Manuscripten, toen en nu en andere tijden

Een kleine maand geleden heb ik de moed (of arrogantie, wat je wilt) gehad mijn manuscript naar 3 uitgeverijen te sturen. Bij elke uitgeverij stond op de website iets als “omdat we zoveel manuscripten krijgen kan het tot 20 weken duren voor je een antwoord van ons ontvangt. Over de reden van afwijzing wordt niet gecorrespondeerd”. En, oja, de ene uitgeverij neemt geen inzendingen per e-mail aan, en de andere geen inzendingen per post. Pffffffff. Alleen de logistieke afwikkeling al was een complete stress, om van het afronden van het manuscript niet te spreken.

En nu is het al 4 weken geleden, denk ik, dat mijn manuscript ergens op de mat viel (1x) en in de mailbox belandde (2x). De eerste dagen checkte ik elke tien minuten mijn telefoon, mail, werkmail, analytics, chats. Maar niks.

Wat doe je dan? Er rest mij in deze weinig meer dan wachten, dat snap ik ook wel. Maar hoe ga ik wachten? En wat doe ik dan? Naast werken om de wachttijd te vullen zijn er de momenten waarop werk niet mogelijk is en er een soort vrije-tijd aangebroken is, de avond. Die ik voorheen vulde met….juist….en nu?

Nouja, korte verhalen dan maar. Of niet ‘dan maar’. Ik ontdek nu dat het heel tof is om een verhaal te beginnen met een idee, binnen een uur een andere wending te kiezen en de dag daarna toch nog met een andere vondst te eindigen. In 2 dagen een kort verhaal af. Een verhaal dat eigenlijk alles in zich heeft, maar dan kort.

Naast de korte verhalen is er een 2e manuscript in wording. En tegelijk een stijloefening. Het 1e manuscript schreef ik eigenlijk als vanzelf in de verleden tijd, waardoor er toch een soort afstand ontstond, hoewel ik me daar totaal niet van bewust was.

Mijn nieuwe verhaal schrijf ik vanuit het nu. Ik schrijf het nu, alles gebeurt nu, de lezer staat erbovenop, er middenin. Er is geen afstand. Het gebeurt terwijl je het leest. En al in de eerste pagina merk ik het verschil.

Als schrijver merk ik een enorm verschil: één (1!!!) bladzijde moet ik 100x ontdoen van ‘tijdsfouten’; waarom is het zo moeilijk in het nu te schrijven? Is dat net zo moeilijk als in het nu te leven? Moeilijker?

En als lezer is het ook anders, ik zit meteen in het verhaal, het grijpt me bij keel, laat me niet meer los.  Als vanzelf schrijf ik actiever en energieker, rauwer, ongepolijster.

Morgen, of overmorgen want morgen is een beetje een drukke dag, zal ik een preview geven van een verhaal in de verleden tijd versus een verhaal in het nu.

En nu?

De afgelopen drie, vier maanden heb ik aan mijn boek gewerkt. In een voor mij zeer ongebruikelijke structuur, want: structuur, daar ben ik niet zo goed in. Dus elke structuur zou min of meer ongebruikelijk zijn, maar van déze stond zelfs ik te kijken.

Het half jaar voor ik aan mijn boek begon bestond mijn avond grotendeels uit het bingen van allerhande Netflix-series. Ik moet heel hard nadenken om te weten welke series, en dat terwijl ik er maandenlang mee geleefd had. Het was The Good Wifelekker veel seizoenen en veel afleveringen per seizoen, daarna de geweldige serie Master of None en Love, en nog wat tussendoorse series. Dus toch een soort van structuur.

En toen wilde ik, door allerlei omstandigheden  mijn avondritme veranderen, en ik kreeg het idee voor een boek. 1+1= enfin, het bingen werd ingeruild voor het schrijven. En sindsdien schreef ik 7 avonden per week, van half acht tot een uur of 11, half 12. Overdag niet, dat was voor het betaalde werk, voor strategie en communicatie. Voor merkpositionering en websites otimaliseren. En de avond was voor mij. Voor mij en Lizy, mijn meisje uit het verhaal.

Een avond naar een vriendin of terras hangen was dan misschien wel gezellig ofzo, maar wat had ik liever, veel liever, mijn verhaal verder geschreven. En dat een nieuwe en door mij lang verlangde  House of Cards én een nieuwe OITNB is uitgekomen zonder dat ik er ook maar 1 seconde van heb bekeken is op zijn minst wonderlijk.

En nu? Het manuscript is opgestuurd naar enkele uitgeverijen die ‘tussen de 2 en de 20 weken zullen reageren.’ Zenuwachtig? Nee. Het is mijn verhaal, ik vind het goed, ongeacht wat zij vinden. Echt? Nee joh, Tuurlijk niet! Dit Is Superspannend! De eerste dag keek ik voortdurend op mijn telefoon of ze al gebeld hadden. Een beetje verontwaardigd wel dat ze dat nog niet gedaan hadden. Maar nu is het weekend, en dan zullen ze vast niet bellen. Toch? Dus nu echt even rust. Maandag verder wachten.

Maar, wat nu?  Hoe nu verder?

Elke avond klap ik mijn Macbookje open en zie een leeg document. Kut. Ik wil, moet, zal schrijven, maar heb geen verhaal meer. Het voelt leeg. Ik mis het, het opgaan in een verhaal, het bedenken wat er gebeurt, het bouwen en puzzelen. Ik denk aan de personen uit mijn verhaal. Hoe zou het met ze gaan? Alsof ze ook buiten mij om een leven hebben. Ik mis Lizy, en Adam, en de moeder en de vader, en zelfs Peter, het vriendje van Lizy. Waarbij ik me pas dágen nadat ik het manuscript naar de uitgeverijen had gestuurd besefte dat het vriendje dezelfde naam heeft als mijn behandelaar. Peter. Da’s gek. Ik kán hier natuurlijk een Freudiaanse uitleg aan geven, met een boel overdracht enzo, maar dat is niet helemaal aan de orde; volgens mij is het gewoon een leuke en veel voorkomende naam die ik uit gemak optikte met het idee dat ik het later met ‘zoeken en vervangen’ ook nog wel  kon ombuigen naar Henk. Of Frank, Martijn, Jeroen, Tijs , Theo of Sjors. En dat niet heb gedaan, zonder Freudiaanse reden. Lizy is trouwens niet ik, ook dat.

Ik wil puzzelen, schrijven en vertellen. Maar op welke manier weet ik nog niet. Dat is dus het onderwerp van de 1e puzzel.

Zo’n boek is nog een heel verhaal

Sinds enkele maanden ben ik bezig om een boek te schrijven. Een echt boek, zoeentje die ik zelf graag zou willen lezen (en dat is nogal wat, want ik heb menig boek kwaad weggelegd omdat ik hem stom vond, of saai, of niet grappig, of slecht geschreven, of leuk maar met een beroerd einde). Ik stel dus nogal hoge eisen.

Een paar weken terug was mijn boek af. Ik gaf hem ter proeflezing aan mijn Lief. Die las, bijna twee uur lang onafgebroken. Terwijl ik mijn nagels opat. En hij vond het goed. Met wat op-en aanmerkingen. En nu ben ik dus al bijna een maand bezig om wat er stond uit te bouwen naar iets beters. Een hels karwei? Ja, en nee. Ik geloof dat ik het een heerlijke klus vindt. Een klus met hoofdbrekens, vastlopers, maar vooral veel uitprobeersels. Tot het hels wordt omdat ik het niet meer weet, ik iets anders ga doen als afleiding, hopend op een meersterlijke inval die meestal niet komt. Weer zuchtend verder ga en ineens een lijntje zie waar ik mee verder kan.

En ik moet met behoorlijk wat dingen verder. Want met een opmerking als ‘je moet de dingen wat meer uitdiepen’, daar kun je natuurlijk alle kanten mee op, al wist ik wel ongeveer welke kant. Dus ik diep de karakters uit, me daarbij voortdurend afvragend: wat zal de hoofdpersoon doen? Zou ze deze muziek leuk vinden? wat draagt ze eigenlijk? Vervolgens beschrijf ik interieurs, studentenkamers en ouderlijk huizen. Ik zoek uit van welke bands de moeder van de hoofdpersoon houdt, ik plaats in hst 2 een zaadje om daar in hst x op terug te komen. Het lijkt wel een puzzel waarvan de stukjes nog geschaafd en geknipt moeten worden.

Daarbij heb ik inmiddels na wegleggen en teruglezen, ook mijn eigen rijtje van kritiek opgesteld. Met vage bewoordingen als ‘het tweede deel is te zwaar, gooi er wat lucht in’. Fijn, mijn eigen kritiek. Want hoe doe je dat, ergens lucht in gooien? En terwijl ik mezelf vervloek om mijn onduidelijke commentaar schrijf ik even dit stukje, als afleiding. Omdat ik even niet weet hoe ik verder moet met dit helse karwei.

 

 

Elke avond hetzelfde liedje hier

De hele dag verheugend op de avond, die vanaf half negen begint, om dan in alle rust verder te werken aan mijn boek. Waar ik de hele dag naar uitkijk, waar alles om draait. Om negen uur gezucht en gepuf. Ik zit vast.

Nog iets later, komt mijn lief beneden, hij vraagt ‘Gaattie?’ waarin hij zowel mijn gemoedstoestand als mijn schrijven bedoelt. Even de thermometer gebruiken en peilen hoe het gaat. Groen, mooi zo. Maar qua boek niet zo groen.

Enkele uren waarin ik schrijf, schrap, verplaats, kopieer, iets anders probeer en het allemaal maar kut vindt. Want niks klopt en het verhaal is stom. Alles is eigenlijk stom. Misschien maar weggooien en opnieuw beginnen. Geen idee hoe ik verder moet.

Totdat er ergens een kwartje valt, of ‘alles op zijn plaats’.

En dat ik het terug lees en het klopt. Het klopt met het grote verhaal, het is goed in detail en hoewel het niet precies is wat ik voor ogen had, en ik eigenlijk ver van mijn lijn geweken ben, is het precies goed zo.

En zo ontstaat er een verhaal  dat nooit van tevoren bedacht had kunnen worden.

Een hele avond en enkele bladzijden gevuld maakt een tevreden mens. En morgen weer verder.

Boek 01 (compatibiliteitsmodus)

Toegegeven, heel erg goed is de titel niet. Maar zo heet het document dat, inderdaad, een boek moet worden. God wat heeft het lang geduurd voordat ik dit durfde te zeggen: dat ik een boek ga schrijven. Ik denk zo’n kleine 30 jaar. (Ja, nu ga je rekenen…).

Vroeger schreef ik gewoon, me niks aantrekkend van de ander en het oordeel. Geen enkel schaamtegevoel belemmerde me. Ik deed, ik schreef, ik vond het leuk, schreef het netjes over, gooide een kladje weg ging crossfietsen.

Nu is het iets anders. Ik schrijf, ik aarzel, ik twijfel, ik delete, ik schrijf, ik schrijf en breid uit, ben blij want dit hoofdstuk is goed, ik aarzel en twijfel, zie een tikfout, vind het schrijfsel stom, ben onzeker, denk na over een ander verhaal en delete alles. Begin opnieuw.

Het verhaal is mijn hoofd is er, voor meer dan de helft. De andere helft zweeft nog ergens, wacht op invulling. Hoe het verhaal begint weet ik, hoe het eindigt ook, maar hoe ik daar ga komen weet ik nog niet.

Het begin is goed, het einde is in beeld, maar het midden is zo wazig als het zijn kan. Ik ben bang dat dit een moeras gaat zijn waarin ik wegzak.

Elke avond schrijf ik, de laatste weken. Ik drink mijn wijn trager dan normaal omdat ik anders niet meer goed kan schrijven, ik schrijf en schrap en denk, vloek en wenste dat ik nog rookte.

Elke werkdag kijk ik verlangend uit naar de avond, waarop ik kan schrijven. Want dat is wat ertoe doet. Wat zou ik het graag ook overdag willen doen.

Niks brengt me zoveel goesting als schrijven. Ik schep de wereld en bepaal. Ik word blij als mijn personages iets moois meemaken, ik schrijf het glinsterend op. Ik wil geen nare scene schrijven want het verdriet van de ‘ik’ echoot in mij door. Ik bedenk, ik leef, ik creëer, ik voel me vrij. Bedenk vreemde dingen, schrijf nu iets als dit, en ga dadelijk weer verder aan mijn boek 01 (compabiliteitsmodus).

Het is in wording, het komt.

 

 

 

 

Mis

Als kind had ik het echt heel vaak mis.

Maar soms had ik het niet mis. Ik zal niet direct zeggen dat ik gelijk had want mijn moeder houdt niet van opscheppers. ‘Die vallen’,  had ze een keer gezegd. Want die hadden last van hoogmoed. En hoewel ik van veel dingen last had, was hoogmoed daar niet eentje van. Mama viel ook, maar niet omdat ze last had van hoogmoed.