Tafel dekken

Mijn vingers hangen boven het toetsenbord, nu al minutenlang. Nou, nu niet meer natuurlijk, maar net nog wel. Mijn stoel staat nét te ver van mijn bureau. Ik zit op het puntje en kan net niet bij het toetsenbord van mijn laptop. De spieren in mijn nek trekken. Ik leun op mijn tenen, wiebel in een mantra heen-en-weer, neem een slok thee en kijk dan van onder mijn bril naar boven; de helft wazig, de helft scherp. Zoals ik vaker op de helft balanceer.

Soms letterlijk, op de drempel van de woonkamer en de gang; minutenlang, twijfelend waar ik heen moet, of vergeten wat ik van plan was. Waar wil ik heen?

Als de drukte om me heen zo groot is dat mijn hoofd gonst als een dikke bromvlieg stopt mijn denken. Dat wil zeggen, het denken tracht, probeert, en duwt, maar alle pogingen stranden voor de gedachte af is. Meestal hakkel ik al na enkele woorden, weet ik niet hoe ik verder moet. Dan drie andere woorden… pauze…opnieuw beginnen…..twee andere woorden….nee, dat is de gedachte ook niet helemaal…. elk nieuw begin wordt opgezogen door de mist in mijn brein. Om mijn tollende hoofd in te dammen knijp ik mijn ogen zo stijf dicht dat de stipjes vormen worden (gedetailleerde Van Gogh’s, portretten van oma’s, vliegende vogels), speelt het liedje in mijn hoofd onverstoorbaar door (Firestarter,……. Rootboy…ToemToemBoem!!! Would’t it be nice……. Zoutelande……. Píng van de Playstation, tieuwdieuwdieuw., ping van een schelp tegen een glas, de jongste heeft haar schelpen in een ketting om haar hals samengebonden; het klingelt vrolijk voort, wat we gaan eten vragen drie kinderen). Dit helpt dus niet.

Tijd voor fase 2. Ik stuur mijn open ogen zo hard mogelijk naar boven, zie de rand van mijn bril en daarboven wazige foto’s die al jaren tegen die muur staan, zodat ik ze van binnen bijna kan uittekenen, zonder te zien.  De jongste, toen als peutertje, met felgekleurde maillots, armpjes te lang voor het kleine lijfje, knipjes om het haar uit haar ogen te houden, voorzichtige glimlach. De oudste, gespannen ontspannen lachend. Haar handen zie ik niet maar ik weet bijna zeker dat ze de leuning van de stoel vastgrijpt.

Witte knokkels. De houvast die zij, die ik, die wij nodig hebben.

De liedjes spelen door, nooit is het stil. Stemmen uit de keuken, schelle kinderstemmetjes vanaf de bank, schuin achter me. Pieeeeeep… (de wasmachine, of de droger, maar de droger zoemt anders, hoger en sneller. De wasmachine is luier, trager en donkerder. Logisch, natte kleding is zwaarder en donkerder dan droge). klik, een pen valt, ping, de oven piept, de klok is stil, beweegt wel, mauw, de poes, drie verschillende gesprekken, ik blok mijn hoofd. Mauw, nog een poes, mijn voet jeukt. ‘Lief ga jij zo ook aftypen?’

Ik moet wel knikken al wil ik niet aftikken. Dit is mijn rust. Hier kader ik in, orden ik, maak mijn eigen realiteit, een stuk overzichtelijker dan die van…. mij….de andere mij…… buiten dit getyp, maar net zo goed van mij.

Lief verteld me over de fles whisky die Henk van Straten Instagramde. Zijn boek heb ik net uit.

Writers Tears, was het label. Van de whisky, niet van het boek, boeken hebben geen label maar een uitgever. Daarover gesproken…..wees welkom …

Ik grimas. Wanner mag ik mezelf schrijver noemen? ‘Mama, de poezen moeten water.’ Ja doe maar, hoor ik mezelf zeggen. Weer Pearl Jam. Ik moet eigenlijk ook nog de btw overmaken. En maandag werken. Mijn voet jeukt, hopelijk geen schimmel. Fok, mijn medicatie vergeten, alweer. De dam om mijn hoofd; de dijk tussen de buiten- en de binnenwereld. Gevat in twee kleine pilletjes, viermaal daags. Water in de pan borrelt, kookt over, het water sist op het fornuis. Pasta, denk ik. Ik ga aftikken, Vuelta afgelopen, zaterdagmiddag bijna ten einde, ‘Tafel dekken’ roept de man. Ik tik af. De storm vervolgt.

 

 

 

Buiten spelen

Een lome zaterdagmiddag, de eerste dag van de herfst en toch kortebroekenweer.
Ik maak de slaapkamer schoon, of, om precies te zijn, de bovenkant van de kledingkast, vol dozen, duplo en kindertekeningen. Je moet ergens beginnen.
Ik til alles van de kast, hoest het stof weg, sop de restanten, hergroepeer de bende. Meer dan de helft gooi ik weg. De andere helft gaat in de ‘emo-kindertekeningen-en-schoolwerkjes-knutselarij’-doos, die weer bovenop de kast gaat. Zo gaat dat.
Onze oudste dochter, zeven, we vinden het allemaal al heel groot, speelt buiten, komt elk half uur binnen om snel daarna weer te vertrekken.
‘Even water pakken.’
‘Even mijn skeelers aan doen.
‘Waar is mijn pennyboard!
‘Ga je nou eindelijk eens mee skaten, mam? Dat deed je toch ook, vroeger?’

 

Net op het moment dat ik behoedzaam twee dozen en veel kleine troep onder de stofvlokken, van de kast til, stuift ze weer binnen. Verspreidt in 10 seconden meer stof dan wij in een jaar. Of twee, drie.. Knap kind.
‘Doe maar ff niet.’ zeg ik.
‘Goed mam’, ze blaast een stapel stof de ruimte in. Onverstoorbaar.
‘Goddomme, wat zei ik nou! Ff weg hier, ga maar ff buiten spelen ofzo’. Wist ik veel.

 

Mokkend taait ze af. “Nouhou, mama, ik mag ook nooit iets!!’
Ik haal mijn schouders op, dit protest is geen unicum, ga verder met opruimen, spoel het zwart geworden water door de wc en zet koffie. De kamer is schoon.

 

‘Ga ff lezen ofzo’ zegt mijn man. Ziet mijn onrust, wordt er moe van,  net als ikzelf.
Óke’, knik ik. Rust; een boek lezen in de zon. Ah…
Toch, na een klein half uur, of drie kwartier, begint er iets te kriebelen. Ongedurig, zomaar.
Ik, ‘Loop even naar buiten hoor.’ Te lang niks gehoord.
‘Even kijken waar ze is, ze speelt achter op het veldje zei je toch?’
Man knikt, ik ben al weg.
Niks, alles leeg.
Rondje door de buurt. Nergens een spoor van ons kind.
Aanbellen hier, vragen daar.
Ah, een springkussen in de wijk achter ons, daar zal ze vast vrienden gemaakt hebben en rondspringen met haar nieuwe vrienden.
Niks.
Mm.
Ik druk opkomende zorgen weg. Ik weet wel dat het, net als alle voorgaande keren, vast goedkomt. Dat gebeurt immers altijd.
Dat het ook niet kan gebeuren wringt zich een weg door mijn buik naar boven.
De straat is zo stil als nooit tevoren. Alles ademt onheil. Zo stil kan niet goed zijn.

 

Ik negeer de opkomende paniek. Dit is vaker gebeurt. Meestal was ze dan ergens bij een vriendje binnen spelen, of een straat verderop bij een vriendinnetje thuis; waar je niet kijkt, niet zoekt.
Onze oudste is nooit stil, je hoort haar altijd; zelfs op een schoolfeest met een dikke honderd kinderen hoor ik haar schelle stem boven alles uit. Zo bewegelijk dat ze binnen een kleine 20 seconden altijd wel ergens binnen mijn gezichtsveld opduikt. Never a dull moment, no second away.
Nu is het stiller dan stil.
Niemand van haar vriendinnetjes weet iets, overal aangebeld. Wat rest is niks.
‘Ze is een half uur geleden naar huis gegaan.’ zegt een meisje op een fiets.
‘We speelde bij het huisje.’ Ah, achter ons huis, grenzend aan de achtertuin. Meestal hoor ik de schelle stemmetjes wel. Deze keer niet, blijkbaar. Fok.
‘Nee, niet gezien’,
‘Ze ging net naar huis, een uurtje terug ofzo.’
Ze had een step mee.’
Zachtjes vloekend en mezelf tegelijkertijd moed inpratend
loop ik naar huis. Waar zal ik verder gaan zoeken? Waar kan ze zijn? Als al haar vriendjes ook niet weten waar ze naartoe ging, hoe moet ik dat dan weten?
Spoorloos? Zomaar? Ik slik duizend doden weg. Mijn gedachten springen van kidnapping, via opsporing verzocht, politiebericht, ‘breng onze dochter terug alstublieft’,  ‘Had dan toch ook beter opgelet stomme doos…’
Snel naar huis, manlief zeggen dat ik de fiets pak om een groter rondje te rijden. Bijna tegen beter weten in.
De gang is vol, ik struikel over tassen en schoenen, “Goddome, bende hier,’ foeter ik .Niemand die het hoort. Dan pas kijk ik, of zie ik.
Skeelers in de krat onder de kapstok. Twee paar sandalen. En hoewel ik weet dat ze erg graag op blote voeten loopt, komt het besef binnen. Dat ze niet weg is. Misschien. Hoop ik. Of durf ik eigenlijk niet te hopen.
Maar dan? Betekent dit dat ze thuis is? Ik kijk de woonkamer in; De jongste dochter slaapt op de bank, geen spoor van de oudste.
Verder zoeken…  Ik loop naar boven, duw haar kamerdeur open; je  moet ergens beginnen tenslotte.
Daar ligt ze.
in korte broek en t-shirt, in haar dekbed gewikkeld.
Duim in haar mond, knuffel onder haar arm geklemd. Onverstoorbaar.
Ik kan niks ander doen dan mijn hand door haar haar halen, een lichte kus op haar wang drukken.
‘Morgen gaan we samen skaten hoor’ fluister ik.