Zijn

Mama vanavond:

“Je wordt steeds meer jezelf.”

Dat komt binnen.

Ik was er niet.

Een dikke twee jaar lang.

Ik ben er weer. <3

#kutdepressie #<3 family

En dat op mijn verjaardag. #43

 

Skateboarden in het ‘volwassen’ leven is best, eh, ackward/tof!!/pijnlijk/moeizaam/ supertof en veel minder genant dan ik dacht

Mijn eerste skateboard werd bruut door een auto overreden. De automobilist reed door. Liet twee helften achter. Ik, een sprietig meisje van amper 12 stampte zo boos mogelijk op de stoep, maar het board bleef gebroken. De automobilist verdween.

Een kleine dertig jaar later, tijdens kamperen met de fam., gezellig, maar dan echt, kwam ineens het onbedwingbare verlangen om te skaten. Ogenblijkelijk vanuit het niets. De reis naar huis, van Frankrijk naar Nederland, was lang genoeg om uit te zoeken waar en wanneer er skatelessen zouden zijn.

Het kriebelde, ik wilde op een board staan, op-en-af-de-stoep-springen, ollies oefenen, zigzaggend de heuvel af. Ik weet nog steeds niet waar het vandaan kwam, maar het is nu, na bijna een jaar, nog niet weg. Sterker nog, er staan nu drie skateboards in huis: een pennyboard van de Dochter, mijn longboard en mijn 7,5 board, de standaardmaat.

Oke, er was veel schroom om over heen te stappen. Om als volwassen vrouw en ook nog moeder van kinders, aan te bellen bij een woonhuis in ’t Ford en daar van een dertienjarige voor twee tientjes zijn longboard over te nemen. En onhandig weg te fietsen, met het longboard onder mijn arm, nagekeken door de puber en zijn vrienden. En om daarna voor een kleine 6 euro een afgedankt 7,5 board over te nemen. De moeder van de eigenaar verontschuldigde zich voor de stofvlokken die aan de wielen kleefde. Ik haalde mijn schouders op.

En toen was alles in huis. Maar daar bleef het bij, want hoe kon ik nou als ‘moeder aka best-wel-oud…”  in de straat op en neer skaten (of wat daar voor door gaat)  en (onvermijdelijk) keihard vallen… Dat wat ik vroeger zonder problemen deed durfde ik niet meer…. Te bewust van mezelf.

Waar is de Rinske die zonder gene met haar bmx de buurt door croste, die op het skateboard over stoepen struikelde, onbeheerst de helling af suisde, over de wielen en eigen voeten struikelde en tóch nog onverwacht een ollie leverde?

Ik wil me niet wil schamen omdat ik iets wil leren en logischerwijs knalhard op het asfalt knal,  en ga op zoek naar goede plekken om ongestoord en onbeschaamd het skaten weer op te pakken.

Ik begin in de woonkamer; schuif de banken en het wielerbaantafeltje aan de kant en rol onzeker heen en weer. Rol harder, wissel van voorste been, maak een bocht. Ben blij. Ik val niet, ik glij, ik rol, hups mezelf een bocht door, wiebel, wankel, en val niet.

Na een week halfslachtig rollen in de woonkamer weet ik de dochter mee te krijgen. “Ga jij skaten, dan ga ik wel met je mee.’

Ik hoop dat ze mee wilt, slaak onbewust een zucht bij haar aarzelende ‘okeeeheeeeee’.

Ze rolt met mijn hand omklemt, kan het direct daarna zelf. ‘Laat maar los.’

Vastbesloten stept ze op haar board de weg over.

Ik hoef niet alleen; we zijn samen. We rollen samen over straat, ze valt, ik troost, ik val, ze troost en komt daarna niet meer bij van het lachen.

We komen er wel, samen.

 

 

 

 

GRIP – slim werken

GRIP, het geheim om slim te werken, is het nieuwe boek van Rick Pastoor. Tom heeft het boek al een tijdje geleden besteld en het ligt sinds deze week op de keukentafel.  Het begint al goed, met de constatering dat werken bijna het enige is dat je nou juist níet wordt geleerd. Je wordt geacht het zomaar te kunnen; productief zijn, prioriteiten stellen, je werk afkrijgen, doelen stellen.

Agenda indelen, de Eisenhouwer matrix (belangrijk / urgent), Evernote, takenlijsten…. de meeste punten en tools die in het boek besproken worden ken ik al wel. Maar juist door de pragmatische manier waarop ik aan de hand wordt meegenomen krijg ik ineens door hoe ik al die technieken op een goede manier in kan zetten; de puzzelstukjes van agenda’s, takenlijsten, doelen, etc. passen in elkaar. Juist de pragmatische aanpak van het gehele proces eromheen is zó fijn voor een chaoot zoals ik. Niks nieuws, en toch alles anders.

Feuilleton – Podcast – Netflix –

‘Laat ik anders beginnen met een feuilleton.’

Hoe het woord uit stoffige jaren vanuit het niets in me op kwam weet ik niet, maar het was daar. Samen met de leunstoel, de pijp en de opengeslagen krant.

De definitie van het feuilleton weet ik niet precies (mijn woordenboek staat uit het zicht op mijn mini-bureau en mijn internet woordenboek is te traag, verder ben ik te lui.), maar het heeft te maken met een  vervolgverhaal, gepubliceerd in een krant. Elke week een nieuw hoofdstuk.

Meesters van het feuilleton uit vroeger tijden, die moet ik me toch herinneren? Mijn ouders lazen altijd de krant, ik las mee, later zelf….- moet het gezien hebben…

Van Dickens weet ik zeker dat hij feuilletons schreef, en Couperus, die begon volgens mij ook als feuilletonist (het dat zo?), maar verder komt er geen naam in me op. Het was in ieder geval iets van ooit, lang geleden.

Feuilleton, gedateerd maar nooit helemáál  weggeweest; vroeger, in Couperus’ tijdzone, bood het mogelijkheden aan debutanten om via hun verhalen in de krant tot een debuut te komen, nu hebben we podcasts, YouTube (abonneer en like hieronder! Deeel het met je vrienden en share!), auteurs die een publiek opbouwen via hun eigen site. Mogelijkheden te over.

Mooi voorbeeld hiervan is Paulien Cornelisse die haar supertoffe wonderbaarlijke roman De verwarde Cavia als podcast aan haar lezers liet horen. Met pauzes tussen de hoofdstukken, geduld, volgende week een nieuwe. Geduld!

Dat een feuilleton (of vervolgverhaal, podcasts, enz.) het ook nú nog goed doet is wonderlijk, in deze tijden van binge, waar een seizoen gemiddeld 2 dagen duurt, een miljoenenkostende serie in 3 dagen uitgebingd wordt, niemand meer kan of wil wachten op de volgende aflevering en alles erdoorheen gejaagd wordt. Net zolang tot je niet meer weet wat je wel of niet of bijna of half gezien hebt. En wat nog op je ‘toevoegen aan mijn lijst’ is. Desondanks wachten lezers / luisteraars / abonnees dan dus tóch geduldig, of ongeduldig, maar ze wachten wel, om verder te  willen lezen.

Geduld!

Het is de moeite waard.

 

 

 

 

 

 

 

 

Kerst 2

‘Wacht even, ik ben op school, hang net de kerstversiering op’

Ik had gezien dat ze mij  gebeld had, nu belde ik terug.  Ze wilde me vast spreken over het suïcidegedoe, zoals ik dat voor mezelf noemde. Of eigenlijk was ik het, die háár wilde spreken. De nood aan de man. Maar dat het niet echt uitkwam om over mijn somberte te praten terwijl zij op een keukentrapje balanceerde om kerstdecoratie op te hangen voor de klas van haar kleuterkroost snapte ik ook wel.. Ik was dan wel gek, maar niet helemaal.  De verbinding kraakte, ik hoorde dat ze een rustig plekje zocht, maar in een basisschool is dat tevergeefs.

Tien minuten later grinnikten we allebei om de situatie, therapie op een ladder, onder de lampjes, depressie en kerstballen, en dóór, want er wacht een kerstdiner met kleuters. Nee, het houdt niet op.

Een jaar later spreken we elkaar weer. Zo veel gebeurd in deze tussentijd, Ik praat over iets dat acceptatie voorstelt, ‘Zo is het nu, deal ermee. Het kan wel moeilijk zijn, tuurlijk, maar wie zei dat het allemaal makkelijk was? Nou dan, verzet je niet, doe wat kan en moet, banjer door de modder, worstel door het moeras, zo is het nu, en zo is het goed.‘ Nouja, niet helemaal goed, maar de overlevingsmodus staat aan, en daar doen we het even mee. Dat klinkt overwogen, uitgebalanceerd, alsof ik alles zooo goed op een rijtje heb; maar deze constatering is de uitkomst van een maandenlange worteling. So you know.

‘Heb jij de kerstversiering al opgehangen’ grap ik als we de serieuze onderwerpen gehad hebben.

‘Deze keer faal ik echt heel erg als moeder’ lacht ze. ‘Niks geen decoratie ophangen, maar wel op het allerlaatste moment  nog intekenen op de kerstdinerlijst, zoekend naar dat wat nog overblijft, ‘de blokjes kaas die niemand wil’ Nu lachen we samen, heel hard. Ook ik moet nog intekenen op de kerstdinerlijsten van de 2 dochters. Iets met fruit en koekjes gaat het worden.

‘Het doet me goed. Ik ontmoet in ons gesprek de herkenning, wij zijn beiden moeder van jonge kinderen, met gedoe, schoolpleinstress, herkenning. Dat de herkenning nabijer is dat de beroepsmatige afstand doet me goed. Dat mijn reddingsboei tegen dezelfde dingen aanloopt voelt alsof het nog wel goedkomt met mij, met ons.

 

Terugblik van een Optimist

Er zijn periodes waarin krankzinnigheid meer nabij was dan gewenst, waar de hele DSM van toepassing leek. Zwartgalligheid, zo heette het in de betere perioden, dat klonk wat luchtiger; humor als verpakking. Trek de strik eraf eraf, laat de inhoud wegspoelen. Het leven uitgepakt, gevierd, geweest. Het was een feest, al met al.

 

 

Selffulfilling Prophecy

Leef elke dag alsof het je laatste is, Carpe diem!

Als ik dat zou doen dan zou ik elke dag e-n-orm naar de klote gaan en zou elke dag zomaar één kunnen worden. Waarmee de geldigheid van het optimisme waarmee men deze oneliner uitspreekt, teniet gedaan wordt; de levenslust als selffulling prophecy naar de klote.

 

Beperkingen

“Ik denk niet in beperkingen, ik denk in mogelijkheden.”

Voldaan kijkt ze om zich heen. Kin omhoog, kijk mij eens.

Wat was ik het lang met haar en met dit motto eens. Wat telt is wat je kunt, niet wat je niet kunt! Hoezee! Geen maakbare samenleving, maar wel het onderste uit de kan halen, geen beperkingen, joh, tuurlijk niet, want er is nog heel veel wél mogelijk! Toch? Nou dan.

Totdat ik voor de zoveelste keer keihard onderuit geschoffeld werd, met de dood nabijer dan het alternatief.

Depressie noemen ze dat; of, om precies te zijn: “zware klinische depressie”

Klinkt als: oké, laat alles op zijn beloop, geef je over en worstel… doe alles om beter te worden. Want, beter kun je worden; het is maar psychisch, jij bent sterk, je kunt dat.

Dat dacht ik, jarenlang. Worstel, strijd, overgave, maar niet helemaal, want hé, het is psychisch; geen enkel lichamelijk teken duidt op dood (aka, raap jezelf eens even bij elkaar, slappeling). Of het moeten mijn voeten op het spoor zijn, mijn vingers boven de toetsen die dingen bestellen op iets dat het Dark Web heet, mijn armen die ik op de balkonleuning van de 10e laat rusten, krassen all over. Maar hé, je kunt het.

En ik moet niet in mijn beperkingen denken, maar in mijn mogelijkheden.

De afgelopen tijd ben ik vooral dóórgegaan. Want, gezin, kinderen. Ik kan de handdoek niet in de ring gooien. Alles staat op het spel; ons bedrijf, ons inkomen. ik kan niet omvallen. Doorjakkeren was het credo. Of, zoals Kees de Jongen al zei:”Dóór, ik moet dóór!”

So it goes; dóór.

Na bijna twee jaar therapie kregen we het door, de psych en ik; de uitlokker, de boosdoener… of in elk geval ‘één van de ‘triggers’, voor mijn depressie is een overprikkelheid; te druk, te veel, herrie, prikkels, drukte…Of misschien niet eens de prikkels alswel mijn reactie daarop.

Mijn automatische reactie op drukte is een tandje bijschakelen. Net zolang tot ik omval. Maar dat ik om was gevallen merkte ik pas wanneer ik thuis was.

Het denken in mogelijkheden deed mij in dit geval meer kwaad dan goed.

Juist het denken in beperkingen opent  meer deuren dan je denkt. De beslissing, en het uitspreken ervan:

“ik werk maximaal 4 uur per dag. En 3 dagen per week. Nee, ik werk niet ’s avonds.” Dat was het begin. Sociale ‘events’ mijden kwam daarna. Noodgedwongen.

Het klinkt zo fijn, en lekker ontspannend, ‘met een vriendin bijkletsen en naar de film.’ Soit, dat is het ook, bij de gezonde ik. Maar nu niet. Alsjeblieft niet zeg. Laat me, op de bank, in joggingbroek, met Netflix of Fortnite. In de avond is alles op,  heb ik niks meer te geven. Is het op.

En dat kost vrienden.

En misschien ook wel klanten. Want, is een succesvolle ondernemer niet all the time aanwezig? En de malibox stopt niet, alles lijkt urgent. Tot je even stil staat! En er niks urgent meer is.

De afgelopen drie jaar heb ik me gericht op de mogelijkheden en heb ik de onmogelijkheden ontmoet. Beiden zijn evenveel waard. Een beperking is geen mislukking.

De uitspraak “Ik denk niet in beperkingen, ik denk in mogelijkheden” is vooral heel absurdistisch. Het dwingt alles in een hoopvol beeld. Maar natuurlijk zijn er beperkingen; waarschijnlijk zelfs meer dan mogelijkheden. Beperkingen zijn niet verkeerd, moeten niet ondergeschoffeld worden. Integendeel. Ik heb jaren voortgejakkerd, tot ik omviel en mijn beperking ook mijn uitkomst bleek,

Nu ken ik mijn beperkingen; die zijn waardevoller dan mijn mogelijkheden; want zonder beperkingen ken ik mijn mogelijkheden niet. En zonder mijn beperkingen te kennen zijn mogelijkheden onbenaderbaar.

“Ik denk in beperkingen, dat zijn mijn mogelijkheden.”

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Korte verhalen

Goed, korte verhalen dus.

In de afgelopen zomervakantie heb ik liggend aan het zwembad, voor de tent, op de wiebelende campingtafel of op de grond in een nieuw schrift met op de kaft vele roze flamingo’s die ik steevast ‘eenhoorns’ noemde, een verhaal geschreven.

Niet volgens plan overigens, maar ja, hoe dat dan gaat.

De eerste zin dringt zich op. Ik draai me om. Nu niet zeg, ik lig net lekker op te drogen. Als ik me voor de tweede keer insmeer met factor 30 rolt een personage mijn hoofd binnen. Zucht, ik kan dan wel gewoon rustig willen zwemmen en zonnen, er is iets in mij dat daar anders over denkt. Negeren.

Drie uur later zit ik ongemakkelijk ver voorover gebogen op een ingezakt campingstoeltje bij het schijnsel van drie waxinelichtjes toch maar de eerste zin op te schrijven. Dan heb ik dat gehad, hoef die niet meer te onthouden en zal er thuis mee verder gaan.

Tijdens nachtelijk geklets met mijn Lief, onder de sterren met een vest over me heen getrokken tegen de kou en een 3-lier pak Chardonnay binnen handbereik, stormt een tweede personage mijn verhaal binnen.

Is het nog nodig te zeggen dat na een nacht, een ontbijt met baguette, een wandeling door Autun, een serie salto’s in het zwembad en tien baantjes, ik wist dat het onontkoombaar was.? Het schrift met de eenhoorns werd naast de zonnebrand, fles water en boek, het vierde vaste item in mijn zwembadtas.

Voor het eerst sinds tijden schreef ik weer met de hand; pen en papier. Schrappen, in plaats van de delete-toets indrukken. Eerst nadenken, dan schrijven. Dat werk.

De kinderen hadden viltstiften gekregen. Nee, niet afhaken nu, dit hoort er even bij. De zoon van de Lief verveelde zich.  De eerste cover van mijn verhaal was hiermee ingezet. Met oprechte inzet, eerst potlood, dan overtrekken met stift, 3D-effecten maken, uitgummen en opnieuw beginnen; urenlang werkte hij eraan met een supermooie, strakke cover als gevolg.

Goed, nu kon de rest, inclusief mijzelf niet achterblijven. Met als gevolg dat dit verhaal, dat begon met één lullig zinnetje, nu 5 mooie illustraties heeft: door de man, mijzelf en de 3 kinders.

De titel: Hotel met zwembad, 2.810 woorden

De illustraties: 5 covers…… komen later, vanwege de supercreatieve reden dat deze op mijn computer op kantoor staan. Boem, back-to-werkplek-earth, sorry.

Voor de salto’s: check mijn Insta.

En de vakantie? Die was subliem, met of zonder eenhoornschrift.

Driemaal hoog van de toren

Drie titels staan in mijn map ‘Schrijven’.

De twee eerste zijn korte verhalen, de laatste is een boek, een verhaal, een novelle, of hoe gij dat ook noemt, in de categorie ontwikkelingsroman, al klinkt dat wat te hoog van de toren voor een ongepubliceerd schrijver.

En misschien is het dat ook wel, te hoog van de toren, want: al zo ontzettend vaak geredigeerd, herschreven, bijgeschaafd en van kritiek laten voorzien; een leesproef door een gelauwerd auteur, een redigeer ronde door een schrijfcoach, en. Nog. Niet. Af. Nog. Niet. Goed. Nog. Een. Concept. Moe word je ervan. Jij ook al? De helft van het verhaal kan me zeker plezieren. Laat dan nou helaas alleen de tweede helft zijn. Het begin is roestig maar valt natuurlijk niet zomaar te schrappen; want dan leunt het verhaal op drijfzand.

Een nieuw begin leek enige tijd het enige dat restte; maar het bleef steken bij duizenden keren een woordje veranderen, net zolang tot er bijna precies hetzelfde stond, maar dan in andere woorden. Zo kom je dus niet verder, concludeerde ik, en klapte mijn laptop dicht en weer open, want met stoppen is nog nooit iemand verder gekomen.

De drie eerste hoofdstukken naar een ander deel van het verhaal verplaatsen, zou dat werken? Drie avonden lang copy, paste en schuif ik met tekstdelen tot ik in volledige paniek het verhaal kwijt ben. Dat wil zeggen, de opzet, de structuur, de spanningsboog die ik heus echt wel had gecreëerd; allemaal weg. Dus dat bood ook weinig soelaas.

Wanneer met schrappen van het begin het fundament weg wordt geslagen en verplaatsen alles in chaos plaatst, wat blijft er dan nog over om het verhaal wél kloppend te maken? Zodat hoofdstuk 4 tot en met achttien zo vanzelf voortvloeien uit 1 t/m 3 dat het niet anders zou kúnnen zijn dan dat?

 

Meer lezen?

Beschermengel – over schrijven, of wat er blijft.

Buiten spelen – over kinderen en, vooral eigenlijk, moederzorgen.

Een jaar later dan vorig jaar – *tip van de redactie 🙂

Jansen – over een schrijfcafé en een naam, mijn naam.