Lezen

Het schrijven maakt het lezen een stuk minder leuk. Bij elk ‘slecht’ geschreven boek voel ik een soort misplaatste ‘tssss, dit wel gepubliceerd en die van mij niet-‘ steek. En bij elk ‘goed’ boek weet ik zeker dat ik zoiets nooit zal kunnen, dat het boven mijn macht ligt en wil ik mijn manuscript weggooien en opnieuw beginnen. Of niet beginnen. Want zoiets goeds zal ik nooit kunnen schrijven.

Bij elke mooie zin die ik lees zie ik mijn eigen kromme zinnen. Bij elke in elkaar verweven verhaallijnen lees ik mijn eigen houtje-touwtje verhaal. Bij elke dialoog denk ik aan mijn eigen gekunstelde dialogen. Bij elk succesvol debuut verbijt ik enig jaloezie, lees het boek en weet het zeker: dit kan ik nooit. Bij elk mooi uitgewerkt thema zie ik ik mijn eigen afgeraffelde thematiek.

Waarom ik dan toch blijf schrijven, schrappen, veranderen, proberen, vloeken en niet-roken (niet-roken omdat ik het zo graag wel zou willen, maar er al meer dan twee jaar geleden mee gestopt ben. En het blijkbaar toch een issue blijft)?

Omdat ik ergens misschien toch denk, hoop, maar vooral denk, dat ik wel iets in handen heb, qua schrijverij. Dat ik het wel kan. Dat de begeleiding van een redacteur misschien wel de doorslag kan geven. Dat ik het daarom zo graag wil: Een uitgever. Iemand die zegt, al is het aarzelend: ‘Mm, ja, ik zie er wel iets in, maarrrrr…….’ en dat er dan een redacteur komt die mij helpt de ‘maar’ te doen verdwijnen.  En dat het verhaal uitgegeven wordt, met de kwaliteitsstempel van een uitgever. En dat ik dan pas echt een boek geschreven heb. Zodat ik verder kan, naar ‘het boek na het debuut.’ Dat nóg moeilijker schijnt te zijn, maar dat ik daar nu al zin in heb.

 

Schrijven

Ik hou van lezen. Zoveel dat ik zou willen schrijven. Dat ik een boek zou schrijven die ik zelf zou willen lezen. In het diepe dal viel er een verhaal in mijn hoofd dat erom smeekte geschreven te worden. Ik schreef, en schreef, zonder te weten waar het naar toe zou gaan. Ruim een jaar geleden was het af.

Haha, dat had ik gedacht. Het bleek de allereerste ruwe versie waarvan er nu weinig meer over is. In het najaar van vorig jaar heb ik het manuscript laten beoordelen door een auteur/schrijfcoach. Een goede, zo-een die literaire prijzen heeft gewonnen en bij wie ik het verhaal goed vind passen. Ruim acht vol getikte pagina’s met advies kreeg ik voor mijn kiezen.  Bijna alles wijzigingen en adviezen heb ik doorgevoerd: tegenwoordige tijd ipv verleden tijd was wel de wijziging die het meeste impact had.

In deze zomer heb ik het gewijzigde manuscript laten redigeren door een andere auteur. Achteraf is dit niet handig, want deze auteur heeft een hele andere kijk op schrijven en verhalen waardoor het aangepaste manuscript eigenlijk weer ‘voor de eerste keer’ werd beoordeeld. Waarbij schrijfsels en ideeën die meneer 1 supertof vond door de ander werden doorgestreept.

Mijn insteek was dat een tweede lezer extra aanvulling zou kunnen geven, de uitwerking was een gespleten stad. Hij zegt A en zij zegt B.  En ik, de schrijver….op wie moet ik varen?

Lafjes heb ik een gulden middenweg bewandeld. Ik heb de technische tips van lezer 2 doorgevoerd, maar voor de verhaallijn en ontwikkeling ben ik bij de adviezen van lezer 1 gebleven. Misschien is het beste gevolg wel dat ik het afgelopen jaar op heel veel verschillende manieren en invalshoeken naar mijn verhaal heb gekeken. dat ik het verhaal met meerdere ogen heb gelezen, keuzes heb gemaakt adviezen op te volgen of te negeren. Dat ik het al bijna honderd keer heb weggegooid, uit de mentale prullenbak gevist, opnieuw begonnen. En dat het nu dan af is. Bijna dan. Want tijdens het lezen van een ander boek wist ik ineens wat aan het mijne schortte: triviale zaken, details en terloopse zijwegen. Klinkt banaal, maar juist dat zal het verhaal meer diepte geven en het boek schrijven die ik zelf zou willen lezen.

 

Meest gelezen – tussentijdse update

Nu het tijd is de opmerkingen van redactieronde 301 in mijn manuscript te verwerken lijkt het wel of ik vergeten ben hoe te schrijven. Daarom dit overzicht in deze tussentijd, de tijd tussen redactie en finale versie, tussen help en ik-ben-er-bijna. En dan, ogottogot, nog een uitgever zoeken, maar first things first. Enfin.

Ohja, de vraag ‘waar gaat het boek eigenlijk over?’ beantwoord ik later op deze plek. Het is in ieder geval geen egodocument, ervaringsverhaal, therapeutisch schrijven of om iets te verwerken. Nee joh, gek. Het is fictie; pure fictie. Over een moeder, een dochter en een vader. Over hoe je te onttrekken aan de genen van je familie, aan de vloek van een familie. Valt daar aan te ontkomen? Kun je je eigenlijk wel losmaken, en hoe doe je dat? Of zijn de banden zo strak dat er niet aan te ontkomen valt, zelfs als je de enige overgeblevene bent?

Over een meisje met haar vader en een moeder die in haar afwezigheid mogelijk nog aanweziger is dan toen ze er nog was. Over leven, dood en familie, over psyche, lot, sex, wreedheid en ongemak. Maar tegelijk hoopvol en onverwachts licht.

Nu heb ik het toch verteld.  Wat denk je, is dit een achterflaptekst waarvan je denkt ‘Goh, interessting; dit wil ik wel lezen.’?  Of is er verbetering nodig? En hoe, en waar? Vertel! Dank <3

 

Relax

Over magie gesproken. Of een luwte waar je je ongestraft in kunt laten vallen. Over de rust door op te gaan in een bijenkorf van veel grote mensen en ongeveer evenveel kinderen. De rust die de zoemende bijenkorf geeft.

Ik had nooit gedacht dat ik in een groep van zo’n dertig mensen ontspanning zou kunnen vinden. Nu zou élke andere groep van dertig mijn kaken opeen doen klemmen, kiezen knarsen, schouders tot mijn oren laten rijzen, vuisten ballen en mijzelf instinctief onder mijn dekbed laten verdwijnen, vroeger en later, want groepen zijn killing. Bij een vriend(in) de kamer binnen lopen, vol visite, de blikken, of, erger nog, geen blikken, van onbekenden of vage kennissen omdat we elkaar al jaren op dezelfde verjaardag tegenkomen. Het gestuntel met ‘hoi’ en  ‘ja doe maar koffie’ omdat je nog geen wijn durft te vragen, een jas onhandig onder je arm, in je andere hand een Albert Heijn tas met het slordig ingepakte cadeautje erin, en dan de kring rond om handen te schudden waardoor je voortdurend de grip op je jas verliest en deze zielloos onder je arm wegglijdt.

Bij het uitladen van de auto vervangen blote voeten die de dauw in het gras zoeken mijn knarsende kiezen. Mijn schouders zakken langzaam. Naarmate de dag voorbij glijdt en alle kinderen zich mengen in en voegen bij de andere, en wij ineens urenlang niets ‘te doen’ hebben, wordt er volop koffie, thee en ietsje later, (niet heel veel later) wijn geschonken, een jaar aan gedoe bijgepraat, om een schepje oploskoffie of een nieuwe fles gevraagd, een snelle knuffel uitgewisseld, een kind getroost (van jou of een ander, soit); en wat heerst is dat het oké is. Dat het goed is zoals het is. Of jij nu successen boekt of keihard neergaat, twijfelt aan alles, het maakt niks uit. Het is zoals het is. De aanwezigheid van heel erg veel fijne mensen voelt als een hangmat… een vangnet…. een kampvuur. Of vriendschap.

*Foto door Esri Dierkx

In ‘Hoe schrijf ik een bestseller’ geeft de auteur Maria Genova veel bruikbare tips om, jawel, een bestseller te schrijven. De komende tijd zal ik de tips opvolgen; jullie horen van me.

En als het geen bestseller wordt ligt dat zeer waarschijnlijk niet aan de tips uit het boek. Maar aan de lezers, de markt, de uitgever, de promotie (of het gebrek daaraan), de tijd van het jaar, het weer, de mensheid in het algemeen, de economie, de crisis, de zon, de regen, of aan het boek.

Joe.

Meer lezen over schrijven

Liever iets lezen over depressie? Ook dat kan  🙂

En nu?

Mijn website heeft de afgelopen jaren gefungeerd als beknopt C.V., uithangbord, uitlaatklep, #openup voor depressie, werkplaats, opslagplaats voor korte verhalen, reflectiemoment, boek-in-wording berichten en ga zo maar door.

Nu mijn depressie niet meer voortdurend de boel verpest door zich overal mee te bemoeien en het manuscript in de fase ‘aan wie laat ik het lezen en met welke vragen en waarom en wat is mijn doelgroep en hoe krijg ik het in Godsnaam bij een uitgever’,  is beland, lijkt ook mijn urgentie om hier te schrijven verdwenen. Wat te doen?

Depressie is niet het enige waarover ik wil schrijven en gezeur over een boek dat niet af is van een schrijver die nog niet eens een schrijver is, lijkt me ook strontvervelend om te lezen.

Wat zou wél leuk zijn?

Inhoudelijk ingaan op delen van het verhaal waar ik twijfels over heb; zodat je als lezer mee kunt denken? Zou dat ook voor onbekende wannabe schrijvers werken…..of toch vooral voor de bekende ‘echte’ auteurs?

Dit brengt me op de vraag wanneer iemand een schrijver is, of zichzelf zo mag noemen. Ik schrijf, dus ik ben een schrijver? Of ik heb een uitgever dus ik ben een schrijver? Of ik heb een printing on demand boek uitgebracht en vijftig exemplaren verkocht dus nu ben ik een schrijver? Of, ik heb nog niks gepubliceerd, maar wíl het wel? Of, ik blog af en toe, schrijf in opdracht zakelijke teksten, heb een bijna-af manuscript op de plank waarover ik pieker wat ik er mee moet, dus ik ben schrijver…? Ik denk er nog even over na. In de tussentijd schrijf ik.

Meer lezen over schrijven

Liever iets lezen over depressie? Ook dat kan 🙂

Goedemorgen, het is een kwestie van kiezen.

‘Goedemorgen, met Esther, opnamecoördinator van de PAAZ, Gelre Ziekenhuis Apeldoorn afdeling psychiatrie. Ik bel om een afspraak te maken voor opname.

Stilte. Wat moet ik zeggen?

Ik had het kunnen weten. Mevrouw  Esther stond die ochtend al om 08.24 op mijn voicemail. Mooi dat ik niet terug belde. Wat moest ik zeggen dan?

Rond de middag ging mijn telefoon voor de tweede keer; ik hoorde “Happy”van Pharrel Williams lekker schel en vooral cynisch tekeer gaan. Ik nam onnadenkend op en hoorde dit: “Hallo, met Esther, opnamecoördinator van de PAAZ, Gelre Ziekenhuis Apeldoorn afdeling psychiatrie. Ik bel om een afspraak te maken voor opname.

Stilte.

Wat moest ik zeggen dan?

Volgens  mij hing ik op. Drukte haar weg.

De avond daarvoor, al gewaarschuwd, bekeek ik het dagschema van de PAAZ. Om 07:45 ontbijt, om 09:30 uur koffie, om 12:00 lunch, daarna nogmaals koffie en om 17:00 uur avondeten. Een uur later bezoek, als je geluk had.  Daarna nog een keer koffie/thee en om 23:00 uur moet het stil zijn, slapen. Geen drank op het menu. Geen afleiding, geen uitweg.

En dan? Wat moet ik doen tussen ontbijt, koffie, lunch, thee, avondeten en bedtijd? Die hele opname leek een noodsprong te zijn, van de therapeuten, omdat die net als ik en wij en iedereen om me heen, ook niet meer weten wat te doen. En omdat ik het ook niet meer weet en wil dat het allemaal afgelopen is. Daarom lijkt de noodsprong een oplossing. Lijkt. Even. Maar wat brengt het?

En tussen 12 en 17 dan? Of tussen 18 en 23? En de nacht? Van 23 tot 07? Wat dan?  Een enorme leegte strekt zich voor me uit. Ik voel mezelf op de rand van het bed zitten. Blote voeten zoekend op een koude vloer, in ‘mijn’ kamer, met een bed, een kast en een bureau. Verloren. Zonder mijn gezin. Zonder alles wat me lief is. Opzij gezet. Al mijn lieven te ver weg. Mijn man, dochters, de zoon, op 8 kilometer afstand. Te dichtbij maar onaanraakbaar. Teveel gemis om niet in mijn lijf, hart en hoofd te zijn; te ver weg om aan te raken. Zij hier, ik daar. Zij samen, ik alleen. En terwijl mijn hart verdampt weet ik dat ik dit niet moet doen. Niet kan doen. Het alleen zijn wordt daar benadrukt; ik ben niks meer dan alleen. Niemand  daar die ik ken. In dat ziekenhuis waar ik zo vaak met de dochter kwam voor buisjes, controles, of, als eerste, voor de bevalling van L. en daarna voor de zwangerschapscontrole van dochterlief A.. En nu, 7 jaar later, wacht een paar blokken verder een afdeling op me. Wordt een bed opgemaakt. Met deuren die niet open kunnen. En ’s nachts niet op slot mogen. De angst van het afgelopen jaar bundelt zich samen tot een enorme misselijkmakende dreiging. Met zoveel angst in het lijf kan dit niet de oplossing zijn.

Dus doen we het niet. Of, ‘Nog’ niet. Ook goed. Want als het nodig is dan moet het, maar zolang ik het kan vermijden, uitstellen, ontlopen,gaan we daarvoor.

Meer lezen over depressie?

Liever wat lichtere kost?

Meer lezen over schrijven

Hallóó allemaal in Psychiater land

‘Ik ben te laat, geloof ik?’

Een uur daarvoor sloeg ik mijn wekker tot drie keer toe uit, om vervolgens al vloekend de slaap uit mijn lijf te verdrijven en haastig een broodje (maar zonder boter, dat scheelt weer tijd) te smeren voor in de overblijftrommels van de kinders. En ondertussen had ik gedoucht, denk ik.

Nu sta ik hier, trek mijn handschoenen uit, wikkel mijn sjaal af en ontmoet een uitnodigende ‘geeft niks’ – blik.’ Een blik waarin ik enige herkenning lees voor wat wat je het beste kunt omschrijven als ochtendgepruts.

Ze maakt koffie voor me, schenkt voor haarzelf  thee in en gaat me voor naar  haar werkkamer op de 3e verdieping. Die trap. Zweet. Zou ze nooit eens willen verhuizen? een kamer op de 1e, met uitzicht op straat? Zal P. te gehecht zijn aan zijn werkkamer? Ik schud de ballast mijn hoofd uit.

‘Ah, je komt vast net van het schoolplein’.  Het is niet eens een vraag. Ik hummmm blijkbaar met een hele diepe zucht. ‘Sta jij ook altijd zo lang in de rij..?’ Lacht ze. Oja, dat is waar ook, mijn (ja, ‘mijn’) psychiater heeft ook kleine kinderen. En schoolpleinstress. Grijns. ‘Al dat gemiep en getrut over ‘mijn kind is wel een beetje moe hoor…’ Of Thijs heeft een beetje buikpijn..’. We lachen en zijn zelf natuurlijk geen haar beter…. ‘Zelf doen we het net zo hard.’ zeggen we,  bijna tegelijk. We knikken. Tegen wie weet ik niet.

Dus voor de sessie begint lachen we onszelf nog even uit, fluiten een stukje ‘Halloó allemaal’ en gaan verder naar de orde van de dag. Want daarvoor zijn we hier tenslotte.

‘Hoe gaat het met de suïcide gedachten?’

 

*Toegegeven, haar intro was wel wat subtieler.

 

Een jaar later dan vorig jaar

Een jaar geleden werd ik elke dag neergesabeld door een lawine zwarte keien en meegesleurd door boze stromingen naar het duister achter de horizon. Ik stond al drie maanden op de wachtlijst voor een diagnose (die ik inmiddels zelf al wel had gesteld) en behandeling (als ik dat zelf kon had ik het al wel eerder gedaan) en telde de dagen tot de intake, 21 februari 2017.

Een jaar geleden liepen mijn man en zijn zoon de 8 van Apeldoorn bij de Midwintermarathon. Ik ‘had geen zin’. Kon het niet eens opbrengen om te komen kijken, om te bedenken dat iets van een bosje bloemen leuk zou zijn, om de meiden in de auto te kiepen en aan de route te staan. Ik kon het niet.

Drie weken later was het officieel een ‘hele zware ernstige klinische depressie’ en werd een handvol oxazepam, sertraline, bupropion en later methylfenidaat een dagelijks slikritueel. Net als de voortdurende aansporing van de SPV’er, de psychiater en de psycholoog. Het toverwoord was ‘activering’. Uit die negatieve spiraal. Niet dat je door sporten beter wordt, maar met doods in bed liggen gaat het ook niet beter.

Zo werd mijn strijd/geworstel/gedoe, meetbaar, tastbaar en relatief goed in stukjes te delen. Elke dag iets doen, zo’n drie keer per week proberen hard te lopen (probeerde ik toch al, maar nu werd het een onderdeel van mijn #beterworden), dat activeren ging best oké. Ondanks dat verdween die depressie niet als sneeuw voor de zon.

Het hardlopen zette ik door, lente, herfst, winter. Een tergend lange periode werden mijn loopjes vergezeld met paniekaanvallen, staren naar de rails die ik bij mijn rondje tegenkwam, doodsgedachten en het letterlijk schreeuwend wegrennen daarvan.

Daarna werd het lichter. Tijdens het lopen zag ik lichtjes, ergens ver weg, zon tussen de bomen, een lichtheid in mijn lijf. Voor even. Dat even duurde steeds langer.

Ook al was mijn doel van hardlopen vooral behandelingsgericht, dat was toch niet genoeg om te blijven lopen. Er moest een groter doel komen. Dus dacht ik terug aan die ene loop. Die ik twee keer met mijn lief had gedaan en dit jaar had overgeslagen omdat ik toen immers alles oversloeg. Dat zou veranderen, besloot ik. De Midwintermarathon, de acht van Apeldoorn, zou mijn bevestiging van mijn geworstel worden. Maar ook en vooral de bevestiging dat ik er nu, een jaar later, nog steeds ben. En dat ik dat toen niet gedacht had. Dat ik dat vele maanden daarna niet gedacht had. Maar dat het me gelukt was. Ik zou die acht lopen; het werd mijn ijkpunt. Dan zou ik misschien niet beter zijn maar ik zou er wel zijn.

Een jaar later dan vorig jaar lagen de Man en ik hoestend, proestend, snotterend en klagend in bed. Geveld door spierpijn, verkoudheid, naderende griep. Maar ik zou lopen. Ik Googelde ‘grieperig en hardlopen’. Resultaat: ‘Bij koorts, spierpijn of een hogere hartslag dan normaal moet je niet hardlopen.’ Koorts had ik niet. Maar dat was dan ook het enige. Tegen beter weten in checkte ik mijn hartslag; als die oké zou zijn dan zou ik lopen, fuck de spierpijn. Maar nee, 100 in rust is te hoog. (Eigenlijk mocht ik niet van mijn lief, en dat was maar goed ook want op het tijdstip van de start lag ik uitgeteld op de bank te dromen over nieuwe hardloopschoenen, met mijn meiden slapend naast me, we zijn zo’n lekker dynamisch gezin).

Goed, de loop waarvan ik had besloten dat dat het ijkpunt van mijn beterworden zou zijn, is niet doorgegaan. Door ziekte. Hahaha. Maar dit is een griepje die over een paar dagen weer over is. En daarna zal ik alsnog een acht lopen. Niet tussen honderden anderen. maar voor mezelf. En zo is het begonnen, en daar gaat het om. Dat ik ben, en loop, en blijf. Blijf.

 

Een schrijfcafé, een naam, een plek

Vorige week ging ik voor het eerst naar het schrijfcafé. Waarom? Ik hou niet van nieuwe dingen. Ik hou niet van onbekende mensen. Ik hou niet van instant produceren, te bang iets fout te doen. Ik hou niet van het voorlezen van mijn verhalen en ik kan heel erg slecht tegen kritiek.

Als het schrijfcafé in een kantoor met systeemplafonds of een onbekende werkruimte in een onbekend deel van de stad had plaatsgevonden was het zeer waarschijnlijk nooit in me opgekomen om te gaan. Want te eng. In té veel opzichten.

Toeval of niet, het schrijfcafé was in mijn voormalig huiskamer, mijn eigen bar, mijn eigen biertap, mijn altijd gevulde koelkast, mijn.. Oké, nu sla ik door. Niks meer dan mijn voormalige werkplek. Niks van mij meer bij. Want wat was, is niet meer.

Drie deelnemers, waaronder ikzelf, één journaliste die een stuk over dit schrijfcafé ging schrijven en de schrijfdocent. De opdracht: schrijf (iets) over je naam. Oké, dit is te kort door de bocht, we kregen een introductie, een gedicht, een overpeinzing,een verhaal en veel vragen over wat een naam over je zegt. De opdracht bleef om ‘iets’ over je naam te schrijven.

Rinske. Eva. Jansen.

Het eerste wat me te binnen schoot was het verhaal dat ik zo vaak had gehoord. Dat ik als vijfjarige blijkbaar door kreeg dat mijn moeder een andere achternaam had dan ik. Bout. Een andere naam dan je moeder….onmogelijk in de leefwereld van een aan moeder geklonken kind. En dat ik in welgemeende verbazing opgemerkt schijn te hebben: ‘Ik kom toch uit een ‘Bouten’-buik, waarom heet ik dan geen Bout? Waarom Jansen?’ Zelfs met mijn vijfjarige logica klopte daar niks van.

Mijn eerste regels in het schrijfcafé :

Rinske Eva Jansen.

Mijn drie namen zijn niet wie ik ben. De eerst voelde altijd zo hard, een echte brillennaam vond ik het. En ik had al zo’n hekel aan die bril, kon niet wachten tot ik eindelijk lenzen mocht. De tweede was zo oervrouwelijk dat het mij nooit zou passen, hoe rood ik mijn lippen ook zou stiften. En de derde was te druilerig om met een serieus gezicht uit te spreken; te alledaags, duf, dor en droog. Met zo’n alledaagse achternaam zou het nooit lukken iemand te worden. Het enige dat ik eraan toe te voegen had was: ’Met één s.

Deze gedachten kwamen als eerste in me op, terwijl ik dit al heel lang niet meer denk, of vind. Dit waren de gedachten van een tienjarige, ongeveer. Of veertien, of acht. Zoiets.

Inmiddels vind ik mijn ‘brillennaam’ misschien wel net zo oké als mijn eigen (oké, wel nieuwe) bril; mooi, het maakt me compleet. Ook het Eva voelt zoals het moet zijn. Wat het criterium is van vrouwelijkheid weet ik nog steeds niet, maar als ik dat zelf bepaal ben ik net zo vrouwelijk als ik wil. En mijn achternaam, de alledaagse ‘Jansen‘, van ‘de arme tak’ met maar één S….  zelfs díe past. Plakt als vanzelf aan mijn voornaam vast. Gekregen van opa, opgegroeid in een dorpje in het Westen, ongeschoolde arbeider in de kalkfabriek, via mijn vader, opgeklommen van schilder (van hout, niet van kunst) tot chemisch technoloog, doorgegeven naar mij (nog niet gedefinieerd) en van mij naar mijn dochters. Want hoe ontzettend veel mooier, ronder, zwieriger de naam van  mijn lief ook is en hoe graag ik die naam ook zou dragen, het is niet mijn naam. Hoe mooi ook en hoezeer ik ook onlosmakelijk bij hem hoor, het maakt van mij geen ‘De Roos.’

Misschien dat onze dochters over een jaar of vijf, of tien, hun, mijn, onze achternaam vervloeken, zoals ik dat deed. Maar sorry meiden, jullie komen toch echt uit een Jansen-buik. Echt, niks meer aan te doen.

Maar wie weet, wordt de naam ooit weer hip; want retro en back to the roots, basic, onbespoten, lokaal gebrouwen en rauw is tenslotte ook trendy geweest. Dan kan Jansen ook wel. Of misschien glinstert er in een onbewaakt moment een mini glimpje van trots over de achtergronden van de naam, van jullie naam. En als dat te pathetisch is dan kun je altijd nog de naam van je vader aannemen. Of van de Man, of Vrouw, of beiden, of zelf iets bedenken. Zie maar. Vanaf hier is je naam aan jou.