Buiten spelen

Een lome zaterdagmiddag, de eerste dag van de herfst en toch kortebroekenweer.
Ik maak de slaapkamer schoon, of, om precies te zijn, de bovenkant van de kledingkast, vol dozen, duplo en kindertekeningen. Je moet ergens beginnen.
Ik til alles van de kast, hoest het stof weg, sop de restanten, hergroepeer de bende. Meer dan de helft gooi ik weg. De andere helft gaat in de ‘emo-kindertekeningen-en-schoolwerkjes-knutselarij’-doos, die weer bovenop de kast gaat. Zo gaat dat.
Onze oudste dochter, zeven, we vinden het allemaal al heel groot, speelt buiten, komt elk half uur binnen om snel daarna weer te vertrekken.
‘Even water pakken.’
‘Even mijn skeelers aan doen.
‘Waar is mijn pennyboard!
‘Ga je nou eindelijk eens mee skaten, mam? Dat deed je toch ook, vroeger?’

 

Net op het moment dat ik behoedzaam twee dozen en veel kleine troep onder de stofvlokken, van de kast til, stuift ze weer binnen. Verspreidt in 10 seconden meer stof dan wij in een jaar. Of twee, drie.. Knap kind.
‘Doe maar ff niet.’ zeg ik.
‘Goed mam’, ze blaast een stapel stof de ruimte in. Onverstoorbaar.
‘Goddomme, wat zei ik nou! Ff weg hier, ga maar ff buiten spelen ofzo’. Wist ik veel.

 

Mokkend taait ze af. “Nouhou, mama, ik mag ook nooit iets!!’
Ik haal mijn schouders op, dit protest is geen unicum, ga verder met opruimen, spoel het zwart geworden water door de wc en zet koffie. De kamer is schoon.

 

‘Ga ff lezen ofzo’ zegt mijn man. Ziet mijn onrust, wordt er moe van,  net als ikzelf.
Óke’, knik ik. Rust; een boek lezen in de zon. Ah…
Toch, na een klein half uur, of drie kwartier, begint er iets te kriebelen. Ongedurig, zomaar.
Ik, ‘Loop even naar buiten hoor.’ Te lang niks gehoord.
‘Even kijken waar ze is, ze speelt achter op het veldje zei je toch?’
Man knikt, ik ben al weg.
Niks, alles leeg.
Rondje door de buurt. Nergens een spoor van ons kind.
Aanbellen hier, vragen daar.
Ah, een springkussen in de wijk achter ons, daar zal ze vast vrienden gemaakt hebben en rondspringen met haar nieuwe vrienden.
Niks.
Mm.
Ik druk opkomende zorgen weg. Ik weet wel dat het, net als alle voorgaande keren, vast goedkomt. Dat gebeurt immers altijd.
Dat het ook niet kan gebeuren wringt zich een weg door mijn buik naar boven.
De straat is zo stil als nooit tevoren. Alles ademt onheil. Zo stil kan niet goed zijn.

 

Ik negeer de opkomende paniek. Dit is vaker gebeurt. Meestal was ze dan ergens bij een vriendje binnen spelen, of een straat verderop bij een vriendinnetje thuis; waar je niet kijkt, niet zoekt.
Onze oudste is nooit stil, je hoort haar altijd; zelfs op een schoolfeest met een dikke honderd kinderen hoor ik haar schelle stem boven alles uit. Zo bewegelijk dat ze binnen een kleine 20 seconden altijd wel ergens binnen mijn gezichtsveld opduikt. Never a dull moment, no second away.
Nu is het stiller dan stil.
Niemand van haar vriendinnetjes weet iets, overal aangebeld. Wat rest is niks.
‘Ze is een half uur geleden naar huis gegaan.’ zegt een meisje op een fiets.
‘We speelde bij het huisje.’ Ah, achter ons huis, grenzend aan de achtertuin. Meestal hoor ik de schelle stemmetjes wel. Deze keer niet, blijkbaar. Fok.
‘Nee, niet gezien’,
‘Ze ging net naar huis, een uurtje terug ofzo.’
Ze had een step mee.’
Zachtjes vloekend en mezelf tegelijkertijd moed inpratend
loop ik naar huis. Waar zal ik verder gaan zoeken? Waar kan ze zijn? Als al haar vriendjes ook niet weten waar ze naartoe ging, hoe moet ik dat dan weten?
Spoorloos? Zomaar? Ik slik duizend doden weg. Mijn gedachten springen van kidnapping, via opsporing verzocht, politiebericht, ‘breng onze dochter terug alstublieft’,  ‘Had dan toch ook beter opgelet stomme doos…’
Snel naar huis, manlief zeggen dat ik de fiets pak om een groter rondje te rijden. Bijna tegen beter weten in.
De gang is vol, ik struikel over tassen en schoenen, “Goddome, bende hier,’ foeter ik .Niemand die het hoort. Dan pas kijk ik, of zie ik.
Skeelers in de krat onder de kapstok. Twee paar sandalen. En hoewel ik weet dat ze erg graag op blote voeten loopt, komt het besef binnen. Dat ze niet weg is. Misschien. Hoop ik. Of durf ik eigenlijk niet te hopen.
Maar dan? Betekent dit dat ze thuis is? Ik kijk de woonkamer in; De jongste dochter slaapt op de bank, geen spoor van de oudste.
Verder zoeken…  Ik loop naar boven, duw haar kamerdeur open; je  moet ergens beginnen tenslotte.
Daar ligt ze.
in korte broek en t-shirt, in haar dekbed gewikkeld.
Duim in haar mond, knuffel onder haar arm geklemd. Onverstoorbaar.
Ik kan niks ander doen dan mijn hand door haar haar halen, een lichte kus op haar wang drukken.
‘Morgen gaan we samen skaten hoor’ fluister ik.

Schrijven

Ik hou van lezen. Zoveel dat ik zou willen schrijven. Dat ik een boek zou schrijven die ik zelf zou willen lezen. In het diepe dal viel er een verhaal in mijn hoofd dat erom smeekte geschreven te worden. Ik schreef, en schreef, zonder te weten waar het naar toe zou gaan. Ruim een jaar geleden was het af.

Haha, dat had ik gedacht. Het bleek de allereerste ruwe versie waarvan er nu weinig meer over is. In het najaar van vorig jaar heb ik het manuscript laten beoordelen door een auteur/schrijfcoach. Een goede, zo-een die literaire prijzen heeft gewonnen en bij wie ik het verhaal goed vind passen. Ruim acht vol getikte pagina’s met advies kreeg ik voor mijn kiezen.  Bijna alles wijzigingen en adviezen heb ik doorgevoerd: tegenwoordige tijd ipv verleden tijd was wel de wijziging die het meeste impact had.

In deze zomer heb ik het gewijzigde manuscript laten redigeren door een andere auteur. Achteraf is dit niet handig, want deze auteur heeft een hele andere kijk op schrijven en verhalen waardoor het aangepaste manuscript eigenlijk weer ‘voor de eerste keer’ werd beoordeeld. Waarbij schrijfsels en ideeën die meneer 1 supertof vond door de ander werden doorgestreept.

Mijn insteek was dat een tweede lezer extra aanvulling zou kunnen geven, de uitwerking was een gespleten stad. Hij zegt A en zij zegt B.  En ik, de schrijver….op wie moet ik varen?

Lafjes heb ik een gulden middenweg bewandeld. Ik heb de technische tips van lezer 2 doorgevoerd, maar voor de verhaallijn en ontwikkeling ben ik bij de adviezen van lezer 1 gebleven. Misschien is het beste gevolg wel dat ik het afgelopen jaar op heel veel verschillende manieren en invalshoeken naar mijn verhaal heb gekeken. dat ik het verhaal met meerdere ogen heb gelezen, keuzes heb gemaakt adviezen op te volgen of te negeren. Dat ik het al bijna honderd keer heb weggegooid, uit de mentale prullenbak gevist, opnieuw begonnen. En dat het nu dan af is. Bijna dan. Want tijdens het lezen van een ander boek wist ik ineens wat aan het mijne schortte: triviale zaken, details en terloopse zijwegen. Klinkt banaal, maar juist dat zal het verhaal meer diepte geven en het boek schrijven die ik zelf zou willen lezen.

 

Een schrijfcafé, een naam, een plek

Vorige week ging ik voor het eerst naar het schrijfcafé. Waarom? Ik hou niet van nieuwe dingen. Ik hou niet van onbekende mensen. Ik hou niet van instant produceren, te bang iets fout te doen. Ik hou niet van het voorlezen van mijn verhalen en ik kan heel erg slecht tegen kritiek.

Als het schrijfcafé in een kantoor met systeemplafonds of een onbekende werkruimte in een onbekend deel van de stad had plaatsgevonden was het zeer waarschijnlijk nooit in me opgekomen om te gaan. Want te eng. In té veel opzichten.

Toeval of niet, het schrijfcafé was in mijn voormalig huiskamer, mijn eigen bar, mijn eigen biertap, mijn altijd gevulde koelkast, mijn.. Oké, nu sla ik door. Niks meer dan mijn voormalige werkplek. Niks van mij meer bij. Want wat was, is niet meer.

Drie deelnemers, waaronder ikzelf, één journaliste die een stuk over dit schrijfcafé ging schrijven en de schrijfdocent. De opdracht: schrijf (iets) over je naam. Oké, dit is te kort door de bocht, we kregen een introductie, een gedicht, een overpeinzing,een verhaal en veel vragen over wat een naam over je zegt. De opdracht bleef om ‘iets’ over je naam te schrijven.

Rinske. Eva. Jansen.

Het eerste wat me te binnen schoot was het verhaal dat ik zo vaak had gehoord. Dat ik als vijfjarige blijkbaar door kreeg dat mijn moeder een andere achternaam had dan ik. Bout. Een andere naam dan je moeder….onmogelijk in de leefwereld van een aan moeder geklonken kind. En dat ik in welgemeende verbazing opgemerkt schijn te hebben: ‘Ik kom toch uit een ‘Bouten’-buik, waarom heet ik dan geen Bout? Waarom Jansen?’ Zelfs met mijn vijfjarige logica klopte daar niks van.

Mijn eerste regels in het schrijfcafé :

Rinske Eva Jansen.

Mijn drie namen zijn niet wie ik ben. De eerst voelde altijd zo hard, een echte brillennaam vond ik het. En ik had al zo’n hekel aan die bril, kon niet wachten tot ik eindelijk lenzen mocht. De tweede was zo oervrouwelijk dat het mij nooit zou passen, hoe rood ik mijn lippen ook zou stiften. En de derde was te druilerig om met een serieus gezicht uit te spreken; te alledaags, duf, dor en droog. Met zo’n alledaagse achternaam zou het nooit lukken iemand te worden. Het enige dat ik eraan toe te voegen had was: ’Met één s.

Deze gedachten kwamen als eerste in me op, terwijl ik dit al heel lang niet meer denk, of vind. Dit waren de gedachten van een tienjarige, ongeveer. Of veertien, of acht. Zoiets.

Inmiddels vind ik mijn ‘brillennaam’ misschien wel net zo oké als mijn eigen (oké, wel nieuwe) bril; mooi, het maakt me compleet. Ook het Eva voelt zoals het moet zijn. Wat het criterium is van vrouwelijkheid weet ik nog steeds niet, maar als ik dat zelf bepaal ben ik net zo vrouwelijk als ik wil. En mijn achternaam, de alledaagse ‘Jansen‘, van ‘de arme tak’ met maar één S….  zelfs díe past. Plakt als vanzelf aan mijn voornaam vast. Gekregen van opa, opgegroeid in een dorpje in het Westen, ongeschoolde arbeider in de kalkfabriek, via mijn vader, opgeklommen van schilder (van hout, niet van kunst) tot chemisch technoloog, doorgegeven naar mij (nog niet gedefinieerd) en van mij naar mijn dochters. Want hoe ontzettend veel mooier, ronder, zwieriger de naam van  mijn lief ook is en hoe graag ik die naam ook zou dragen, het is niet mijn naam. Hoe mooi ook en hoezeer ik ook onlosmakelijk bij hem hoor, het maakt van mij geen ‘De Roos.’

Misschien dat onze dochters over een jaar of vijf, of tien, hun, mijn, onze achternaam vervloeken, zoals ik dat deed. Maar sorry meiden, jullie komen toch echt uit een Jansen-buik. Echt, niks meer aan te doen.

Maar wie weet, wordt de naam ooit weer hip; want retro en back to the roots, basic, onbespoten, lokaal gebrouwen en rauw is tenslotte ook trendy geweest. Dan kan Jansen ook wel. Of misschien glinstert er in een onbewaakt moment een mini glimpje van trots over de achtergronden van de naam, van jullie naam. En als dat te pathetisch is dan kun je altijd nog de naam van je vader aannemen. Of van de Man, of Vrouw, of beiden, of zelf iets bedenken. Zie maar. Vanaf hier is je naam aan jou.

Zij:”Hé, ik ben niet gelukkig.” Sigmund: “Klopt. Anders nog iets?”

Waar begint en stopt de openheid? In hoeverre zou je open moeten zijn voor “iedereen” of voor een kleinere groep, vrienden/familie? Ik vraag me dit af omdat er veel thema’s zijn die me raken, en waarbij ik de worsteling voel het al dan niet te “delen”. Waarom wel? Waarom niet? Waarom alles open gooien? Waarom niet? is dat schaamte? Of gewoon een ‘privacy-ding’? Waarom wel? Op zoek naar steun, of aandacht, om anderen steun te bieden, of…wat?

Nee, ik schreeuw de meeste dingen niet van de daken. Maar het “voor me houden” is ook geen optie meer. Het vinden van een tussenweg blijkt behoorlijk lastig; de worsteling tussen ‘open en eerlijk’ en ‘privé, het gaat je geen fuck aan’ is er één van uitersten. De ene dag slaat de balans over naar de ene kant, de andere dag naar de andere. Het is geen wetenschap. Was het maar zo. Met een formule uitrekenen of ik iets ‘in the open’ moet gooien of het beter voor mezelf en enkele vrienden kan houden. Dezelfde overweging kan bovendien elke dag weer een andere uitkomst hebben; geen dag hetzelfde. Het onderwerp werkt niet echt mee; beladen, naar, kwetsbaar. Depressie, suïcidalieit, PTSS, behandeling, paniek.

Niet de makkelijkste gespreksonderwerpen voor bij de koffie. maar tóch, probeer ik het stapje voor stapje ‘in the open’ te gooien. Niet om ‘aandacht’. Wel om steun, voor als het nodig is, begrip, voor als ik iets niet kan. Maar ook omdat het onontkoombaar iets is wat nu de hoofdrol speelt in mijn leven. En dat dat negeren of ontkennen misschien nog wel moeilijker is dan de openheid opzoeken. Omdat de depressie nu al anderhalf jaar mijn leven bepaalt. Het negeren daarvan is het negeren van mezelf. Het doen alsof het er niet is is alsof ik er zelf al niet meer ben. Juist omdat het zoveel impact heeft op mijn (ons) leven. Omdat het zo ingrijpt, alles overhoop gooit, alles verwoest, daarna sterker maakt, of het weer onderuit schopt. Het ís er. Het omarmen gaat me iets te ver, maar het accepteren, binnenlaten, toelaten (en wegwerken) is een begin.

 

 

Marktplaats

Ergens in de periode dat we even druk waren met andere zaken en weinig oog hadden voor andere dingen in de wereld is het gebeurd. Wij zagen het weken later.

‘Pien wordt wel echt dik he?’ Ik keek en zag niks. Nouja, een kleine uitstulping aan de zijkant, meer niet. Een dag later constateerden we dat de poes in plaats van op de bank voortdurend op tafel lag, zo plat mogelijk op haar buik, voorpoten over de rand bungelend. Net als haar moeder, toen die op het punt van knappen stond. Ook al zo’n onoplettendheid.

Nog een dag later voelden we het duidelijk bewegen, aan beide kanten van de buik en we keken elkaar aan. Bevreesd om de chaos die kittens teweeg brengen, de asiellucht die onze huiskamer zou terroriseren, onze twee kleine kinderen die ongetwijfeld voortdurend aan die beesten zouden trekken. Maar ergens tussen die doembeelden in begonnen mijn eierstokken plaatsvervangend te rammelen en won de belofte van zachtheid van nieuw, geboorte, pluis en knuffel. Niet dat we een andere keus hadden trouwens.

Twaalf weken, een gescheurde palmplant, een compleet vernielde onderkant van de bank (De Man: ‘Geeft niks, die zie je toch niet’. Hij heeft gelijk), vernielde zitting van de bank (Ik: ‘Nu wil ik wel echt die ene van de Ikea hoor, die je zelf online samen kunt stellen. Gevolg was een bank van 12 meter, dus dat wordt hem niet.) en een boel liefde later, was het zover. Tijd om uit te vliegen. Het nest te verlaten. ofwel: marktplaats.

Een wereld waarin ik de regels en gewoontes nog niet kende ging voor me open. Natuurlijk had ik wel eens wat gekocht en verkocht via Marktplaats, maar dat was meestal met één mailtje geregeld. Dit was even van een andere orde. Mensen begonnen me spontaan te bellen en dat is voor iemand met een lichte vorm van telefoonangst echt geen pretje, dus snel mijn telefoonnummer van mijn profiel verwijderd. De toestand werd vervolgd. De eerste afspraak wilde 5x van tijdstip wisselen, en kwam alsnog niet opdagen. Twintig mailtjes (en antwoorden) later -waarin iedereen katje X wilde- weer een afspraak gemaakt met een dolenthousiaste vrouw die vanuit Rotterdam zou komen voor katje X, want ‘helemaal verliefd’. Maar uiteindelijk wilden zij toch de toch liever een poesje, en laat X nou net geen poesje zijn (of was dat Y? Of XY?).

En hoewel ik in de advertentie toch best duidelijk, in kapitalen met drie uitroeptekens, voor de zekerheid, had aangegeven dat het €50,- per KITTEN!!! was, bleven de biedingen van €10/20/30 binnenstromen. Met onderstaande vermakelijke of treurniswekkende conversatie waarbij ik me werkelijk afvraag: WAT is hier niet duidelijk aan. WAT?

stomme conversatie over kittens en wat ze moeten kosten met iemand die niet begrijpt wat een vaste prijs is

 

Hiervan moest ik even een beetje huilen. Maar ik herpakte me snel. De twee lieve tijgerkatjes, die als tijdelijke werknamen Snuitje en Columbus hadden, zijn vandaag opgehaald door mensen waarvan ik eigenlijk zeker weet dat ze het daar goed  krijgen. Heel vriendelijk, warm, en geïnteresseerd, met een richting puber maar nog niet helemaal dochter. Woonachtig in Nijmegen, de stad waar ik gestudeerd en gewoond heb en waar een deel van mijn manuscript zich afspeelt. Dat moet goed zijn. En ze waren alle drie zichtbaar weg van de twee katjes. De keuze werd gemaakt.  Een beetje ongemakkelijk zette ik ze in het reismandje. ‘Nou dagdag, heb het goed.’. Het mandje werd opgetild. ‘Die ene houdt trouwens heel erg van koffie.’ zei ik nog een beetje in de ruimte. ‘Van espresso’ probeerde ik nog. ‘En van wijn.’ Maar dat laatste hoorden ze niet meer.

 

Zelfs depressie is niet alleen maar huilen boven de pillendoos.*

Dit schreef ik gisteren op Facebook. Eerder had ik zoiets al gedeeld met een kleine groep, maar deze is ‘openbaar’ en daarmee best (HEEL) eng. En dat het dan alleen maar steun geeft.

Het is vandaag dus #WorldMentalHealthDay – dat als doel heeft om psychische problemen bespreekbaar te maken en het taboe te doorbreken. Enkele maanden geleden heb ik hiermee (op deze plek) ‘geoefend’ door met een kleine groep mijn verhaal te delen. Over depressie en shit. De positieve reacties sterkte me zodat ik er daarna ook wat beter in het echte leven over durfde te praten. Vervolgens schreef ik er soms over op mijn website (al bleven vele berichten hangen in het concept-, of het ik-durf-nog-niet-stadium… en heb ik geen 1.000 bezoekers per dag, dus dat scheelde ook weer), http://rinskejansen.nl/hoi-mevrouw-de-psychiater-wat-fijn-…/
Ja, deze, klik en lees. Of niet. En nu de stap naar een grotere openheid. Omdat het dan misschien een beetje van mijn schouders valt. Omdat het nodig is, en omdat past bij herstel. Of omdat ik soms ook niet weet wat moeilijker is of zwaarder weegt; zelfstigma (mijn eigen -veelal- vernietigend oordeel over mezelf,), of (het vermeende?) stigma van anderen. Misschien valt het allemaal wel mee. Hé, hó, let’s go. Hier mijn verhaal, of een deel van mijn verhaal want zelfs depressie is niet alleen maar huilen boven de pillendoos. 💪💊💊💊💊💊🍀😍😷 

https://mindblue.nl/ervaringsverhaal/een-tof-leven-en-tch-steeds-weer-een-depressie/1193

Het regende steun. het was hartverwarmend en daarnaast gleed er, inderdaad, een berg van mijn schouders. Zo, het ravijn in.

Bam.

Is alles nu opgelost? Ha, zeker niet. Maar de bewuste keuze voor openheid doet me goed. Lang heb ik me laten tegenhouden. Schuldgevoel, schaamte, zelfhaat, ‘wat vindt iedereen’; alles deed er alles aan om het in me te houden. Misschien dat de behandeling van die depressie naast ‘zelfinzicht’ ook wel een soort openheid als resultaat heeft. Want dit delen, en steun ontvangen, is helpend, echt, zoveel meer dan je je voor zou kunnen stellen. Alleen al dat mensen het weten, laten weten dat ze het weten maar dat je het er verder niet uitgebreid over hoeft te hebben. Maar dat het wel kan.

En dat ik nu berichtjes krijg van mensen die het herkennen, waarvan ik het niet wist. Iemand met wie ik leuk contact had en die altijd zo opgeruimd overkwam…En ik me betrap op de gedachte (die mensen ook bij mij hebben)……

“HUUH? JIJ?”

“Ja jij, ja ik,”

‘Thee?’

 

 

*de titel is geïnspireerd op de blije eikel methode van Sanne X

De Slush Pile

Hij schijnt bijna tot aan het plafond te reiken en zo’n 4 bureaus in beslag te nemen. De stagiair, de beginneling en een redacteur ploeteren zich er een weg doorheen. 99% is opgeloste hoop. Dromen vervagen en scharen zich in het landschap van de fantasie, of de illusie.

De slush Pile bij een uitgeverij.

De stapel met spontaan ingestuurde manuscripten, waarvan er soms op de honderd inzendingen maar één (1) manuscript per jaar daadwerkelijk een boek wordt.

Het manuscript waar ik in eerste instantie -terecht of niet- heel trots op was verliest gaandeweg haar glans, of ik mijn vertrouwen.

Misschien kan ik beter een staatslot kopen.

Na enig research, begint de moed me te vullen. Want van de pensionado’s, psychiatrisch patiënten en toptalenten (zie quote in de link) voldoe ik zeker aan één van die kenmerken en voor de 2e ben ik hoopvol gestemd. Daarnaast hoop ik mijn pensioen te halen.

Lees: https://medium.com/@jeltenieuwenhuis/vlinders-494d1d2e242a

Hatchimals en andere problemen

In de Intertoys staan we achteraan opgesteld in een hele lange rij. Wij, de twee Dochters van 5 en 6 en ikzelf. We hebben een Minion voetbal als cadeautje voor de verjaardag van de 3-jarige zoon van vrienden, en een ‘Hatchimal’ (excuses als ik het verkeerd schrijf, ik heb nog steeds geen idee wat het precies is, al ligt het nu naast de dochters in bed en hebben we er zo’n strijd om geleverd dat het vast een heel belangrijk iets moet zijn. Voor de 5 en 6-jarige dan). Volgens de 6-jarige is het ‘een soort ei waar je overheen moet wrijven, dan wordt het hart rood en dan kun je het indrukken en dan komt er een dier uit’.

Juist, dat verklaart echt een hele hoop, nu snap ik het. Eh? Sorry toch niet. Want ergens, verwachtte ik een echt levend wezen -dat kruipt tenslotte uit een ei-. Of anders op zijn minst een soort Tamagotchi*, een wezen dat je wel een beetje moet verzorgen met virtuele aandacht ofzo.

Maar nee. Het omhulsel was inderdaad een soort ei, maar wat eruit kwam was een cheap-ass plastic diertje met het formaat foetus, of koffieboon, eigenlijk nóg kleiner. En onooglijker. Ik denk dat het makkelijk in je neus past, zo klein**.

ik had de goedkope/mini ‘Hatchimal’; twee eitjes van miniformaat voor 7 euro.  De ‘echte’, die de Dochters eigenlijk op het oog hadden was zo’n zestig centimeter hoog; een enorm ei, waar dan waarschijnlijk ook een enorm plastic misbaksel uit zou kruipen, voor zo’n 70 euro. Eh, Wát?

Na eindeloos getwijfel en gedraai (Mahaaaaam, mag ik de Little Pony? Mahaama, ik wil die knuffel met de strik. Mahaaam ik wil die grote Barbie met de gitaar! Mahaaaaaam ik wil die héle grote Hatchimaaaal want die is echt echt!’) waren we het eens. Eén verpakking met 2 eitjes erin. Hopla, voor allebei 1 ei, eerlijk delen, net zo gemakkelijk.

Dat had ik gedacht.

Na het eindeloos wrijven over het hart waarna het ingedrukt kon worden en het plastic mormel ontpeld, kwam de ontdekking. Met luid geschreeuw. “Mahaaam! Mahaaam!” (uit gewoonte altijd minstens 2x achter elkaar) Was er brand? Nee. Zoals gewoonlijk was er niks aan de hand. Wat was het geval? er was maar 1 ‘nestje’ (aka bedje) in de verpakking voor het mormel. Een nestje is een kleine roze plastic schaal met het design van een vogelnestje, bestemd voor 1 klein mormeltje.

Hatchimal

En 2 kinderen, en 2 mormels. En dan 1 nestje erbij leveren? Wat zijn dat voor producenten? Sadisten, kinders-onkundigen. Of (meer waarschijnlijk) slimme productontwikkelaars. die er samen met de marketeers voor zorgen dat de Dochters aan de tv gekluisterd zitten bij de reclame over dat plastic en het er al wéken over hebben. En dus ook allebei naast een Hatchimal ook een nestje moesten hebben. Da’s logisch.

Wat volgde was een uur getouwtrek, geduw, geschop en gekat.

‘Jij mag altijd alles, nu mag ik.’

‘Nietes.’

“ik wil hem!’

“AU!, Je duwt en je schopt.”

“Nou én. Jij doet dat ook. En ik kan het beter”

“Jongens hou nou ff op”, probeer ik nog. Lafjes. Tevergeefs.

Natuurlijk had ik hier keihard consequent moeten zijn, want de regel bij ons geldt: wordt er ergens ruzie over gemaakt dan is het voor mij (moehahaaaa), nouja, voor even dan, daarna krijgen ze het weer terug. Maar wat nu te doen? Dit zou ongetwijfeld een ongoing struggle worden, en daarvan hebben we er al genoeg.

De productontwikkelaars en marketeers winnen deze slag. Maandag fiets ik naar de Intertoys voor een 2e setje met 2 van die prutsbeesten. En dat allemaal omdat ik niet de beesten maar wel het nestje wil/moet hebben. Waarvan ik nu al weet dat die na maximaal twee dagen ergens in een hoekje stof loopt te happen .

* Voor de generatie ná mij: een Tamagotchi is een soort dier dat je elke dag moet voederen, aaien en uit moet laten (ofzo), anders gaat het dood. Virtueel dan, want het is een virtueel dierding. In een soort sleutelhanger waar een mini-computerding aan hangt. Ofzo. Met knopjes. Ik denk dat wiki je wel meer kan vertellen.

** Probeer dit nou niehiet….