezen was, om hún verhaal in woord en beeld te zien, en dat slechts in Word, was al zo tof. ‘Wow mam, dat hebben wij gemaakt hè!?’ En de verbazing en de trots wanneer ze over een paar dagen hun eigen boek in hun handen houden.. kan ik me alleen nog maar inbeelden.

Wat zo mooi was, en gelukkig maakte, waren zoveel dingen in slechts enkele uren tijd. De zesjarige die opmerkte dat ze tóch wel fantasie heeft, de vijfjarige die het centrale thema bedacht, de verwondering en het verkneukelen en verheugen en grinniken van beide dochters om de gekke verhaallijnen, de enorme lol bij het bedenken van de verschillende mogelijkheden van het verhaal, de conclusie dat ik écht niet kan tekenen maar het uren met heel veel plezier heb gedaan. En tot slot de opwinding, want morgen gaan we naar kantoor om het Word-document te printen…… Spannend, ik ken het gevoel. Alleen had ik geen tekeningen erbij gemaakt. Misschien toch maar doen, is wel erg leuk, al ligt mijn talent duidelijk elders.

kind boven soep