Een onzichtbaar stukje

Kijk, ik schrijf nu een stukje. Aan de keukentafel, glaasje wijn erbij, laat mijn gedachten gaan en maak er een leuk verhaaltje van, dat is tenminste wel de bedoeling. De gordijnen zijn dicht, ik wieg mee met QOTSA en ben onzichtbaar voor iedereen. Het schrijven voelt net zo onzichtbaar. Het drukken op ‘publiceren’ maakt daar geen verschil in.

Soms, als ik het een leuk/lief/mooi/fijn/goed stukje vind, deel ik hem op Facebook, alleen voor mijn vrienden. Als ik er erg trots op ben deel ik het zelfs ‘openbaar’.

Maar hè, ik plaats dit dus op mijn website. Toegankelijk voor iedereen, meer dan openbaar kan iets niet zijn. Toch? En toch voelt het pas ‘gepubliceerd’ als ik op Facebook of Twitter heb gezegd ”Hé, jongens, ik heb een nieuw stukje geschreven. Kijk maar!’

Da’s gek.

Want eigenlijk hoop ik toch dat ook mensen buiten mijn inner circle of Facebook of Twitter af en toe een stukjes van me lezen.

Dit alles realiseerde ik me eigenlijk pas vanmiddag, toen ik een buurman uit de straat tegenkwam met wie ik op de buurtbarbecue (ik weet het, het is niet heel glamorous, maar desondanks heel gezellig, -daarom kent de spellingscontrole dit woord ook denk ik-) had gekletst. Over alles en nog meer, over mijn schrijverij en zijn werk en onzer verschillende levens in dezelfde straat. Daarna had hij mijn site bekeken en mijn stukjes gelezen, vertelde hij me dus vanmiddag, toen we elkaar tegenkwamen. Een mengeling van trots en gene bekroop me. Want, iemand die ik niet goed kende, maar wel een beetje, had iets van mij gelezen. En hij vond het leuk. Dat was de trots. De gene kwam van, ja waarom eigenlijk? Daar moest ik echt even goed over nadenken. Ik denk dat ineens tot me doordrong dat datgene wat ik als redelijk ‘onzichtbaar’ beschouwde, ineens in de etalage stond. Wat gek was, want een website begin je niet om onzichtbaar te zijn (en mijn werk is websites vindbaar maken, dus helemaal onwetend op dat gebied ben ik niet). En in de etalage staan, dat is toch ook een beetje de bedoeling met het schrijven op mijn site?

Ik denk dat ik dezelfde mixed feelings heb als het over mijn manuscript gaat, die nu bij 1 uitgeverij in een postvakje of op een stapel op een bureau stof ligt te happen en bij 2 uitgeverijen in een ‘to do’ / ‘to read’ mapje in de mailbox terecht zijn gekomen; bij een te drukke redacteur die elke dag talloze manuscripten de prullenbak in kiepert. Misschien zit de mijne daar wel bij.

Maar, stel je voor dat het gepubliceerd wordt. Waaaaaat!!!!?Da’s eng.

Dan gaan mensen het lezen. Oh No.

Dat is bijna net zo onwerkelijk als dat niet-vrienden-op-Facebook-wanneer-ik-de-link-heb-gedeeld mijn stukjes lezen. Onwerkelijk, maar wel tof.

Kortom, het was een leuke ontmoeting en een erg leuk gesprek. Dat je de mensen in je straat zelfs via zo’n omweg kunt bereiken en verhalen kunt delen.

Da’s mooi. (en als je dit leest: hoi!)

 

Hatchimals en andere problemen

In de Intertoys staan we achteraan opgesteld in een hele lange rij. Wij, de twee Dochters van 5 en 6 en ikzelf. We hebben een Minion voetbal als cadeautje voor de verjaardag van de 3-jarige zoon van vrienden, en een ‘Hatchimal’ (excuses als ik het verkeerd schrijf, ik heb nog steeds geen idee wat het precies is, al ligt het nu naast de dochters in bed en hebben we er zo’n strijd om geleverd dat het vast een heel belangrijk iets moet zijn. Voor de 5 en 6-jarige dan). Volgens de 6-jarige is het ‘een soort ei waar je overheen moet wrijven, dan wordt het hart rood en dan kun je het indrukken en dan komt er een dier uit’.

Juist, dat verklaart echt een hele hoop, nu snap ik het. Eh? Sorry toch niet. Want ergens, verwachtte ik een echt levend wezen -dat kruipt tenslotte uit een ei-. Of anders op zijn minst een soort Tamagotchi*, een wezen dat je wel een beetje moet verzorgen met virtuele aandacht ofzo.

Maar nee. Het omhulsel was inderdaad een soort ei, maar wat eruit kwam was een cheap-ass plastic diertje met het formaat foetus, of koffieboon, eigenlijk nóg kleiner. En onooglijker. Ik denk dat het makkelijk in je neus past, zo klein**.

ik had de goedkope/mini ‘Hatchimal’; twee eitjes van miniformaat voor 7 euro.  De ‘echte’, die de Dochters eigenlijk op het oog hadden was zo’n zestig centimeter hoog; een enorm ei, waar dan waarschijnlijk ook een enorm plastic misbaksel uit zou kruipen, voor zo’n 70 euro. Eh, Wát?

Na eindeloos getwijfel en gedraai (Mahaaaaam, mag ik de Little Pony? Mahaama, ik wil die knuffel met de strik. Mahaaam ik wil die grote Barbie met de gitaar! Mahaaaaaam ik wil die héle grote Hatchimaaaal want die is echt echt!’) waren we het eens. Eén verpakking met 2 eitjes erin. Hopla, voor allebei 1 ei, eerlijk delen, net zo gemakkelijk.

Dat had ik gedacht.

Na het eindeloos wrijven over het hart waarna het ingedrukt kon worden en het plastic mormel ontpeld, kwam de ontdekking. Met luid geschreeuw. “Mahaaam! Mahaaam!” (uit gewoonte altijd minstens 2x achter elkaar) Was er brand? Nee. Zoals gewoonlijk was er niks aan de hand. Wat was het geval? er was maar 1 ‘nestje’ (aka bedje) in de verpakking voor het mormel. Een nestje is een kleine roze plastic schaal met het design van een vogelnestje, bestemd voor 1 klein mormeltje.

Hatchimal

En 2 kinderen, en 2 mormels. En dan 1 nestje erbij leveren? Wat zijn dat voor producenten? Sadisten, kinders-onkundigen. Of (meer waarschijnlijk) slimme productontwikkelaars. die er samen met de marketeers voor zorgen dat de Dochters aan de tv gekluisterd zitten bij de reclame over dat plastic en het er al wéken over hebben. En dus ook allebei naast een Hatchimal ook een nestje moesten hebben. Da’s logisch.

Wat volgde was een uur getouwtrek, geduw, geschop en gekat.

‘Jij mag altijd alles, nu mag ik.’

‘Nietes.’

“ik wil hem!’

“AU!, Je duwt en je schopt.”

“Nou én. Jij doet dat ook. En ik kan het beter”

“Jongens hou nou ff op”, probeer ik nog. Lafjes. Tevergeefs.

Natuurlijk had ik hier keihard consequent moeten zijn, want de regel bij ons geldt: wordt er ergens ruzie over gemaakt dan is het voor mij (moehahaaaa), nouja, voor even dan, daarna krijgen ze het weer terug. Maar wat nu te doen? Dit zou ongetwijfeld een ongoing struggle worden, en daarvan hebben we er al genoeg.

De productontwikkelaars en marketeers winnen deze slag. Maandag fiets ik naar de Intertoys voor een 2e setje met 2 van die prutsbeesten. En dat allemaal omdat ik niet de beesten maar wel het nestje wil/moet hebben. Waarvan ik nu al weet dat die na maximaal twee dagen ergens in een hoekje stof loopt te happen .

* Voor de generatie ná mij: een Tamagotchi is een soort dier dat je elke dag moet voederen, aaien en uit moet laten (ofzo), anders gaat het dood. Virtueel dan, want het is een virtueel dierding. In een soort sleutelhanger waar een mini-computerding aan hangt. Ofzo. Met knopjes. Ik denk dat wiki je wel meer kan vertellen.

** Probeer dit nou niehiet….

Bloemetjesjurk

Toen ik zo’n kleine honderd jaar geleden zwanger was -voor mijn gevoel dan, want de jongste Dochter is pas vijf jaar dus zo lang geleden kan het niet zijn- vierden vrienden van ons hun liefde. Enkele maanden daarvoor waren ze getrouwd, in Amerika, en dat moest natuurlijk nog een keer heel dik gevierd worden voor de vrienden in Nederland (en terecht! De liefde kun je niet vaak genoeg vieren.)

Het thema van het bruiloftsfeest was ‘ruitjes en bloemetjes’.

Oohhh…

Daar sta je dan met je bolle zes/zeven maanden buik. Ruitjes op een bolle buik? Neh.

Bloemetjes?

Heb je wel eens feestelijke zwangerschapskleding met bloemetjes erop gezien?

Of een bolle bloemetjesbuik? Neh.

Maar verdomd, ik had het niet kunnen bedenken. Enkele weken later liep ik vlak voor het grote feest bij de enige fijne kledingwinkel voor bolle dames tegen het ultieme bloemetjesjurkje aan. Oke, het decolleté hing wat laag voor mijn ontplofte melktieten, maar een veiligheidsspeld bood een kuise uitkomst. Die veiligheidsspeld zit er nu, zes jaar later, nog steeds in, overigens. Ook toen ik hem gisteren aantrok.

Het was een verwarmend lief feest vol spetterende liefde en blijheid, zelfs met één glas champagne (oké, stiekem twee, of drie, sorry, voor die éne keer lieve baby A…… maar daarna spa, oke, vier, ik geef toe…) werd ik er emotioneel van. In mijn bloemetjesjurk.

Daarna heb ik de jurk ver weg achterin de kast gegooid, want ten eerste hield ik niet zo van jurken en ten tweede niet van bloemen. Hoewel zelfs ík vond dat ik er ‘wel oké’ uitzag op de foto’s. Maar smaken kunnen veranderen. Dat bleek.

Anyway.

De Dochters zijn nu 6 en 5, de bolle buik is ingedamd tot een, nouja, strak wil ik niet zo 1-2-3 zeggen, maar wel iets minder bol geheel…

En ineens, ondanks mijn antipathie voor bloemetjesjurken, trok ik deze week zomaar, zonder enige waarschuwing het bloemenpositiejurkje aan. En het stond nog best oké, constateerde ik, al ronddraaiend voor de spiegel.Was er blij mee.

De Dochter L. zag me op de gang en riep uitgelaten:’Oh Anne, kijk nou eens wat mama aan heeft.’ Ik liep door en ging koffie zetten, het was nog vroeg. Geen commentaar.

Dochter A riep verheugd uit:’Oh mama, in die jurk heb je een baby in je buik, toch? Ja toch?’

Hoe weet zij dat nou weer? Zij zat toen ín die buik…….He?

Ik keek in de spiegel en bekeek mezelf vanaf de zijkant. Mwa, niet overtuigend een babybuik, maar ik snapte haar wel.

Kut.

Bedankt lieve Dochter A.

Ik liet mijn buik betasten door de Dochter terwijl ik zei:’Ja, ik heb nu deze jurk aangedaan omdat…..’?

‘Je er blij door wordt?’ antwoordde dochter L.  Die kent mijn stemmingen inmiddels ook wel.

Juist. Een jurk waar ik blij van word. Van de bloemen, van de zacht strelende stof op mijn huid, van de herinnering van de verwachting, van de herinneringen aan het vieren van een heleboel liefde en gestolen champagnemomenten, blote voeten in het gras, iemand die zegt ‘ik ga ff kotsen,  zo weer terug’. En dat dat ook zo geschiedde, terloops. En van een kampvuur, een stralende ballon in de lucht, voor de mensen die gemist worden. En van een bijzonder lief feest en mooie momenten.

En hoe lastig alles soms is, het kan ook allemaal simpel zijn. Soms. Een jurkje aantrekken, overspoeld worden door de herinnering, de koffie in de ochtend, een boek afronden, de heerlijke kinderen, de liefde die gevierd moet worden. En dat ik dan nu, een dikke 5 jaar later, in dezelfde jurk een heel ander mens ben, of lijk? Dát weet ik nog niet helemaal. Ach nee, ik ben dezelfde ik die misschien wat geleerd heeft, of niet, maar nog steeds dezelfde. In mijn bloemetjesjurk.

Zo. Zie hier. De jurk.

Jurk en liefde

 

Mountainbike revisited

Ergens vóór het jaar 2002 kocht ik een mountainbike. Een geel met zwarte Giant, ATX 860 afgemonteerd met Sram 7 (dit voor de kenners of de liefhebbers).

Hoe ik weet dat het voor 2002 was? In het (nog steeds) bemodderde zadeltasje (ja, sorry, als amateur moet ik toch echt zelf mijn band plakken en dus zijn bandenlichters, reserveband en pompje onmisbare attributen), vond ik een oud lidmaatschapspasje van Bar End, de plaatselijke mountainbikevereniging, waar  vetgedrukt het jaartal, 2002 opstond. En aangezien ik niet direct na de aankoop van mijn mountainbike lid zou zijn geworden van een club (want dan zouden ze direct zien dat ik helemaal niet kan mountainbiken. Ik moet eerst oefenen) is de aankoop waarschijnlijk in 2001 geweest.

Na een jaartje in mijn eentje rijden, met trillende benen, want met grote angst voor grote honden en wilde zwijnen, en op twee vaste routes, want mijn richtingsgevoel laat te wensen over en in een bos lijkt alles overal hetzelfde zodat links ook rechts kan zijn en andersom, concludeerde ik dat het anders moest.Ik zou bij een mountainbikeclub gaan.

Bij Bar End reden we elke dinsdagavond samen door het bos, onder begeleiding van iemand die de weg wist en die ons trainde. Ik lag voortdurend achteraan, angstig als ik was om te dicht op mijn voorganger te rijden. In een groep rijden is ook chaos, want overal mensen, en aanwijzingen die geschreeuwd worden en mensen die voor je wielen rijden en dan ook nog eens boomwortels die mijn wielen dwars zitten. En niet op tijd uit kunnen klikken, ook dat nog.

Maar goed, na enkele jaren rijden met Bar End ging ik in een poppodium annex filmtheater werken, werd mijn dag- en nachtritme daardoor een beetje in de war  gegooid of omgekeerd, zat het mountainbiken er niet meer in en dronk ik vooral veel bier.

De afgelopen tien jaar heeft de mountainbike dan ook vooral in de weg en/of in de schuur gestaan.

Exit relatie. Het grote huis (met dito garage) werd ingeruild voor een slaapplek bij mijn ouders (in het bed waarin ik verwekt was, saillant detail die ik liever niet had geweten), daarna een kamer met eigen voordeur, op mezelf maar met warmte nabij, bij mijn ‘tweede ouders’, waar ik meer dan een half jaar gewoond heb. Daarna een kamer in een huis dat vooral bewoond werd door uitzichtloze types, net als ik destijds leek, denk ik. Maar de Mountainbike verhuisde altijd mee. Net als mijn racefiets. Ze hebben beiden aan elkaar geketend in vervallen schuren of mooi opgeruimde garages gestaan.

Nu is de racefiets verkocht (want die bleek 3 maten te groot te zijn, wat ik al vermoedde tijdens het rijden, en een nieuwe gekocht, maatje XS deze keer) en de mountainbike stond tot gisteren in de schuur. Stil te staan.

De afgelopen weken bedacht ik me steeds vaker dat het wel lekker zou zijn om te mountainbiken. Het hoofd leeg maken in het bos, lekker sturen op smalle single tracks en scheuren door de modder, ja, ik zag het wel zitten.

En zo ontstond het plan om de mountainbike op te knappen. Dat plan bleek, zoals vele plannen, in het hoofd goed te gedijen, maar daar bleef het dan ook bij. Tot we constateerden dat de Zoon zijn fiets was ontgroeid. En aangezien de Zoon vaker bij zijn moeder (niet ik) is dan bij zijn vader (mijn lief), en een compleet nieuwe fiets eigenlijk een beetje too much was voor die enkele keren per jaar dat hij hier een fiets nodig heeft, pasten alle stukjes in elkaar. En zo werd mijn mountainbike tóch nog opgeknapt. Fris gewassen, soepeltjes geolied, de bandjes niet eens poreus. Het enige dat restte was het aanschaffen van een nieuwe zadelpen. En als dát gebeurt is, ja, dan heb ik een mountainbike die het weer doet en dan heeft de Zoon hier een fiets om op te fietsen.

Het wachten is nu nog op een nieuwe zadelpen.  Het plan om deze aan te schaffen is er al, dus de eerste stap is gezet.

— to be continued.

 

 

De Heks En Het Kind

Vakantie kan soms lang duren, té lang. Vooral met kinderen. En vooral als je tussendoor probeert te werken en het kamperen al weer even geleden is. Na drie weken van uitgestrekte structuurloze vakantiedagen hebben de zes- en de vijfjarige een logische, vast welverdiende, maar strontirritante hangdag.

Met twee meiden tegen me aangeplakt zat ik op de bank. In mijn eigen hangdag. Met mijn eigen boek nog in mijn hoofd hield mijn creativiteit op bij het voorstel om samen een verhaal te bedenken. Na enig gesputter ‘Ik heb geen verbeelding, mama’. En ‘ik kan dat toch niet’. begonnen we. Of eigenlijk ik. Met als begin een vrouw in een groot en donker huis. De suggesties rolden binnen. “Het is een heks’ zei L. ‘En wat doet die heks dan?’ vroeg ik. ‘Die gaat kinderen meenemen’ zei A. En zo geschiedde. L. bedacht de zinnen, ik maakte het sóms een beetje logischer en in een uur tijd hadden we een kinderboekenbestseller geschreven. Denk ik. De ruzie om de naam van de hoofdpersoon duurt overigens nog voort. De strijd gaat tussen ‘Sneeuwkristal’ en ‘Sanne’. Beiden gekozen door de (verschillende) dochters. Die nu nog steeds ruzie maken, over de naam, maar het is opgeschreven en besloten.

Bij kinderboeken horen natuurlijk illustraties. L. begon voortvarend het enge donkere huis te tekenen, met spinnenwebben aan de deurposten en een krakende deur (ja, dat kan je tekenen, dan zet je er “IE IE IE’ bij).

De Heks en het Kind

Ik mocht de heks tekenen. Hoe ziet een heks eruit? Ik had geen idee, maar Google Images gaf me een paar mooie voorbeelden (dank aan de royalty vrije stockafbeeldingen) en zo tekende ik de heks na. Op haar bezem.

heks vliegt

Ik tekende verder terwijl de dochter afgeleid weer een spelletje deed op de iPad. Elke keer als ik een tekening af had hield ik hem glunderend omhoog, ‘Kijk.’ In sommige dingen ben ik het kinderstadium nog niet voorbij. De Man schoot steeds weer in de lach, de bewondering van de dochters was groot. ‘Mooi mam’ waarna ze zich weer over hun spelletje bogen. Gelukkig kon ik toch nog wat aandacht krijgen voor de laatste tekeningen, die L. heeft gemaakt, de tekeningen van de ”prinses’, maar die is eigenlijk geen prinses, maar wel heel mooi, maar ze is eigenlijk gewoon een mama. Met een hartjesjurk.’

Heks wordt mama en het kind

Deze lome zondag besteed aan het inscannen van de tekeningen, plakken in het geschreven verhaal in Word, zodat we het morgen uit kunnen printen, en het kopiëren en plakken in een online gemaakt fotoboek, zodat het een écht boek wordt. Met achterflap en voorkant. Maar dat is een verrassing die over enkele dagen op de mat ploft. De trots die nu al op hun gezichten te lezen was, om hún verhaal in woord en beeld te zien, en dat slechts in Word, was al zo tof. ‘Wow mam, dat hebben wij gemaakt hè!?’ En de verbazing en de trots wanneer ze over een paar dagen hun eigen boek in hun handen houden.. kan ik me alleen nog maar inbeelden.

Wat zo mooi was, en gelukkig maakte, waren zoveel dingen in slechts enkele uren tijd. De zesjarige die opmerkte dat ze tóch wel fantasie heeft, de vijfjarige die het centrale thema bedacht, de verwondering en het verkneukelen en verheugen en grinniken van beide dochters om de gekke verhaallijnen, de enorme lol bij het bedenken van de verschillende mogelijkheden van het verhaal, de conclusie dat ik écht niet kan tekenen maar het uren met heel veel plezier heb gedaan. En tot slot de opwinding, want morgen gaan we naar kantoor om het Word-document te printen…… Spannend, ik ken het gevoel. Alleen had ik geen tekeningen erbij gemaakt. Misschien toch maar doen, is wel erg leuk, al ligt mijn talent duidelijk elders.

kind boven soep

 

En nu?

De afgelopen drie, vier maanden heb ik aan mijn boek gewerkt. In een voor mij zeer ongebruikelijke structuur, want: structuur, daar ben ik niet zo goed in. Dus elke structuur zou min of meer ongebruikelijk zijn, maar van déze stond zelfs ik te kijken.

Het half jaar voor ik aan mijn boek begon bestond mijn avond grotendeels uit het bingen van allerhande Netflix-series. Ik moet heel hard nadenken om te weten welke series, en dat terwijl ik er maandenlang mee geleefd had. Het was The Good Wifelekker veel seizoenen en veel afleveringen per seizoen, daarna de geweldige serie Master of None en Love, en nog wat tussendoorse series. Dus toch een soort van structuur.

En toen wilde ik, door allerlei omstandigheden  mijn avondritme veranderen, en ik kreeg het idee voor een boek. 1+1= enfin, het bingen werd ingeruild voor het schrijven. En sindsdien schreef ik 7 avonden per week, van half acht tot een uur of 11, half 12. Overdag niet, dat was voor het betaalde werk, voor strategie en communicatie. Voor merkpositionering en websites otimaliseren. En de avond was voor mij. Voor mij en Lizy, mijn meisje uit het verhaal.

Een avond naar een vriendin of terras hangen was dan misschien wel gezellig ofzo, maar wat had ik liever, veel liever, mijn verhaal verder geschreven. En dat een nieuwe en door mij lang verlangde  House of Cards én een nieuwe OITNB is uitgekomen zonder dat ik er ook maar 1 seconde van heb bekeken is op zijn minst wonderlijk.

En nu? Het manuscript is opgestuurd naar enkele uitgeverijen die ‘tussen de 2 en de 20 weken zullen reageren.’ Zenuwachtig? Nee. Het is mijn verhaal, ik vind het goed, ongeacht wat zij vinden. Echt? Nee joh, Tuurlijk niet! Dit Is Superspannend! De eerste dag keek ik voortdurend op mijn telefoon of ze al gebeld hadden. Een beetje verontwaardigd wel dat ze dat nog niet gedaan hadden. Maar nu is het weekend, en dan zullen ze vast niet bellen. Toch? Dus nu echt even rust. Maandag verder wachten.

Maar, wat nu?  Hoe nu verder?

Elke avond klap ik mijn Macbookje open en zie een leeg document. Kut. Ik wil, moet, zal schrijven, maar heb geen verhaal meer. Het voelt leeg. Ik mis het, het opgaan in een verhaal, het bedenken wat er gebeurt, het bouwen en puzzelen. Ik denk aan de personen uit mijn verhaal. Hoe zou het met ze gaan? Alsof ze ook buiten mij om een leven hebben. Ik mis Lizy, en Adam, en de moeder en de vader, en zelfs Peter, het vriendje van Lizy. Waarbij ik me pas dágen nadat ik het manuscript naar de uitgeverijen had gestuurd besefte dat het vriendje dezelfde naam heeft als mijn behandelaar. Peter. Da’s gek. Ik kán hier natuurlijk een Freudiaanse uitleg aan geven, met een boel overdracht enzo, maar dat is niet helemaal aan de orde; volgens mij is het gewoon een leuke en veel voorkomende naam die ik uit gemak optikte met het idee dat ik het later met ‘zoeken en vervangen’ ook nog wel  kon ombuigen naar Henk. Of Frank, Martijn, Jeroen, Tijs , Theo of Sjors. En dat niet heb gedaan, zonder Freudiaanse reden. Lizy is trouwens niet ik, ook dat.

Ik wil puzzelen, schrijven en vertellen. Maar op welke manier weet ik nog niet. Dat is dus het onderwerp van de 1e puzzel.

Gezellig!

Bij een grote opruimwoedeaanval van vorige week vond ik een heel klein notitieboekje met in mijn allermooiste kinderhandschrift kleine gedichtjes geschreven. Zonder datum. Wat ik heel irritant vond, want had ik dit nou geschreven op mijn 8e of mijn 12e? Om maar eens wat te noemen.

Ik boog me wat beter over het handschrift; de letters nog met mooie bogen en lussen, de s niet zoals de getypte s maar met een kringeltje bovenaan. De f met twee schuine lussen, boven en beneden. En ik herinnerde me dat ik altijd een hekel had aan de f omdat ik de twee lussen nooit mooi gelijk en evenwichtig kon krijgen.

De gedichtjes waren kort en, toegegeven, niet heel erg origineel, met een steeds weer terugkerend thema: dood, verdriet, pijn, angst. En ‘echte’ liefde, ook dat. Al wist ik nog niet wat dat was ik verlangde er hevig naar. Ouderliefde daargelaten, dat was er meer dan genoeg.

Maar waar dat reisburo Frans Moors Intra vandaan komt? Wij gingen nooit via een reisbureau op vakantie. Meestal op de fiets, of met de trein, naar Frankrijk of Italië. Later met de auto.

Als dit het begin is van een schrijfselcarrière is hier het bewijs. En zo niet, dan ook.

(en nu ik merk dat de afbeelding niet te vergroten valt, hier een uitgetikte versie):

“Angstwekkende donker / geheimzinnige schimmen /De strijd kan beginnen / De dood sluipt naderbij. / Steken in mijn zij. / Steken in mijn hoofd. / Dat heeft de dood mij belooft(d) / Mijn laatste snik / mijn laatste hik / dan sterf ik.

Verder was ik best gezellig toen ik jong was hoor. Net als nu 🙂

Zo’n boek is nog een heel verhaal

Sinds enkele maanden ben ik bezig om een boek te schrijven. Een echt boek, zoeentje die ik zelf graag zou willen lezen (en dat is nogal wat, want ik heb menig boek kwaad weggelegd omdat ik hem stom vond, of saai, of niet grappig, of slecht geschreven, of leuk maar met een beroerd einde). Ik stel dus nogal hoge eisen.

Een paar weken terug was mijn boek af. Ik gaf hem ter proeflezing aan mijn Lief. Die las, bijna twee uur lang onafgebroken. Terwijl ik mijn nagels opat. En hij vond het goed. Met wat op-en aanmerkingen. En nu ben ik dus al bijna een maand bezig om wat er stond uit te bouwen naar iets beters. Een hels karwei? Ja, en nee. Ik geloof dat ik het een heerlijke klus vindt. Een klus met hoofdbrekens, vastlopers, maar vooral veel uitprobeersels. Tot het hels wordt omdat ik het niet meer weet, ik iets anders ga doen als afleiding, hopend op een meersterlijke inval die meestal niet komt. Weer zuchtend verder ga en ineens een lijntje zie waar ik mee verder kan.

En ik moet met behoorlijk wat dingen verder. Want met een opmerking als ‘je moet de dingen wat meer uitdiepen’, daar kun je natuurlijk alle kanten mee op, al wist ik wel ongeveer welke kant. Dus ik diep de karakters uit, me daarbij voortdurend afvragend: wat zal de hoofdpersoon doen? Zou ze deze muziek leuk vinden? wat draagt ze eigenlijk? Vervolgens beschrijf ik interieurs, studentenkamers en ouderlijk huizen. Ik zoek uit van welke bands de moeder van de hoofdpersoon houdt, ik plaats in hst 2 een zaadje om daar in hst x op terug te komen. Het lijkt wel een puzzel waarvan de stukjes nog geschaafd en geknipt moeten worden.

Daarbij heb ik inmiddels na wegleggen en teruglezen, ook mijn eigen rijtje van kritiek opgesteld. Met vage bewoordingen als ‘het tweede deel is te zwaar, gooi er wat lucht in’. Fijn, mijn eigen kritiek. Want hoe doe je dat, ergens lucht in gooien? En terwijl ik mezelf vervloek om mijn onduidelijke commentaar schrijf ik even dit stukje, als afleiding. Omdat ik even niet weet hoe ik verder moet met dit helse karwei.

 

 

13 reasons why – A Netflix Original

‘Ik kan je er wel meer geven dan 13’ zei ze tegen me. Mijn buik werd warm en begon te draaien. ‘Wat zeg je? Wat bedoel je?’ mijn stem klonk hoger dan ik wilde. ‘Die Hannah had er 13, ik heb er wel 20 ofzo’. Ze maakte geen grapje. Ik herkende de matheid in haar stem. ‘Niet doen Eevie’ zei ik. Maar onze machteloosheid was groter dan de 20 redenen.

Dit is geschreven in de categorie ‘ultrakorte verhalen, maximaal 99 woorden. Eerder gepubliceerd op de Facebookpagina van Schrijven magazine: ultrakorte verhalen.

Deze stukjes per mail? Klik hier.