Terugblik van een Optimist

Er zijn periodes waarin krankzinnigheid meer nabij was dan gewenst, waar de hele DSM van toepassing leek. Zwartgalligheid, zo heette het in de betere perioden, dat klonk wat luchtiger; humor als verpakking. Trek de strik eraf eraf, laat de inhoud wegspoelen. Het leven uitgepakt, gevierd, geweest. Het was een feest, al met al.

 

 

Selffulfilling Prophecy

Leef elke dag alsof het je laatste is, Carpe diem!

Als ik dat zou doen dan zou ik elke dag e-n-orm naar de klote gaan en zou elke dag zomaar één kunnen worden. Waarmee de geldigheid van het optimisme waarmee men deze oneliner uitspreekt, teniet gedaan wordt; de levenslust als selffulling prophecy naar de klote.

 

Beperkingen

“Ik denk niet in beperkingen, ik denk in mogelijkheden.”

Voldaan kijkt ze om zich heen. Kin omhoog, kijk mij eens.

Wat was ik het lang met haar en met dit motto eens. Wat telt is wat je kunt, niet wat je niet kunt! Hoezee! Geen maakbare samenleving, maar wel het onderste uit de kan halen, geen beperkingen, joh, tuurlijk niet, want er is nog heel veel wél mogelijk! Toch? Nou dan.

Totdat ik voor de zoveelste keer keihard onderuit geschoffeld werd, met de dood nabijer dan het alternatief.

Depressie noemen ze dat; of, om precies te zijn: “zware klinische depressie”

Klinkt als: oké, laat alles op zijn beloop, geef je over en worstel… doe alles om beter te worden. Want, beter kun je worden; het is maar psychisch, jij bent sterk, je kunt dat.

Dat dacht ik, jarenlang. Worstel, strijd, overgave, maar niet helemaal, want hé, het is psychisch; geen enkel lichamelijk teken duidt op dood (aka, raap jezelf eens even bij elkaar, slappeling). Of het moeten mijn voeten op het spoor zijn, mijn vingers boven de toetsen die dingen bestellen op iets dat het Dark Web heet, mijn armen die ik op de balkonleuning van de 10e laat rusten, krassen all over. Maar hé, je kunt het.

En ik moet niet in mijn beperkingen denken, maar in mijn mogelijkheden.

De afgelopen tijd ben ik vooral dóórgegaan. Want, gezin, kinderen. Ik kan de handdoek niet in de ring gooien. Alles staat op het spel; ons bedrijf, ons inkomen. ik kan niet omvallen. Doorjakkeren was het credo. Of, zoals Kees de Jongen al zei:”Dóór, ik moet dóór!”

So it goes; dóór.

Na bijna twee jaar therapie kregen we het door, de psych en ik; de uitlokker, de boosdoener… of in elk geval ‘één van de ‘triggers’, voor mijn depressie is een overprikkelheid; te druk, te veel, herrie, prikkels, drukte…Of misschien niet eens de prikkels alswel mijn reactie daarop.

Mijn automatische reactie op drukte is een tandje bijschakelen. Net zolang tot ik omval. Maar dat ik om was gevallen merkte ik pas wanneer ik thuis was.

Het denken in mogelijkheden deed mij in dit geval meer kwaad dan goed.

Juist het denken in beperkingen opent  meer deuren dan je denkt. De beslissing, en het uitspreken ervan:

“ik werk maximaal 4 uur per dag. En 3 dagen per week. Nee, ik werk niet ’s avonds.” Dat was het begin. Sociale ‘events’ mijden kwam daarna. Noodgedwongen.

Het klinkt zo fijn, en lekker ontspannend, ‘met een vriendin bijkletsen en naar de film.’ Soit, dat is het ook, bij de gezonde ik. Maar nu niet. Alsjeblieft niet zeg. Laat me, op de bank, in joggingbroek, met Netflix of Fortnite. In de avond is alles op,  heb ik niks meer te geven. Is het op.

En dat kost vrienden.

En misschien ook wel klanten. Want, is een succesvolle ondernemer niet all the time aanwezig? En de malibox stopt niet, alles lijkt urgent. Tot je even stil staat! En er niks urgent meer is.

De afgelopen drie jaar heb ik me gericht op de mogelijkheden en heb ik de onmogelijkheden ontmoet. Beiden zijn evenveel waard. Een beperking is geen mislukking.

De uitspraak “Ik denk niet in beperkingen, ik denk in mogelijkheden” is vooral heel absurdistisch. Het dwingt alles in een hoopvol beeld. Maar natuurlijk zijn er beperkingen; waarschijnlijk zelfs meer dan mogelijkheden. Beperkingen zijn niet verkeerd, moeten niet ondergeschoffeld worden. Integendeel. Ik heb jaren voortgejakkerd, tot ik omviel en mijn beperking ook mijn uitkomst bleek,

Nu ken ik mijn beperkingen; die zijn waardevoller dan mijn mogelijkheden; want zonder beperkingen ken ik mijn mogelijkheden niet. En zonder mijn beperkingen te kennen zijn mogelijkheden onbenaderbaar.

“Ik denk in beperkingen, dat zijn mijn mogelijkheden.”

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Korte verhalen

Goed, korte verhalen dus.

In de afgelopen zomervakantie heb ik liggend aan het zwembad, voor de tent, op de wiebelende campingtafel of op de grond in een nieuw schrift met op de kaft vele roze flamingo’s die ik steevast ‘eenhoorns’ noemde, een verhaal geschreven.

Niet volgens plan overigens, maar ja, hoe dat dan gaat.

De eerste zin dringt zich op. Ik draai me om. Nu niet zeg, ik lig net lekker op te drogen. Als ik me voor de tweede keer insmeer met factor 30 rolt een personage mijn hoofd binnen. Zucht, ik kan dan wel gewoon rustig willen zwemmen en zonnen, er is iets in mij dat daar anders over denkt. Negeren.

Drie uur later zit ik ongemakkelijk ver voorover gebogen op een ingezakt campingstoeltje bij het schijnsel van drie waxinelichtjes toch maar de eerste zin op te schrijven. Dan heb ik dat gehad, hoef die niet meer te onthouden en zal er thuis mee verder gaan.

Tijdens nachtelijk geklets met mijn Lief, onder de sterren met een vest over me heen getrokken tegen de kou en een 3-lier pak Chardonnay binnen handbereik, stormt een tweede personage mijn verhaal binnen.

Is het nog nodig te zeggen dat na een nacht, een ontbijt met baguette, een wandeling door Autun, een serie salto’s in het zwembad en tien baantjes, ik wist dat het onontkoombaar was.? Het schrift met de eenhoorns werd naast de zonnebrand, fles water en boek, het vierde vaste item in mijn zwembadtas.

Voor het eerst sinds tijden schreef ik weer met de hand; pen en papier. Schrappen, in plaats van de delete-toets indrukken. Eerst nadenken, dan schrijven. Dat werk.

De kinderen hadden viltstiften gekregen. Nee, niet afhaken nu, dit hoort er even bij. De zoon van de Lief verveelde zich.  De eerste cover van mijn verhaal was hiermee ingezet. Met oprechte inzet, eerst potlood, dan overtrekken met stift, 3D-effecten maken, uitgummen en opnieuw beginnen; urenlang werkte hij eraan met een supermooie, strakke cover als gevolg.

Goed, nu kon de rest, inclusief mijzelf niet achterblijven. Met als gevolg dat dit verhaal, dat begon met één lullig zinnetje, nu 5 mooie illustraties heeft: door de man, mijzelf en de 3 kinders.

De titel: Hotel met zwembad, 2.810 woorden

De illustraties: 5 covers…… komen later, vanwege de supercreatieve reden dat deze op mijn computer op kantoor staan. Boem, back-to-werkplek-earth, sorry.

Voor de salto’s: check mijn Insta.

En de vakantie? Die was subliem, met of zonder eenhoornschrift.

Driemaal hoog van de toren

Drie titels staan in mijn map ‘Schrijven’.

De twee eerste zijn korte verhalen, de laatste is een boek, een verhaal, een novelle, of hoe gij dat ook noemt, in de categorie ontwikkelingsroman, al klinkt dat wat te hoog van de toren voor een ongepubliceerd schrijver.

En misschien is het dat ook wel, te hoog van de toren, want: al zo ontzettend vaak geredigeerd, herschreven, bijgeschaafd en van kritiek laten voorzien; een leesproef door een gelauwerd auteur, een redigeer ronde door een schrijfcoach, en. Nog. Niet. Af. Nog. Niet. Goed. Nog. Een. Concept. Moe word je ervan. Jij ook al? De helft van het verhaal kan me zeker plezieren. Laat dan nou helaas alleen de tweede helft zijn. Het begin is roestig maar valt natuurlijk niet zomaar te schrappen; want dan leunt het verhaal op drijfzand.

Een nieuw begin leek enige tijd het enige dat restte; maar het bleef steken bij duizenden keren een woordje veranderen, net zolang tot er bijna precies hetzelfde stond, maar dan in andere woorden. Zo kom je dus niet verder, concludeerde ik, en klapte mijn laptop dicht en weer open, want met stoppen is nog nooit iemand verder gekomen.

De drie eerste hoofdstukken naar een ander deel van het verhaal verplaatsen, zou dat werken? Drie avonden lang copy, paste en schuif ik met tekstdelen tot ik in volledige paniek het verhaal kwijt ben. Dat wil zeggen, de opzet, de structuur, de spanningsboog die ik heus echt wel had gecreëerd; allemaal weg. Dus dat bood ook weinig soelaas.

Wanneer met schrappen van het begin het fundament weg wordt geslagen en verplaatsen alles in chaos plaatst, wat blijft er dan nog over om het verhaal wél kloppend te maken? Zodat hoofdstuk 4 tot en met achttien zo vanzelf voortvloeien uit 1 t/m 3 dat het niet anders zou kúnnen zijn dan dat?

 

Meer lezen?

Beschermengel – over schrijven, of wat er blijft.

Buiten spelen – over kinderen en, vooral eigenlijk, moederzorgen.

Een jaar later dan vorig jaar – *tip van de redactie 🙂

Jansen – over een schrijfcafé en een naam, mijn naam.

 

 

 

 

Troost

skateboard

De zevenjarige is ziek thuis. Althans, dat was ze, gisteren. Ziek. Nu is ze inderdaad thuis maar stukken aanweziger dan gisteren met haar 39 graden koorts en een emmer naast de bank. As we speak propt ze met verdacht enthousiasme een restje chips naar binnen. De misselijkheid van gisteren is voorbij, constateer ik.

Dat de dochter beter is heeft ze zelf nog niet door, liggend op de bank Netflix scrollend langs  Super Monsters en Boss baby, baby Boss, zoiets. Ik laat het even zo, een dochter die nog ziekig denkt te zijn is makkelijker te combineren met wat werkklusjes dan een dochter die op op plundertocht door het huis raust (roust? Allez, stuitert of rent, voldoet ook.) en elke 2 minuten alles uit haar handen laat vallen om iets nieuws te beginnen.

Maar dat kan nooit lang duren; op een gegeven moment heeft de dochter door dat ze zich eigenlijk best oké voelt en is het voorbij met werklust. Spelletjes doen moet ik. En kleurplaten printen, en Uno doen, mee naar buiten, samen skateboarden, ik krijg het druk. Ik weet het te beperken tot samen tekenen.

Tot we de zesjarige dochter van school moeten halen.

‘Mag ik op mijn skeelers?’

‘Ja hoor, ga je gang.’

Ach, dacht ik, zal ik haar dan een plezier doen, en nu samen skateboarden? Ze vraagt er al de hele dag om. Wat een sympathiek idee van mezelf.

‘Zeg, Lot; als jij nou op je skeelers gaat zal ik dan op mijn longboard gaan?’

De dochter kijkt me aan alsof ik gek geworden ben.

‘Nee man, doe niet zo idioot zeg, ik schaaaaaaam me dood!’

Ze kijkt me vorsend aan, lacht toegefelijk.

‘Je staat echt voor gek mam.’

Haar toon is troostend. Gek, zo vat ik het niet op.

 

Beschermengel

Mijn verhaal is mijn best beschermde schat (dit is mijn eerste leugen; mijn best beschermde schatten zijn uiteraard mijn Lief en de kinders).

Mijn verhaal bewaar ik in 100 verschillende versiebeer-documenten in the cloud. Zo bang ben ik  om ze kwijt te raken.

Krampachtig elke avond save as, en opslaan in drive en ook nog als pdf.

Alles gecheckt en gedekt, denk je…(je voelt hem al….)

Ergens in de zomer liep mijn laptop vast, was enkel nog traag als appelstroopstront. Een reset was de enige optie. Dat pakte ik het heel geordend aan, vond ikzelf: alle mappen uploaden naar online drive, een herkenbare naam geven, en daarna weer terugzetten.

Och, de theorie….  Daarom hou ik zo van theorie. <3

Gisteravond wil wil ik mijn manuscript bijschaven, met nieuwe ideeën, verhaallijnen, gedachten.. Waar heb ik dat ding opgeslagen? Zweet breekt los.

Ik zoek, en zoek, maar ik blijf alleen; zonder manuscript. Waar blijft het verhaal als ik los laat?

Twee dagen later vind ik ergens op een online drive van godbetert mijn bedrijfsaccount (waar ik dus nooit iets in opsla, laat staan dat ik erin op zoek ga naar een kwijtgeraakt document) een pdf van mijn manuscript. ‘Open with Google documents’ blijkt de enige manier om het bewerkbaar te openen.

Wat een ellende.

Een opmaak van niks, alles door elkaar, een structuur om in te verdwalen…. huilen. Alles teloor.

Een verhaal is meer dan woorden.

Mijn lief praat me moed in. ‘Je hebt je boek nog’.

Ik knik, ergens blij omdat de tekst gered is, maar vooral ook verdrietig omdat de vorm, waar ik dagenlang aan heb gewerkt, weg is. Het voelt als opnieuw beginnen.

Wat het ook is, want. ‘Waar blijft alles als het losgelaten is?’

 

 

Het is, toevallig of niet, de week tegen het pesten

‘Nietes! Ik kén dat wel van jullie!’

Een jongen van een jaar of 11, 12, kijkt in de verte. Niet naar zijn vrienden, of klasgenoten die twee meter verderop staan, niet naar mij of andere voorbijgangers in de drukke winkelstraat, waar hij wél naar kijkt weet ik niet maar zijn gezicht spreekt meer dan boekdelen. Hij is verloren dat zie ik wel.

‘Niets zeggen’ sist één van de jochies van verderop. ‘Zeg maar dat we straks komen.’

Ik kijk om, naar hem. Naar die jongen die van een afstandje met strak gebalde vuisten naar zijn vrienden kijkt. Zijn blik smeekt, zie ik, herken ik.

Hij, alleen bij de prullenbak. De vrienden meters verderop, fluisterend, lachend, waarbij ze steeds even omkijken of hij het hoort, of hij nog kijkt; een groep die bij elkaar hoort, dat zie je zo. Hij staat er meer dan de twee meter bij vandaan.

‘Jullie zeggen nu wel dat jullie zo komen, maar dat ken ik! Dan sta ik weer een half uur te wachten!’ Strakke mondhoeken, één tegen vijf. één tegen de wereld. Kom maar door. Kom nou…. Kom?

Dan laat hij laat zijn armen zakken. Zijn omhoog gekropen shirt laat een bult buik zien. De vriendjes kijken weg.

 

 

Tafel dekken

Mijn vingers hangen boven het toetsenbord, nu al minutenlang. Nou, nu niet meer natuurlijk, maar net nog wel. Mijn stoel staat nét te ver van mijn bureau. Ik zit op het puntje en kan net niet bij het toetsenbord van mijn laptop. De spieren in mijn nek trekken. Ik leun op mijn tenen, wiebel in een mantra heen-en-weer, neem een slok thee en kijk dan van onder mijn bril naar boven; de helft wazig, de helft scherp. Zoals ik vaker op de helft balanceer.

Soms letterlijk, op de drempel van de woonkamer en de gang; minutenlang, twijfelend waar ik heen moet, of vergeten wat ik van plan was. Waar wil ik heen?

Als de drukte om me heen zo groot is dat mijn hoofd gonst als een dikke bromvlieg stopt mijn denken. Dat wil zeggen, het denken tracht, probeert, en duwt, maar alle pogingen stranden voor de gedachte af is. Meestal hakkel ik al na enkele woorden, weet ik niet hoe ik verder moet. Dan drie andere woorden… pauze…opnieuw beginnen…..twee andere woorden….nee, dat is de gedachte ook niet helemaal…. elk nieuw begin wordt opgezogen door de mist in mijn brein. Om mijn tollende hoofd in te dammen knijp ik mijn ogen zo stijf dicht dat de stipjes vormen worden (gedetailleerde Van Gogh’s, portretten van oma’s, vliegende vogels), speelt het liedje in mijn hoofd onverstoorbaar door (Firestarter,……. Rootboy…ToemToemBoem!!! Would’t it be nice……. Zoutelande……. Píng van de Playstation, tieuwdieuwdieuw., ping van een schelp tegen een glas, de jongste heeft haar schelpen in een ketting om haar hals samengebonden; het klingelt vrolijk voort, wat we gaan eten vragen drie kinderen). Dit helpt dus niet.

Tijd voor fase 2. Ik stuur mijn open ogen zo hard mogelijk naar boven, zie de rand van mijn bril en daarboven wazige foto’s die al jaren tegen die muur staan, zodat ik ze van binnen bijna kan uittekenen, zonder te zien.  De jongste, toen als peutertje, met felgekleurde maillots, armpjes te lang voor het kleine lijfje, knipjes om het haar uit haar ogen te houden, voorzichtige glimlach. De oudste, gespannen ontspannen lachend. Haar handen zie ik niet maar ik weet bijna zeker dat ze de leuning van de stoel vastgrijpt.

Witte knokkels. De houvast die zij, die ik, die wij nodig hebben.

De liedjes spelen door, nooit is het stil. Stemmen uit de keuken, schelle kinderstemmetjes vanaf de bank, schuin achter me. Pieeeeeep… (de wasmachine, of de droger, maar de droger zoemt anders, hoger en sneller. De wasmachine is luier, trager en donkerder. Logisch, natte kleding is zwaarder en donkerder dan droge). klik, een pen valt, ping, de oven piept, de klok is stil, beweegt wel, mauw, de poes, drie verschillende gesprekken, ik blok mijn hoofd. Mauw, nog een poes, mijn voet jeukt. ‘Lief ga jij zo ook aftypen?’

Ik moet wel knikken al wil ik niet aftikken. Dit is mijn rust. Hier kader ik in, orden ik, maak mijn eigen realiteit, een stuk overzichtelijker dan die van…. mij….de andere mij…… buiten dit getyp, maar net zo goed van mij.

Lief verteld me over de fles whisky die Henk van Straten Instagramde. Zijn boek heb ik net uit.

Writers Tears, was het label. Van de whisky, niet van het boek, boeken hebben geen label maar een uitgever. Daarover gesproken…..wees welkom …

Ik grimas. Wanner mag ik mezelf schrijver noemen? ‘Mama, de poezen moeten water.’ Ja doe maar, hoor ik mezelf zeggen. Weer Pearl Jam. Ik moet eigenlijk ook nog de btw overmaken. En maandag werken. Mijn voet jeukt, hopelijk geen schimmel. Fok, mijn medicatie vergeten, alweer. De dam om mijn hoofd; de dijk tussen de buiten- en de binnenwereld. Gevat in twee kleine pilletjes, viermaal daags. Water in de pan borrelt, kookt over, het water sist op het fornuis. Pasta, denk ik. Ik ga aftikken, Vuelta afgelopen, zaterdagmiddag bijna ten einde, ‘Tafel dekken’ roept de man. Ik tik af. De storm vervolgt.

Vorig bericht: buiten spelen
Over psychiaters
Over magie
Over liefde, depressie en hartjes, heel veel hartjes.
Een verhaaltje tussendoor